Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2026-01-21
ECLI:NL:RBDHA:2026:892
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummer: NL24.48275 uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen [naam], V-nummer: [nummer], eiser van Turkse nationaliteit, (gemachtigde: mr. J.M. Walther), en de minister van Asiel en Migratie, de minister (gemachtigde: mr. K. Jansen). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de intrekking van eisers reguliere verblijfsvergunning. Eiser moet terugkeren naar Turkije en heeft een zwaar inreisverbod voor de duur van 10 jaar opgelegd gekregen. Eiser is het niet eens met dit besluit. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de intrekking van de verblijfsvergunning, het terugkeerbesluit en het zware inreisverbod in stand kunnen blijven. Procesverloop 2. In het besluit van 29 september 2021 (primaire besluit) heeft de minister de verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met terugwerkende kracht, met ingang van 12 april 2016, ingetrokken. Voor zover eiser al verblijfsrecht ontleent aan Besluit 1/80, wordt dit verblijfsrecht beëindigd. Eiser moet Nederland onmiddellijk verlaten. Ook wordt aan eiser een zwaar inreisverbod opgelegd. 2.1 In het besluit van 16 februari 2022 heeft de minister het bezwaar van eiser kennelijk ongegrond verklaard. 2.2. Eiser heeft tegen dat besluit beroep ingesteld. Hij heeft op 6 april 2022 de gronden van beroep ingediend. Op 20 mei 2022 heeft hij aanvullende gronden van beroep ingediend. 2.3. Op 9 september 2022 heeft de minister het besluit van 16 februari 2022 ingetrokken. Op 12 september 2022 heeft eiser zijn beroepschrift ingetrokken. 2.4. In het besluit van 19 november 2024 (bestreden besluit) heeft de minister opnieuw beslist en het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. 2.5. Eiser heeft op 4 december 2024 beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Hij heeft op 19 december 2024 de gronden van beroep ingediend en op 23 april 2025 aanvullende gronden ingediend. 2.6. De minister heeft een verweerschrift ingediend op 22 januari 2025. 2.7. Op 28 april 2025 heeft de minister de rechtbank verzocht om toepassing van de bestuurlijke lus, als bedoeld in artikel 8:51a van de Awb. Op 27 juni 2025 heeft de minister een aanvullend besluit genomen. 2.8. Eiser heeft op 23 juli 2025 gereageerd op dit aanvullend besluit. 2.9. De minister heeft op 6 oktober 2025 een aanvullend verweerschrift ingediend. Op 28 oktober 2025 heeft de minister twee aanvullende stukken ingediend waarnaar in het aanvullend besluit van 27 juni 2025 wordt verwezen. 2.10. De rechtbank heeft het beroep op 29 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. Eisers moeder en zus waren ook op de zitting aanwezig. Ook was er een tolk aanwezig die de moeder van eiser heeft bijgestaan. Beoordeling door de rechtbank 3. De rechtbank beoordeelt of de minister eisers reguliere verblijfsvergunning heeft mogen intrekken en of aan eiser een terugkeerbesluit en een zwaar inreisverbod mochten worden opgelegd. Zij doet dat mede aan de hand van de beroepsgronden van eiser. 3.1. De rechtbank is van oordeel dat het beroep gegrond is en vernietigt het bestreden besluit, maar laat de rechtsgevolgen van het besluit in stand. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Achtergrond 4. Eiser is op 21 februari 1997 in Nederland geboren en is in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, onder de beperking ‘gezinshereniging bij ouders’, geldig van 21 februari 1997 tot 21 februari 2002. De geldigheidsduur van de verblijfsvergunning is aansluitend verlengd tot 2 januari 2008. 4.1. Op 5 februari 2009 is eiser opnieuw in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, onder de beperking ‘gezinshereniging bij ouders'. Deze verblijfsvergunning is verleend met ingang van 10 november 2008, met een geldigheidsduur tot 4 januari 2012. 4.2. Eiser voert hiertoe aan dat als de verblijfsvergunning niet zou zijn ingetrokken en het inreisverbod niet zou zijn opgelegd, hij al in aanmerking zou komen voor voorwaardelijke invrijheidsstelling en aanvang van de tbs-maatregel. 7.1. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of op dit moment al voorzienbaar is dat de intrekking van de verblijfsvergunning en de oplegging van het inreisverbod van zodanige invloed op de (eindfase van de) tbs-behandeling van eiser zullen zijn, dat die intrekking en de oplegging nu al niet meer aangewezen zijn, omdat redelijkerwijs voorzienbaar is dat daardoor de situatie voor eiser uitzichtloos zal worden. 7.2. Om deze vraag te kunnen beantwoorden moet de rechtbank allereerst beoordelen of er op dit moment aanleiding bestaat om aan te nemen dat eiser zijn tbs-behandeling niet in Nederland zal kunnen afmaken, als gevolg van de intrekking van zijn verblijfsrecht. De rechtbank moet daarna beoordelen of er andere mogelijkheden zijn om de tbs-behandeling af te ronden zonder in een uitzichtloze situatie terecht te komen. In dit kader zal de rechtbank beoordelen of het voorzienbaar is dat de intrekking van eisers verblijfsvergunning repatriëring naar Turkije onmogelijk maakt. Tbs in Nederland 8. De rechtbank is van oordeel dat het redelijkerwijs voorzienbaar is dat de tbs-maatregel niet in Nederland zal kunnen worden afgerond. Uit de uitspraak van de Afdeling van 17 april 2023 blijkt dat het essentieel is voor het slagen en afronden van de tbs-behandeling dat de terbeschikkinggestelde vreemdeling met verlof kan. Het doel van de tbs-maatregel is namelijk terugkeer in de maatschappij. Zoals ook volgt uit de uitspraak van de Afdeling, is het daarmee in beginsel een gegeven, dat er in elke tbs-maatregel die tot een goed einde wordt gebracht sprake is van het doorlopen van de verschillende stadia van verlof, inclusief onbegeleid verlof. Zonder deze stadia te doorlopen kan de tbs-maatregel niet succesvol worden afgerond. In de uitspraak van 4 september 2024 heeft de Afdeling ook geoordeeld dat het feit dat er geen onbegeleid verlof plaatsvindt, ervoor zorgt dat de tbs-behandeling op een gegeven moment zal vastlopen. Uit de Verlofregeling TBS volgt dat een vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft, is uitgesloten van onbegeleid en transmuraal resocialisatieverlof. Dit betekent dat het behandeltraject in Nederland tot stilstand komt als de minister het rechtmatig verblijf van een vreemdeling beëindigt. 8.1. De rechtbank volgt de minister dan ook niet in het standpunt, zoals ingenomen in het aanvullend besluit, dat op dit moment nog niet voorzienbaar is dat de tbs-behandeling van eiser in Nederland niet zal kunnen slagen. De minister heeft ten onrechte overwogen dat op dit moment niet voorzienbaar is dat voor een succesvolle afronding van de tbs-maatregel alle verlofstadia noodzakelijk zullen zijn. Dat nog niet bekend is voor welke medische aandoening eiser precies zal worden behandeld doet daaraan niet af. De stelling van de minister, dat de minister van Justitie en Veiligheid in tenminste twee gevallen wel toestemming heeft verleend aan vreemdelingen zonder verblijfsvergunning om met onbegeleid verlof te gaan, ondanks dat de regelgeving dit niet toestaat, leidt niet tot een ander oordeel. Zoals op de zitting door de minister ook is aangegeven is deze mogelijkheid niet in de regelgeving neergelegd, zodat daarvan niet kan worden uitgegaan. Ook is niet onderbouwd wanneer en onder welke omstandigheden de minister van Justitie en Veiligheid dergelijk onbegeleid verlof heeft toegekend, ondanks het feit dat de regeling niet in deze mogelijkheid voorziet. De rechtbank acht deze stelling dan ook onvoldoende om te kunnen concluderen dat niet voorzienbaar is dat eisers tbs-behandeling in Nederland zal vastlopen, aangezien niet alle verlofstadia doorlopen kunnen worden. 8.2. De rechtbank concludeert dat op dit moment al voorzienbaar is dat eiser door de intrekking van zijn verblijfsvergunning zijn tbs-behandeling De rechtbank stelt vast dat de minister ter onderbouwing van de stelling dat repatriëring op deze wijze mogelijk is in het aanvullende besluit heeft verwezen naar het feit dat er in het verleden ook al vreemdelingen in vergelijkbare situaties op deze wijze naar Turkije zijn teruggekeerd. Zo zijn er in 2020 drie vreemdelingen overgedragen, in 2022 twee vreemdelingen en in 2023 één vreemdeling. De rechtbank neemt aan dat, zoals de minister ook op zitting heeft toegelicht, het aantal vreemdelingen dat op deze wijze moet repatriëren naar Turkije beperkt is. Daarbij heeft de minister toegelicht dat eerst wanneer de tbs-maatregel in een ver gevorderd stadium is kan worden begonnen met het werken aan de repatriëring. Daaruit volgt dat het feit dat het hier niet om grote aantallen gaat niet afdoet aan het bestaan van de mogelijkheid van repatriëring op deze wijze. 9.6. De rechtbank is dan ook van oordeel dat voldoende is gemotiveerd dat het voor eiser tot de mogelijkheden behoort om in de toekomst naar Turkije te worden gerepatrieerd, terwijl de tbs-maatregel wordt beëindigd. Dit betekent dat het op dit moment dan ook niet redelijkerwijs voorzienbaar is dat eiser in een uitzichtloze situatie terecht zal komen. Eisers niet onderbouwde stelling dat hij een culturele afstand heeft tot Turkije, omdat hij in Nederland is geboren en getogen en hij de taal niet vloeiend beheerst, is onvoldoende om te concluderen dat de repatriëring op voorhand niet mogelijk is. Oordeel 10. De rechtbank oordeelt dat, gelet op voorgaande, door de minister gesteld kon worden dat op dit moment niet voorzienbaar is dat eiser in een uitzichtloze situatie terecht komt. Immers, ondanks het feit dat een succesvolle afronding van de tbs-behandeling binnen de huidige regelgeving na intrekking van de verblijfsvergunning niet mogelijk is, heeft de minister alsnog voldoende gemotiveerd dat de mogelijkheid van repatriëring blijft bestaan, zodat van een uitzichtloze situatie geen sprake is. De rechtbank is van oordeel dat de rechtsgevolgen van het besluit in stand kunnen blijven. Non-refoulement, 3 EVRM en het waarschuwingsvereiste 11. Eiser voert aan dat de minister het terugkeerbesluit ten onrechte niet heeft getoetst aan het verbod van non-refoulement, het besluit in strijd is met de Terugkeerrichtlijn en het arrest Ararat. Eiser stelt daarnaast, onder verwijzing naar twee arresten van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens, dat het waarschuwingsvereiste is geschonden. Ook al zou eiser een serieuze bedreiging voor de openbare orde vormen, dan nog had hij eerst een waarschuwing moeten krijgen. 11.1. De rechtbank stelt vast dat de minister in het bestreden besluit is ingegaan op een mogelijke schending van artikel 3 van het EVRM. Daarbij heeft de minister niet ten onrechte gesteld dat eiser zijn vreest voor een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM onvoldoende heeft onderbouwd en dat bovendien niet is gebleken dat eiser niet de nodige zorg kan verkrijgen voor zijn psychische gesteldheid. Het beroep op het arrest Ararat slaagt niet. 11.2. De rechtbank is van oordeel dat de door eiser aangehaalde arresten niet van toepassing zijn op zijn zaak. In de zaak van eiser is, in tegenstelling tot de zaak in de arresten Noorzae t. Denemarken (https://hudoc.echr.coe.int/), het misdrijf van grote ernst en is hij nog niet toe aan reclasseringspogingen. Het waarschuwingsvereiste dat wordt genoemd in het arrest Nguyen t. Denemarken (https://www.vreemdelingenrecht.be/rechtspraak/europees-hof-voor-de-rechten-van-de-mens-2116-21-9) is niet een hard criterium, maar dient in samenhang bekeken te worden met de overige belangen. De rechtbank overweegt dat de minister alle belangen in samenhang heeft beoordeeld en verwijst hiervoor naar hetgeen onder 13.2 en 13.3 is overwogen. De rechtbank overweegt verder dat eiser ook al eerder, zij het wat langer geleden, in aanraking is gekomen met politie en justitie, dat hij ook door hen is gewaarschuwd om geen strafbare feiten meer te bega Er moet sprake zijn van een juist evenwicht (fair balance) tussen de af te wegen belangen. De rechtbank verwijst in dit kader ook naar de uitspraak van de Afdeling van 13 november 2017. De rechtbank dient in het licht van het voorgaande te beoordelen of de minister alle relevante feiten en omstandigheden in deze belangenafweging heeft betrokken en, als dit het geval is, of de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat die afweging heeft geresulteerd in een fair balance tussen enerzijds het belang van eiser bij uitoefening van zijn familie- en gezinsleven en anderzijds het algemene belang van de Nederlandse samenleving om de openbare orde te beschermen. Deze maatstaf betekent dat de toetsing door de rechtbank enigszins terughoudend dient te zijn. 13.2. De minister heeft in het bestreden besluit deze belangenafweging gemaakt en de belangen van eiser enerzijds en het algemeen belang van de Nederlandse staat om de openbare orde te beschermen anderzijds tegen elkaar afgewogen. Hierbij heeft de minister in het voordeel van eiser betrokken dat hij in Nederland is geboren en vanaf zijn geboorte in Nederland heeft verbleven. Ook heeft de minister in het voordeel van eiser betrokken dat hij in Nederland een netwerk en vriendenkring heeft opgebouwd. Hoewel de minister aanneemt dat eiser gezinsleven heeft met zijn twee dochters heeft de minister in het nadeel van eiser gewogen dat het contact met de kinderen summier is en bestaat uit bellen in het weekend, het ontvangen van tekeningen en enkele ontmoetingen per jaar op de Ouder-Kind dagen in de PI. Verder heeft de minister in het nadeel van eiser gewogen dat eiser niet het gezag heeft over de kinderen. Bovendien is niet gesteld of gebleken dat eiser een rol van betekenis speelt in de opvoeding of verzorging van de kinderen. Ook heeft eiser niet aangetoond dat de kinderen worden geschaad in hun ontwikkeling als hun vader terug moet keren naar Turkije en zij het contact op afstand moeten voortzetten. De minister heeft ook gemotiveerd waarom van eiser mag worden verwacht dat hij zich in Turkije staande kan houden. De minister heeft daarbij onder meer verwezen naar de nationaliteit van eiser en het gegeven dat er geen sprake is van een taalbarrière. Eiser is regelmatig op bezoek geweest naar Turkije. Eiser is een volwassen man met familie in Turkije, met wie hij het contact zou kunnen intensiveren. Wat betreft de openbare ordeaspecten heeft de minister bij de belangenafweging in het nadeel van eiser in aanmerking genomen dat hij meerdere keren is veroordeeld voor misdrijven, waaronder een zeer ernstig geweldsmisdrijf waarbij eiser blijvend letsel heeft veroorzaakt bij het slachtoffer. Aan de positieve gedragsverandering van eiser tijdens detentie heeft de minister beperkt betekenis toegekend. 13.3. De belangenafweging is naar het oordeel van de rechtbank in overeenstemming met de uitgangspunten die zijn neergelegd in de hiervoor vermelde rechtspraak van het EHRM. Naar het oordeel van de rechtbank – enigszins terughoudend toetsend - heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de intrekking van de verblijfsvergunning en de oplegging van het inreisverbod niet in strijd zijn met artikel 8 van het EVRM en dat de belangen van de Nederlandse samenleving zwaarder wegen dan de belangen van eiser. De minister heeft daarbij sterk in het nadeel van eiser kunnen laten meewegen dat hij herhaaldelijk misdrijven pleegde, waarbij de aard en ernst van deze misdrijven steeds zwaarder werd. De rechtbank is van oordeel dat de minister de veroordeling voor een zeer ernstig geweldsmisdrijf, waarbij eiser blijvend letsel heeft veroorzaakt bij het slachtoffer, zwaar in het nadeel van eiser heeft mogen laten meewegen. Hoewel eiser al lang in Nederland verblijft, heeft de minister niet ten onrechte geen doorslaggevende betekenis hieraan gehecht. 13.4. Eisers beroep op het arrest Savran slaagt niet. In deze zaak speelde de vraag of betrokkene in Turkije de nodige zorg ko