Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2026-01-20
ECLI:NL:RBDHA:2026:844
Rechtbank DEN HAAG Team belastingrecht zaaknummer: SGR 25/1049 uitspraak van de meervoudige kamer van 20 januari 2026 in de zaak tussen [eiseres] , gevestigd te [vestigingsplaats] , eiseres (gemachtigde: mr. P.F. van der Muur), en de heffingsambtenaar van de gemeente Rijswijk, verweerder. Procesverloop In april 2022 heeft eiseres een aanvraag ingediend voor het verkrijgen van een omgevingsvergunning. In juli 2022 is deze vergunning verleend. Verweerder heeft met dagtekening 10 augustus 2022 aan eiseres een aanslag leges omgevingsvergunning opgelegd ten bedrage van € 381.095,53 (de aanslag). Eiseres heeft met dagtekening 12 september 2022 bezwaar gemaakt tegen de aanslag. Verweerder heeft, nadat bezwaar werd gemaakt en voorafgaand aan de uitspraak op bezwaar, de aanslag verminderd. Verweerder heeft bij in één geschrift vervatte uitspraak op bezwaar van 31 december 2024 de bezwaren van zowel eiseres als [bedrijf] ongegrond verklaard. Bij de uitspraak op bezwaar heeft verweerder geen kostenvergoeding voor de bezwaarfase toegekend. Eiseres heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 december 2025. Bij het onderzoek ter zitting zijn de beroepen met de zaaknummers SGR 25/1049 en SGR 25/1050 gelijktijdig behandeld. Namens eiseres zijn [naam 1] . mr. P.F. van der Muur RT en [naam 2] verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 3] , [naam 4] en [naam 5] . Overwegingen Feiten 1. De gemeente Rijswijk (de gemeente) heeft in de begroting voor de jaren 2022-2025 (de begroting) de kosten van de leges in 2022 geraamd op € 3.426.318 en de opbrengsten op € 3.391.973. Bij de geraamde kosten is een post opgenomen genaamd “Storting egalisatievoorziening Leges” ten bedrage van € 500.000. Voor zover hier van belang, luidt de raming als volgt: 2. Voor zover hier van belang, staat in de begroting de volgende toelichting over de raming (onderstreping door de rechtbank) : “De eerste doorrekening van de kostendekkendheid leidde tot een kostendekkendheidspercentage van meer dan 100%. Aangezien dit niet is toegestaan, wordt voorgesteld om in ieder geval de beoogde tariefsverhoging met het inflatiepercentage van 1,5% niet door te voeren. Daarnaast wees een analyse uit dat de overschrijding van de opbrengstlimiet geheel wordt veroorzaakt doordat per 2022 aanzienlijke baten worden verwacht uit een aantal grote incidentele bouwprojecten. De lasten voor de gemeente met betrekking tot deze projecten zullen over meerdere jaren doorlopen zo lang een project niet is opgeleverd, terwijl de baten geheel in het jaar van de vergunningaanvraag van het project zullen worden verantwoord. Om de lasten over meerdere jaren te kunnen dekken, wordt voorgesteld om een voorziening ex artikel 44, lid 2 BBV voor deze bouwbaten in te stellen .” 3. In de uitspraak op bezwaar is de “Storting egalisatievoorziening Leges” onder andere als volgt toegelicht (onderstreping door de rechtbank): “Ten aanzien van de door de gemeente Rijswijk in de tariefsbepaling van de leges opgenomen reserve/voorziening geldt dat de gemeente Rijswijk te maken heeft met grote onzekerheden bij op stapel staande aanvragen. Dit gaat in een aantal gevallen om zeer omvangrijke aanvragen qua bouwsom. (…) De onzekerheden werden versterkt door de ontwikkelingen bij de zeer onzekere en meermalen op het laatste moment uitgestelde inwerkingtreding van de nieuwe Omgevingswet. Onzekerheden over het wel of niet worden ingediend van aanvragen, die soms al jaren in de spreekwoordelijke pijplijn zitten, en onzekerheden over de benodigde capaciteit bij de dienstverlening (mede of vooral door de Omgevingswet) hebben tot het instellen van de reserve/voorziening geleid. (…) Ten einde de tarieven niet sterk te laten fluctueren van jaar tot jaar, wat ook weer tot onzekerheden leidt bij legesplichtigen die met het wachten met het indienen net te lang wachten of net te vroeg zijn en dan met sterk in be Aangezien het bezwaar van eiseres ongegrond is verklaard, is terecht geen kostenvergoeding toegekend. Beoordeling van het geschil Per belastingplichtige één uitspraak op bezwaar 8. De rechtbank stelt voorop dat het niet mogelijk is om op bezwaarschriften, die door verschillende belastingplichtigen zijn ingediend, bij in één geschrift vervatte uitspraak op bezwaar te beslissen. Dit volgt uit artikel 231, eerste lid van de Gemeentewet in samenhang met artikel 24a, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) en artikel 25, vierde lid, van de Awr. Gelet op hetgeen is verklaard ter zitting, is eiseres niet in haar belangen geschaad door dit formele gebrek. Op uitdrukkelijk verzoek van eiseres zal de rechtbank dit gebrek dan ook passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Opbrengstlimiet 9. Op grond van artikel 229, eerste lid, aanhef en onder b, van de Gemeentewet kunnen rechten (leges) worden geheven ter zake van het genot van door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten. Op basis van dit artikel heeft de raad van de gemeente Rijswijk de Verordening vastgesteld. Op grond van artikel 229b, eerste lid, van de Gemeentewet dienen in verordeningen op grond waarvan leges worden geheven de tarieven zodanig te worden vastgesteld dat de geraamde baten van de leges niet uitgaan boven de geraamde lasten ter zake (de opbrengstlimiet). 10. De Hoge Raad heeft een aantal vuistregels geformuleerd inzake de stelplicht en bewijslast bij een geschil over de opbrengstlimiet. Indien een belastingplichtige overschrijding van de opbrengstlimiet aan de orde stelt, ligt het op de weg van de heffingsambtenaar inzicht te geven in de betreffende raming. Hierbij hoeft niet ten aanzien van alle in de begroting opgenomen posten zekerheid of een volledig inzicht te bestaan. Nadat de heffingsambtenaar inzicht heeft verschaft, dient de belastingplichtige voldoende gemotiveerd te stellen waarom naar zijn oordeel ten aanzien van een of meer bepaalde posten in de raming redelijke twijfel bestaat of sprake is van een bate of last ter zake. Als de belastingplichtige dit voldoende gemotiveerd heeft gedaan, dient de heffingsambtenaar nadere inlichtingen te verschaffen. Aan die inlichtingen mag geen zwaardere eis worden gesteld dan dat deze functionaris naar vermogen – dat wil zeggen in de mate waarin hij daartoe in de gegeven omstandigheden in redelijkheid in staat is – duidelijk maakt op grond waarvan hij de stellingen van de belastingplichtige betwist, en waarom dus naar zijn oordeel de door de belastingplichtige opgeworpen twijfel ongegrond is. 11. Verweerder heeft met de begroting (zie onder 1) inzicht verschaft in de raming conform de eerste vuistregel. Naar het oordeel van de rechtbank is ook aan de tweede vuistregel voldaan: eiseres heeft voldoende gemotiveerd gesteld dat ten aanzien van de post “Storting egalisatievoorziening Leges” van € 500.000 redelijke twijfel bestaat of sprake is van een last ter zake. In reactie op de toelichting in de begroting (zie onder 2) betwist eiseres dat de aan leges toerekenbare kosten van grote bouwprojecten over meerdere jaren zullen doorlopen, aangezien de dienstverleningskosten voor in 2022 ingediende vergunningsaanvragen geheel of grotendeels in 2022 worden gemaakt. Eiseres noemt als voorbeeld dat zij in april 2022 een aanvraag om een omgevingsvergunning heeft ingediend en dat deze omgevingsvergunning in juli 2022 is verleend, waarbij de dienstverlening (en dus de gemaakte kosten) geheel of grotendeels in deze periode heeft plaatsgevonden. Verder stelt eiseres dat uit geen van de stukken blijkt welke toekomstige kosten verweerder beoogt te dekken met de € 500.000. Eiseres merkt hierbij op dat in de begroting bij het onderdeel “Verloop van de voorzieningen” de “Egalisatievoorziening bouwleges” vanaf eind 2022 tot en met eind 2025 telkens € 500.000 begroot is. Volgens eiseres volgt hieruit dat verweerder ten tijde van de dotatie (nog) geen bestemming had voor de Daarbij is onduidelijkheid blijven bestaan over de vraag wat de precieze aard van de € 500.000 is (een voorziening, een reserve of kosten geraamd voor 2022; verweerder gebruikt de termen voorziening en reserve door elkaar) en of sprake is van een sluitpost. Ook ten aanzien van de omvang is geen inzicht verschaft anders dan de verklaring dat de gemeente Rijswijk een bouwput is, er sprake is van veel nieuwbouw en verbouw en het moeilijk te voorspellen is hoeveel projecten doorgaan. Schattenderwijs heeft verweerder ter zitting aangegeven dat de voorziening/reserve bedoeld is voor projecten waarvan voor minder dan 50% zeker is dat ze doorgaan. De stelling van verweerder dat sprake is van grote onzekerheid ten aanzien van de aantallen bouwaanvragen en de bijbehorende bouwsommen is naar het oordeel van de rechtbank op zichzelf onvoldoende verantwoording voor het toepassen van een “onzekerheidsmarge” van € 500.000. Door de tegenstrijdige onderbouwingen en het gebrek aan inzicht is voor de rechtbank niet vast te stellen of de post van € 500.000 een last ter zake is. Voor de volledigheid overweegt de rechtbank dat het opnemen van een voorziening of reserve als sluitpost in een raming, zonder dat hierbij sprake is van een aansluiting met voorgenomen legeskosten, niet als een last ter zake in aanmerking kan worden genomen. 14. Gelet op voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de raad van de gemeente de kosten van de leges in 2022 niet in redelijkheid heeft kunnen ramen op een bedrag van € 3.426.318. Het bedrag van € 500.000 dient uit de raming te worden geëlimineerd. Dit heeft tot gevolg dat de geraamde baten (€ 3.391.973) de geraamde lasten (€ 2.926.318) met 15,91% te boven gaan. Dit betekent dat de opbrengstlimiet zoals bedoeld in artikel 229b, eerste lid, van de Gemeentewet is overschreden. 15. In het arrest van de Hoge Raad van 10 april 2009 is bepaald dat een gemeentelijke verordening algeheel onverbindend is indien (a) het de gemeente op voorhand duidelijk moet zijn geweest dat de desbetreffende post(en) (in zoverre) niet diende(n) ter dekking van de kosten waarvoor het recht of de rechten op grond van artikel 229, eerste lid, letters a en b, van de Gemeentewet en de desbetreffende verordening mochten worden geheven, en (b) na de eliminatie van de desbetreffende bedragen uit de lastenraming, de geraamde baten in betekenende mate (10% of meer) uitgaan boven het gecorrigeerde bedrag van de geraamde lasten. Naar het oordeel van de rechtbank is in dit geval aan beide voorwaarden voldaan. Nu dermate weinig inzicht is verschaft in de begroting van de post “Storting egalisatievoorziening Leges” en de onderbouwing daarvan bij de begroting anders luidde dan nadien naar voren is gebracht, kan het niet anders dan dat het de gemeente op voorhand duidelijk moet zijn geweest dat deze post niet diende ter dekking van kosten. Dit betekent dat de Verordening ten aanzien van eiseres geheel onverbindend is en dat de aanslag niet in stand kan blijven. Slotsom 16. Gelet op wat hiervoor is overwogen, dient het beroep gegrond te worden verklaard en dienen de aanslag en de uitspraak op bezwaar te worden vernietigd. Het geschilpunt over de kostenvergoeding voor de bezwaarfase behoeft daarom geen behandeling meer. Proceskosten 17. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. De kosten stelt de rechtbank vast op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Nu de bezwaren en beroepen van eiseres en [bedrijf] (SGR 25/1050) zowel door verweerder als de rechtbank gelijktijdig zijn behandeld, aan beide belastingplichtigen rechtsbijstand is verleend door dezelfde personen en de werkzaamheden van deze rechtsbijstandverleners zowel in bezwaar als beroep nagenoeg identiek konden zijn, is in beide fases sprake van samenhangende zaken in de zin van artikel 3 van het Bpb. 18. De rechtbank stelt op grond van het Bpb de kosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 3.200 (1 punt voor het indiene