Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2026-01-19
ECLI:NL:RBDHA:2026:852
RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 25/1427 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 januari 2026 in de zaak tussen [eiser] , uit [woonplaats] , eiser (gemachtigde: mr. P.I.M. Houniet), en de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, verweerder (gemachtigden: mrs. M. Knoop en M. Willems). Inleiding 1. Eiser heeft op 31 maart 2024 een aanvraag ingediend bij verweerder voor een subsidie voor instandhouding van zijn woning als rijksmonument. 1.1 Bij besluit van 28 juli 2024 heeft verweerder de aanvraag toegewezen en het subsidiebedrag vastgesteld op € 0,60. 1.2 Met het bestreden besluit van 20 december 2024 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de toewijzing en vaststelling van dit subsidiebedrag gebleven. 1.3 Eiser heeft bij de rechtbank beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 1.4 Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 1.5 De rechtbank heeft het beroep op 14 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigden van verweerder. Beoordeling door de rechtbank Waar gaat deze zaak over? 2. Eiser is eigenaar van zijn woonhuis, gelegen op het adres [adres] . De woning van eiser heeft de status van rijksmonument. Om die reden vraagt eiser jaarlijks een subsidie aan voor de instandhouding van dit woonhuis-rijksmonument bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, als onderdeel van verweerder. Wat vinden eiser en verweerder over dit beroep? 3. Eiser is het niet eens met de besluitvorming van verweerder en heeft daarvoor samengevat, de volgende drie beroepsgronden aangevoerd: (1) De kosten zijn wel degelijk gemaakt voor het behouden van de monumentale waarde van het pand en daarom subsidiabel; (2) Ook als geen sprake is van subsidiabele kosten, dan is door eerdere toekenningen van deze subsidie het vertrouwen gewekt dat de subsidie weer volledig zou worden toegekend (het vertrouwensbeginsel); (3) Tot slot wijst eiser erop dat er medebewoners zijn die voor hetzelfde jaar wel subsidie hebben ontvangen. Eiser vindt dat gelijke gevallen gelijk moeten worden behandeld (het gelijkheidsbeginsel). 4. Verweerder heeft in het verweerschrift en op de zitting gemotiveerd gereageerd op de beroepsgronden van eiser en geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep. Wat is het oordeel van de rechtbank? 5. De rechtbank geeft eiser geen gelijk en overweegt daartoe als volgt. Is er sprake van subsidiabele kosten als bedoeld in de Woonhuisregeling en de Leidraad? 6. Deze aanvraag is beoordeeld aan de hand van de zogenoemde Woonhuisregeling , die zijn grondslag vindt in de Erfgoedwet en de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS (hierna: de Kaderregeling). Uit artikel 1.3 van de Kaderregeling volgt dat verweerder mag bepalen voor welke activiteiten en onder welke voorwaarden subsidie wordt verstrekt. Verweerder heeft hierbij een grote mate van beslissingsruimte. 6.1 Aan het verstrekken van een subsidie als deze ligt bij uitstek een politiek-bestuurlijke afweging ten grondslag. Verweerder heeft aan deze beslissingsruimte invulling gegeven door in de Woonhuisregeling de keuze te maken om voor wat betreft de subsidiabele kosten aan te sluiten bij de Leidraad . Partijen zijn het erover eens dat de Leidraad geen kennelijk onredelijk beleid betreft en dat verweerder de aanvraag van eiser aan de hand van de in de Leidraad opgenomen criteria heeft mogen beoordelen. 6.2 De rechtbank is van oordeel dat verweerder in het bestreden besluit op goede gronden heeft geconcludeerd dat de gemaakte kosten voor het schilderwerk en het plaatsen van pompen en hekwerk niet voor vergoeding in aanmerking komen op grond van de Leidraad. Zo heeft verweerder inzichtelijk gemotiveerd dat de kosten voor deze werkzaamheden niet direct bijdragen aan de instandhouding van de monumentale waarde van het pand, nu deze werkzaamheden bijvoorbeeld niet zien op het behoud van de historische materialen en constructies van het pand. De rechtbank acht de motivering van verweerder hier