Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2026-04-13
ECLI:NL:RBDHA:2026:8927
Rechtbank DEN HAAG Strafrecht Meervoudige economische kamer Parketnummer: 09/345868-25 Datum uitspraak: 13 april 2026 Tegenspraak De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1988 te [geboorteplaats] , op dit moment gedetineerd in de penitentiaire inrichting [plaats] . 1 Het onderzoek ter terechtzitting Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 30 maart 2026. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. A.C.M. Beneken genaamd Kolmer en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. D.W. Roos naar voren is gebracht. 2 De tenlastelegging De tekst van de tenlastelegging – zoals gewijzigd op de terechtzitting van 30 maart 2026 – is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. Kort en zakelijk weergegeven is de verdenking dat hij op 3 december 2025 (feit 1) en 17 december 2025 (feit 2) professioneel vuurwerk aan een pseudokoper van de politie heeft overgedragen en met anderen grote hoeveelheden professioneel vuurwerk voorhanden heeft gehad in een loods, in de schuur van een woning en in twee bestelbussen (feiten 3 en 4). 3 De bewijsbeslissing 3.1. Opgave van bewijsmiddelen De rechtbank zal voor de feiten met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering volstaan. De verdachte heeft deze bewezen verklaarde feiten namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de raadsman ten aanzien van feit 2 en 3 uitsluitend partiële vrijspraak van het medeplegen bepleit. De officier van justitie heeft met betrekking tot deze feiten eveneens gerekwireerd tot bewezenverklaring. Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2025403652, van de politie eenheid Den Haag, district Den Haag-West, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 640). De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen: Ten aanzien van feiten 1 t/m 4: 1. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 30 maart 2026; Ten aanzien van feit 1 voorts: 2 Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 4 december 2025 (p. 25-27); Ten aanzien van feit 2 voorts: 3 Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 17 december 2025 (p. 125-126); Ten aanzien van feit 3 en 4 voorts: 4 Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 19 december 2025 (p. 127); 5 Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 17 december 2025 (p. 136); 6 Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 23 december 2025 (p. 19-20); 7. Het proces-verbaal van onderzoek aan inbeslaggenomen vuurwerk, opgemaakt op 24 januari 2026 (p. 277-303); 8. Het proces-verbaal van onderzoek aan inbeslaggenomen vuurwerk, opgemaakt op 23 januari 2026 (p. 304-325); 9. Het proces-verbaal van onderzoek aan inbeslaggenomen vuurwerk, opgemaakt op 30 januari 2026 (p. 326-357); 10. Het proces-verbaal van onderzoek aan inbeslaggenomen vuurwerk, opgemaakt op 23 januari 2026 (p. 358 – 420); 11. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 17 december 2025 (p. 141-143). 3.2. Aanvullende bewijsoverweging Medeplegen feit 2 (pseudokoop 17 december 2025) De rechtbank stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard wanneer is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking. Uit de bewijsmiddelen leidt de rechtbank met betrekking tot de betrokkenheid van verdachte bij het tenlastegelegde het volgende af. Op 17 december 2025 is de verdachte, als bijrijder, samen met zijn medeverdachte in een per De raadsman heeft tevens primair verzocht de maatregel kostenverhaal af te wijzen en subsidiair deze te matigen. 6.3. Het oordeel van de rechtbank Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking. Ernst van de feiten De verdachte heeft op zowel 3 december 2025 als op 17 december 2025 professioneel vuurwerk verkocht aan een undercoveragent. Daarnaast heeft hij op 17 december 2025 een aanzienlijke hoeveelheid professioneel vuurwerk in een loods, een schuur behorende bij de woning van de moeder van zijn kinderen en zijn twee bestelbussen voorhanden gehad en opgeslagen. De verdachte heeft met zijn handelen een gevaarlijke situatie gecreëerd voor omwonenden van de woning van de moeder van zijn kinderen, door een grote hoeveelheid professioneel vuurwerk – in de schuur van de woning midden in een woonwijk en niet op de voorgeschreven wijze – te bewaren. De verdachte heeft hiermee onaanvaardbare risico’s genomen en de algemene veiligheid van personen en goederen ernstig in gevaar gebracht. De rechtbank rekent de verdachte dit aan. Strafblad De rechtbank heeft kennis genomen van het strafblad van de verdachte van 3 maart 2026 waaruit blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor vergelijkbare strafbare feiten. Strafmaat Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats is. Bij haar beslissing over de hoogte daarvan heeft de rechtbank gekeken naar de richtlijnen van het openbaar ministerie voor vuurwerkdelicten en gevangenisstraffen die in soortgelijke gevallen worden opgelegd. Gelet daarop zal de rechtbank de verdachte een gevangenisstraf van tien maanden, waarvan vijf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren opleggen. De rechtbank acht een voorwaardelijke gevangenisstraf passend, enerzijds om de ernst van de gepleegde feiten tot uitdrukking te brengen en anderzijds om de verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken. De oplegging van de maatregel kostenverhaal De maatregel kostenverhaal, zoals bedoeld in artikel 8 onder d van de WED, is niet bedoeld als punitieve sanctie. De maatregel maakt het mogelijk om de kosten te verhalen die de Staat moet maken voor de vernietiging van voorwerpen die ernstig gevaar opleveren voor de leefomgeving en/of de volksgezondheid en ten aanzien waarvan de maatregel onttrekking aan het verkeer wordt opgelegd. In de onderhavige zaak zijn kosten gemaakt om het vuurwerk dat verdachte voorhanden heeft gehad of had opgeslagen te vernietigen. Er wordt een fors bedrag geëist, € 129.968. Ter onderbouwing zijn stukken overgelegd waarin (1) op basis van andere zaken een gemiddelde kostprijs per gewicht is berekend en (2) die gemiddelde kostprijs is vermenigvuldigd met het in deze zaak aangetroffen gewicht aan vuurwerk. Omdat het gaat om een aanzienlijke hoeveelheid vuurwerk, acht de rechtbank het redelijk dat er kosten zijn gemaakt ter waarborging van de veiligheid van de samenleving. De opgevoerde kosten zijn naar het oordeel van de rechtbank echter onvoldoende inzichtelijk gemaakt Een concrete onderbouwing van de kosten in deze zaak (facturen en onderliggende contracten) ontbreekt. Er is niet duidelijk gemaakt waarom deze concrete onderbouwing er niet is, en waarom in plaats daarvan wordt volstaan met een schatting op basis van een gemiddelde kostprijs. Bovendien is niet inzichtelijk gemaakt op basis van welke gegevens de onder (1) bedoelde gemiddelde prijs is berekend. Het is naar het oordeel van de rechtbank mogelijk dat in onderhavige zaak de kostprijs per gewicht lager ligt dan het gemiddelde in andere zaken. Een deel van de kosten zijn waarschijnlijk vaste kosten, die niet afhankelijk zijn staan va 9 De beslissing De rechtbank: verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.3 bewezen is verklaard; verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij; verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt: ten aanzien van feit 1: overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 9.2.2.1 van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan (artikel 1.2.2 eerste lid van het Vuurwerkbesluit); ten aanzien van feit 2: medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 9.2.2.1 van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan (artikel 1.2.2 eerste lid van het Vuurwerkbesluit); ten aanzien van feit 3: overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 9.2.2.1 van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan (artikel 1.2.2 eerste lid van het Vuurwerkbesluit); ten aanzien van feit 4: overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 9.2.2.1 van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan (artikel 1.2.4 eerste lid van het Vuurwerkbesluit), verklaart de verdachte daarvoor strafbaar; veroordeelt de verdachte tot: een gevangenisstraf voor de duur van 10 (TIEN) MAANDEN; bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht; bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot 5 (vijf) maanden , niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit; heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van het tijdstip waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan die van het onvoorwaardelijk gedeelte van de opgelegde gevangenisstraf; Maatregel legt aan verdachte de verplichting op tot het vergoeden van de kosten die ten laste van de Staat komen in verband met de vernietiging van voorwerpen die ernstig gevaar opleveren voor de leefomgeving of voor de volksgezondheid en stelt het te betalen bedrag van die kosten vast op een bedrag van € 10.000,-; bepaalt de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd op 100 (honderd) dagen; de inbeslaggenomen goederen; gelast de teruggave aan de rechthebbenden van de op de beslaglijst genoemde voorwerpen, te weten: de personenauto Kia met kenteken [kenteken 4] en de personenauto Mercedes Benz met kenteken [kenteken 1] ; verklaart verbeurd het inbeslaggenomen voorwerp, te weten: iPhone; verklaart dat het inbeslaggenomen vuurwerk aan het verkeer wordt onttrokken. Dit vonnis is gewezen door mr. G. Kuijper, voorzitter, mr. G.P. Verbeek, rechter, mr. A. Tsjapanova, rechter, in tegenwoordigheid van mr. C.B. Pluim en A.C. Veltink, griffiers, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 13 april 2026. Bijlage I Tekst gewijzigde tenlastelegging 1 Hij op of omstreeks 3 december 2025 in ’s-Gravenhage, in elk geval in Nederland, opzettelijk professioneel vuurwerk, bestemd voor particulier gebruik, te weten drie pakketten Tropic TA53 ‘Premium Assortment’ aan een pseudokoper van de politie ter beschikking heeft gesteld en/of voorhanden heeft gehad; 2 Hij op of omstreeks 17 december 2025 in ’s-Gravenhage, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging, in elk geval alleen, opzettelijk professioneel vuurwerk, bestemd voor particulier gebruik, te weten 1 stuk enkelschotsbuis TB307 en/of 1 stuk enkelschotsbuis TB310 en/of 1 stuk enkelschotsbuis TB312 aan een pseudokoper van de politie ter beschikking heeft gestel