Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-04-10
ECLI:NL:RBDHA:2026:8789
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,644 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:8789 text/xml public 2026-04-14T17:00:30 2026-04-13 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-04-10 NL25.64093 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Arnhem Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:8789 text/html public 2026-04-13T09:12:48 2026-04-14 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:8789 Rechtbank Den Haag , 10-04-2026 / NL25.64093 Dublin; Spanje; verlenging overdrachtsbesluit; niet-ontvankelijk. RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummers: NL25.64093 en NL26.6575 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 april 2026 in de zaak tussen [eiser], v-nummer: [nummer], eiser (gemachtigde: mr. E. Derksen), en de minister van Asiel en Migratie. Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep (NL25.64093) van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd en het beroep (NL26.6575) tegen het besluit waarbij de overdrachtstermijn is verlengd. Procesverloop 2. Eiser heeft op 10 oktober 2025 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel ingediend. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 31 december 2025 niet in behandeling genomen omdat Spanje verantwoordelijk is voor de aanvraag. Bij besluit van 2 februari 2026 heeft de minister de periode om eiser over te dragen naar Spanje verlengd tot 18 maanden. 2.1. Eiser heeft vervolgens op 3 februari 2026 zijn opvanglocatie verlaten en is later aangekomen in Spanje. De minister heeft de overdrachtstermijn van eiser op 3 februari 2026 verlengd naar 18 maanden. Ook hiertegen heeft eiser beroep ingesteld. 2.2. De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek in beide zaken gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting. Beoordeling door de rechtbank Het beroep met zaaknummer NL25.64093 3. Voordat de rechtbank toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van de zaak dient de rechtbank na te gaan of eiser procesbelang heeft bij zijn beroep. Bij brief van 3 februari 2026 heeft de minister de rechtbank bericht dat eiser op 29 januari 2026 met onbekende bestemming (MOB) is vertrokken, en niet bekend is dat hij zich weer zou hebben gemeld bij de instanties. De gemachtigde van eiser heeft de rechtbank op 12 februari 2026 geïnformeerd dat eiser is teruggekeerd naar Spanje en dat zij nog geen antwoord heeft op de vraag of eiser zijn procedure wil voortzetten in Nederland. Vervolgens heeft de gemachtigde van eiser de rechtbank op 22 maart 2026 geïnformeerd dat eiser het beroep wil handhaven. 3.1. Het feit dat eiser in Nederland bescherming heeft gevraagd en met onbekende bestemming is vertrokken zonder aan de minister te laten weten waar hij verblijft, kan betekenen dat hij geen prijs meer stelt op de door hem gezochte bescherming. In dat geval kan een beroep niet-ontvankelijk worden verklaard wegens gebrek aan procesbelang. De rechtbank dient, aldus de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in haar uitspraak van 1 juli 2024 , voorzichtig om te gaan met die bevoegdheid. De rechtbank moet ervan uitgaan dat eiser in beginsel belang heeft bij zijn beroep als uit recente informatie van zijn gemachtigde van na de MOB-melding blijkt dat zij nog contact onderhoudt met eiser over de procedure. Dit is alleen anders als er andere concrete aanknopingspunten zijn dat een vreemdeling geen prijs meer stelt op bescherming in Nederland of dat hij anderszins geen actueel en reëel belang meer heeft. Dit kan bijvoorbeeld blijken uit een verblijf van de vreemdeling in het buitenland. Echter, niet onder alle omstandigheden betekent een verblijf buiten Nederland dat het procesbelang is komen te vervallen. Een vreemdeling kan daarvoor immers een goede reden hebben, bijvoorbeeld in de situatie dat hij geen recht meer heeft op opvangvoorzieningen in Nederland en dat hij om die reden bij familie of bekenden elders in de EU verblijft zonder dat hij in die andere lidstaat om bescherming heeft gevraagd. 3.2 De rechtbank stelt vast dat, hoewel de gemachtigde van eiser nog contact onderhoudt met eiser, hij in het buitenland verblijft. De gemachtigde van eiser heeft gesteld noch onderbouwd dat eiser een goede reden heeft voor het verblijf in het buitenland. Daar komt bij dat eiser volgens de gemachtigde is teruggekeerd naar Spanje. Dat is het land dat volgens de minister verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag van eiser. De rechtbank begrijpt dat eiser vrijwillig is vertrokken naar Spanje en heeft gelet hierop niet specifiek toegelicht wat zijn belang nog is bij deze procedure. De rechtbank neemt dan ook aan dat eiser geen prijs meer stelt op de door zijn aanvankelijk gezochte bescherming in Nederland. Eiser heeft daarom geen rechtens te beschermen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep. De rechtbank zal dit beroep daarom niet-ontvankelijk verklaren. Het beroep met het zaaknummer NL26.6575 4.De minister heeft bij besluit van 2 februari 2026 besloten dat de termijn voor overdracht naar Spanje wordt verlengd tot 18 maanden. Eiser is het niet eens met dit besluit omdat hij zich inmiddels gemeld heeft bij de Spaanse autoriteiten en hiermee aantoonbaar uitvoering heeft gegeven aan het overdrachtsbesluit. Volgens eiser ontbreekt daarom een rechtsgrond voor verlenging van de overdrachtstermijn. 4.1 Dit betoog slaagt niet. De minister heeft het besluit op goede gronden genomen nu eiser ten tijde van het nemen van het besluit onbetwist met onbekende bestemming was vertrokken. De rechtbank is van oordeel dat nu eiser zich heeft gemeld bij de Spaanse autoriteiten hij uitvoering heeft gegeven aan het overdrachtsbesluit. Daarom heeft eiser geen belang meer heeft bij een beoordeling van zijn beroep daartegen. De rechtbank zal dit beroep dan ook niet-ontvankelijk verklaren. Conclusie en gevolgen 5. De beroepen met het zaaknummers NL25.64093 en NL26.6575 zijn niet-ontvankelijk. Eiser krijgt in deze zaken geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep met het zaaknummer NL25.64093 niet-ontvankelijk; - verklaart het beroep met het zaaknummer NL26.6575 niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door mr. Y. Yeniay - Cenik, rechter, in aanwezigheid van S. Voolstra, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. ABRvS 1 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2662.
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:8789 text/xml public 2026-04-14T17:00:30 2026-04-13 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-04-10 NL25.64093 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Arnhem Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:8789 text/html public 2026-04-13T09:12:48 2026-04-14 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:8789 Rechtbank Den Haag , 10-04-2026 / NL25.64093 Dublin; Spanje; verlenging overdrachtsbesluit; niet-ontvankelijk. RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummers: NL25.64093 en NL26.6575 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 april 2026 in de zaak tussen [eiser], v-nummer: [nummer], eiser (gemachtigde: mr. E. Derksen), en de minister van Asiel en Migratie. Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep (NL25.64093) van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd en het beroep (NL26.6575) tegen het besluit waarbij de overdrachtstermijn is verlengd. Procesverloop 2. Eiser heeft op 10 oktober 2025 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel ingediend. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 31 december 2025 niet in behandeling genomen omdat Spanje verantwoordelijk is voor de aanvraag. Bij besluit van 2 februari 2026 heeft de minister de periode om eiser over te dragen naar Spanje verlengd tot 18 maanden. 2.1. Eiser heeft vervolgens op 3 februari 2026 zijn opvanglocatie verlaten en is later aangekomen in Spanje. De minister heeft de overdrachtstermijn van eiser op 3 februari 2026 verlengd naar 18 maanden. Ook hiertegen heeft eiser beroep ingesteld. 2.2. De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek in beide zaken gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting. Beoordeling door de rechtbank Het beroep met zaaknummer NL25.64093 3. Voordat de rechtbank toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van de zaak dient de rechtbank na te gaan of eiser procesbelang heeft bij zijn beroep. Bij brief van 3 februari 2026 heeft de minister de rechtbank bericht dat eiser op 29 januari 2026 met onbekende bestemming (MOB) is vertrokken, en niet bekend is dat hij zich weer zou hebben gemeld bij de instanties. De gemachtigde van eiser heeft de rechtbank op 12 februari 2026 geïnformeerd dat eiser is teruggekeerd naar Spanje en dat zij nog geen antwoord heeft op de vraag of eiser zijn procedure wil voortzetten in Nederland. Vervolgens heeft de gemachtigde van eiser de rechtbank op 22 maart 2026 geïnformeerd dat eiser het beroep wil handhaven. 3.1. Het feit dat eiser in Nederland bescherming heeft gevraagd en met onbekende bestemming is vertrokken zonder aan de minister te laten weten waar hij verblijft, kan betekenen dat hij geen prijs meer stelt op de door hem gezochte bescherming. In dat geval kan een beroep niet-ontvankelijk worden verklaard wegens gebrek aan procesbelang. De rechtbank dient, aldus de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in haar uitspraak van 1 juli 2024 , voorzichtig om te gaan met die bevoegdheid. De rechtbank moet ervan uitgaan dat eiser in beginsel belang heeft bij zijn beroep als uit recente informatie van zijn gemachtigde van na de MOB-melding blijkt dat zij nog contact onderhoudt met eiser over de procedure. Dit is alleen anders als er andere concrete aanknopingspunten zijn dat een vreemdeling geen prijs meer stelt op bescherming in Nederland of dat hij anderszins geen actueel en reëel belang meer heeft. Dit kan bijvoorbeeld blijken uit een verblijf van de vreemdeling in het buitenland. Echter, niet onder alle omstandigheden betekent een verblijf buiten Nederland dat het procesbelang is komen te vervallen. Een vreemdeling kan daarvoor immers een goede reden hebben, bijvoorbeeld in de situatie dat hij geen recht meer heeft op opvangvoorzieningen in Nederland en dat hij om die reden bij familie of bekenden elders in de EU verblijft zonder dat hij in die andere lidstaat om bescherming heeft gevraagd. 3.2 De rechtbank stelt vast dat, hoewel de gemachtigde van eiser nog contact onderhoudt met eiser, hij in het buitenland verblijft. De gemachtigde van eiser heeft gesteld noch onderbouwd dat eiser een goede reden heeft voor het verblijf in het buitenland. Daar komt bij dat eiser volgens de gemachtigde is teruggekeerd naar Spanje. Dat is het land dat volgens de minister verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag van eiser. De rechtbank begrijpt dat eiser vrijwillig is vertrokken naar Spanje en heeft gelet hierop niet specifiek toegelicht wat zijn belang nog is bij deze procedure. De rechtbank neemt dan ook aan dat eiser geen prijs meer stelt op de door zijn aanvankelijk gezochte bescherming in Nederland. Eiser heeft daarom geen rechtens te beschermen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep. De rechtbank zal dit beroep daarom niet-ontvankelijk verklaren. Het beroep met het zaaknummer NL26.6575 4.De minister heeft bij besluit van 2 februari 2026 besloten dat de termijn voor overdracht naar Spanje wordt verlengd tot 18 maanden. Eiser is het niet eens met dit besluit omdat hij zich inmiddels gemeld heeft bij de Spaanse autoriteiten en hiermee aantoonbaar uitvoering heeft gegeven aan het overdrachtsbesluit. Volgens eiser ontbreekt daarom een rechtsgrond voor verlenging van de overdrachtstermijn. 4.1 Dit betoog slaagt niet. De minister heeft het besluit op goede gronden genomen nu eiser ten tijde van het nemen van het besluit onbetwist met onbekende bestemming was vertrokken. De rechtbank is van oordeel dat nu eiser zich heeft gemeld bij de Spaanse autoriteiten hij uitvoering heeft gegeven aan het overdrachtsbesluit. Daarom heeft eiser geen belang meer heeft bij een beoordeling van zijn beroep daartegen. De rechtbank zal dit beroep dan ook niet-ontvankelijk verklaren. Conclusie en gevolgen 5. De beroepen met het zaaknummers NL25.64093 en NL26.6575 zijn niet-ontvankelijk. Eiser krijgt in deze zaken geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep met het zaaknummer NL25.64093 niet-ontvankelijk; - verklaart het beroep met het zaaknummer NL26.6575 niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door mr. Y. Yeniay - Cenik, rechter, in aanwezigheid van S. Voolstra, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. ABRvS 1 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2662.