Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-04-03
ECLI:NL:RBDHA:2026:8559
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,036 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBDHA:2026:8559 text/xml public 2026-04-10T09:51:48 2026-04-10 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-04-03 NL26.16031 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Utrecht Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:8559 text/html public 2026-04-10T09:51:30 2026-04-10 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:8559 Rechtbank Den Haag , 03-04-2026 / NL26.16031 Bewaring - beroep ongegrond - rechtsbijstand - bewaringsgronden – lichter middel - voortvarendheid. RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL26.16031 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. J.P.W. Temminck Tuinstra), en de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. I.A.G. Lodders). Procesverloop Bij besluit van 22 maart 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. De rechtbank heeft het beroep op 30 maart 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen de heer Thouna. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen 1. Eiser stelt van Marokkaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 2003. Advocaat bij gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling 2. Eiser voert aan dat ten onrechte is begonnen aan het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling zonder de komst van een advocaat af te wachten. Eiser heeft aangegeven dat hij gebruik wil maken van een advocaat. Op 22 maart 2026 om 9.23 uur is de piketmelding binnengekomen bij gemachtigde en om 9.28 uur heeft gemachtigde telefonisch contact opgenomen met de vreemdelingendienst. Er is tijdens dat gesprek afgesproken dat gemachtigde nog teruggebeld zou worden. Desondanks is binnen een termijn van twee uur met het gehoor begonnen zonder aanwezigheid van gemachtigde, terwijl eiser uitdrukkelijk heeft gezegd dat hij eerst met zijn advocaat wilde spreken. Echter is eiser onder druk gezet waardoor hij heeft ingestemd om alvast met het gehoor te beginnen. Eiser is dan ook van mening dat zijn verdedigingsrechten zijn geschonden waardoor de belangenafweging in zijn voordeel dient uit te vallen. 3. De rechtbank leidt uit het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal van gehoor van 22 maart 2026 (M110) het volgende af. Voorafgaande aan het gehoor heeft eiser te kennen gegeven wel een advocaat bij het gehoor te willen, waarna de piketdienst is ingelicht. Vervolgens is de gemachtigde van eiser gebeld, maar de verbinding was te slecht om een gesprek te kunnen voeren. Een uur later – kort na de aanvang van het gehoor om 11:00 uur – is een tweede poging ondernomen, maar toen werd niet opgenomen. Desgevraagd heeft eiser vervolgens verklaard dat hij het goed vond dat er al vast wat vragen werden gesteld, en dat hij eerder heeft aangegeven dat hij geen advocaat bij het gehoor hoefde te hebben. Na enige tijd is opnieuw gebeld naar de gemachtigde van eiser en hebben eiser en zijn gemachtigde tot 11:30 uur met elkaar gesproken. De gemachtigde van eiser heeft daarna de rest van het gehoor telefonisch bijgewoond. Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat het recht op rechtsbijstand van eiser niet is geschonden. Blijkens het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal heeft eiser ermee ingestemd om te worden gehoord zonder aanwezigheid van zijn gemachtigde nadat tot tweemaal toe was gebleken dat geen contact met haar kon worden gekregen en heeft zij na een half uur de rest van het gehoor telefonisch bijgewoond. Deze beroepsgrond slaagt niet. Bewaringsgronden 4. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, tweede, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser: 3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan; 3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken; 3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit; 3k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoeken en als lichte gronden vermeld dat eiser: 4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft; 4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan. 5. Eiser betwist de zware grond onder 3b en de lichte gronden onder 4c en 4d. De rechtbank is van oordeel dat de niet betwiste zware gronden onder 3a, 3d en 3k feitelijk juist en voldoende gemotiveerd zijn. Deze gronden kunnen de maatregel van bewaring dragen, omdat hieruit voldoende een significant risico op onttrekking aan het toezicht blijkt. De rechtbank laat de door eiser betwiste gronden om die reden verder onbesproken. Deze beroepsgrond slaagt niet. Lichter middel 6. Eiser stelt dat de minister had moeten volstaan met het opleggen van een lichter middel dan de maatregel van bewaring. Eiser heeft eerder aangegeven dat hij zich in [plaats 1] heeft aangemeld en dat hij toen is overgeplaatst naar het COA in [plaats 2] . Het zou kunnen dat bij oplegging van de maatregel, de registratie van eisers aanmelding en overplaatsing nog niet bekend was bij de minister. De minister heeft voornoemde omstandigheid onvoldoende betrokken bij de oplegging van de maatregel en had op zijn minst onderzoek moeten doen naar eisers verklaring over zijn aanmelding en overplaatsing. Daarbij heeft eiser eerder verklaard dat hij wil meewerken als hij snel kan worden overgedragen. 7. Bij de beantwoording van de vraag of de minister met toepassing van een lichter middel had moeten volstaan, beoordeelt de rechtbank of minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen andere afdoende maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Daarbij past een grondig onderzoek naar de feitelijke elementen van het concrete geval en een specifieke motivering van de minister; verwijzing naar de bewaringsgronden volstaat daarvoor niet. De rechtbank wijst op de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 23 februari 2015 en 10 april 2015 en het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 5 juni 2014 . 8. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich, gelet op wat hierboven is geoordeeld over de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, terecht op het standpunt heeft gesteld dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregel dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Uit de niet betwiste gronden van de maatregel en de motivering daarvan blijkt al dat een significant risico op onttrekking aan het toezicht bestaat. Eiser stelt weliswaar dat hij in de COA-opvang in [plaats 2] verbleef maar vóór de aanvang van het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling en tijdens de zitting heeft de minister zijn systemen geraadpleegd, maar daarin stond niet vermeld dat eiser in de COA-opvang in [plaats 2] verbleef. Eiser heeft zijn stelling ook niet nader onderbouwd, waarbij de rechtbank opmerkt dat eiser is aangehouden in [plaats 3] . De minister heeft daarom voldoende gemotiveerd dat niet kan worden volstaan met een lichter middel. De beroepsgrond slaagt niet. Voortvarend handelen 9. Eiser voert aan dat de minister stelt dat een vertrekgesprek op 25 maart 2026 zou hebben plaatsgevonden, echter ontbreekt een verslag hiervan in het dossier. Zodoende valt niet te controleren of de minister voldoende voortvarend werkt aan de overdracht van eiser. 10.