Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-04-09
ECLI:NL:RBDHA:2026:8415
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,000 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBDHA:2026:8415 text/xml public 2026-04-09T14:14:19 2026-04-09 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-04-09 NL26.7970 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Groningen Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:8415 text/html public 2026-04-09T14:13:54 2026-04-09 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:8415 Rechtbank Den Haag , 09-04-2026 / NL26.7970 Dublin, Duitsland, interstatelijk vertrouwensbeginsel, artikel 17 Dublinverordening, suïcidegedachten, indirect refoulement, beroep ongegrond. RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummer: NL26.7970 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam] , eiser, geboren op [geboortedatum] , van onbekende nationaliteit, V-nummer: [nummer] , (gemachtigde: mr. Y. Izgi), en de minister van Asiel en Migratie, de minister, (gemachtigde: mr. B.H. Wezeman). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 11 februari 2026 niet in behandeling genomen, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag. 1.1. De rechtbank heeft het beroep op 7 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en zijn gemachtigde, een tolk en de gemachtigde van de minister. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten. Beoordeling door de rechtbank 2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden. 3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en het besluit tot het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Totstandkoming van het besluit 4. De EU heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. In dit geval heeft Nederland op 4 november 2025 bij Duitsland een verzoek om terugname gedaan. Duitsland heeft dit verzoek op 6 november 2025 aanvaard op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder d, van de Dublinverordening. Interstatelijk vertrouwensbeginsel 5. Eiser voert aan dat ten aanzien van Duitsland niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Uit het meest recente AIDA-rapport blijkt dat er in Duitsland sprake is van ernstige structurele tekortkomingen in de asielprocedure en opvangvoorzieningen. Zo is de rechtsbijstand in asielzaken niet gegarandeerd en niet kosteloos. Tevens laat de opvang en de bescherming die asielzoekers krijgen te wensen over. Zo heeft eiser in de Duitse opvang traumatische ervaringen moeten ondergaan, waarbij hij van de instanties geen enkele hulp heeft ontvangen. Ook is eiser in Duitsland ernstig mishandeld, waarna hij zelfs na het doen van aangifte bij de politie aan zijn lot is overgelaten. Zonder enige rechtsbijstand en zonder enig nader onderzoek is de zaak zonder nadere vervolging afgedaan door het Openbaar Ministerie. Het is dan ook niet realistisch om van eiser te verwachten dat hij bij problemen, van welke aard dan ook, zal kunnen klagen bij de Duitse autoriteiten wanneer hij wordt verstoken van iedere vorm van rechtsbijstand. Duitsland heeft de asielaanvraag van eiser niet-ontvankelijk verklaard. De kans is dus groot dat hij bij overdracht aan Duitsland zal worden gedetineerd en verstoken zal worden van iedere vorm van opvang en medische voorzieningen. Ook bestaat het risico dat hij zal worden uitgezet naar Griekenland, omdat uitzetting naar het land van herkomst niet zal gaan plaatsvinden volgens de Duitse beschikking. Bij een overdracht aan Griekenland zal eiser een risico lopen op een behandeling strijdig met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest . Niet voor niets draagt Nederland al jaren geen vreemdelingen over naar Griekenland wegens de door de Afdeling vastgestelde structurele en systematische tekortkomingen in de asielprocedures aldaar. Dit verbod op overdracht geldt ook voor eventuele statushouders. 5.1. De rechtbank oordeelt dat de Duitse autoriteiten met het claimakkoord in beginsel verantwoordelijk zijn voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming van eiser. Dit betekent dat de minister in beginsel mag uitgaan van het vermoeden dat Duitsland zijn internationale verplichtingen tegenover eiser zal nakomen. Dit is alleen anders als moet worden gevreesd dat de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Duitsland systeemfouten bevatten die resulteren in onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest, waarbij een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid geldt. In de uitspraken van 4 september 2024 heeft de Afdeling geoordeeld dat het in de eerste plaats aan de vreemdeling is om het vermoeden te weerleggen dat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Daarvoor kan een vreemdeling objectieve informatie over de werking van het asiel- en opvangsysteem in Duitsland overleggen of verklaringen afleggen over zijn eigen ervaringen aangaande het asiel- en opvangsysteem in Duitsland. 5.2. De rechtbank stelt voorop dat volgens rechtspraak van de Afdeling ten aanzien van Duitsland nog altijd kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Het door eiser aangehaalde AIDA-rapport (update 2024) van juni 2025 bevat geen wezenlijk andere informatie dan die uit de eerdere AIDA-rapporten, zodat het AIDA-rapport van juni 2025 geen aanleiding geeft voor een ander oordeel. Dat eiser niet weet wat hem te wachten staat in Duitsland, omdat zijn asielaanvraag daar niet-ontvankelijk is verklaard, maakt dat oordeel niet anders. Het is in het algemeen zo dat een asielzoeker na een afwijzing van de asielaanvraag het desbetreffende land moet verlaten. Dat is in Nederland niet anders. Als eiser meent dat hij toch recht heeft op een asielvergunning, dan kan hij in Duitsland opnieuw een asielaanvraag indienen. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit onmogelijk is. Mocht eiser hiermee toch problemen ervaren, dan ligt het op zijn weg om daarover de Duitse autoriteiten te benaderen. Hetzelfde geldt voor eventuele problemen met rechtsbijstand en opvang. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat die mogelijkheid er voor hem niet is of dat de Duitse autoriteiten hem niet kunnen of willen helpen, of dat vragen om hulp bij voorbaat zinloos is. De enkele stelling dat eiser in Duitsland geen hulp heeft gehad acht de rechtbank daartoe onvoldoende. Dat eiser tijdens zijn verblijf in Duitsland slechte ervaringen heeft gehad, maakt niet zonder meer dat hij als Dublinclaimant risico zal lopen op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest. Artikel 17 van de Dublinverordening 6. Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening moet worden bekeken of er bijzondere, individuele omstandigheden zijn aangevoerd die aanleiding geven om de asielaanvraag van eiser toch in Nederland te behandelen. 6.1. Voor zover eiser meent dat zijn psychische problemen een reden zijn om de asielaanvraag toch in Nederland te behandelen, oordeelt de rechtbank als volgt. Uit het arrest C.K. volgt dat overdracht van een asielzoeker achterwege dient te blijven indien dit een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van diens gezondheidstoestand zou inhouden. De vreemdeling moet in dat verband objectieve gegevens overleggen die de bijzondere ernst van zijn gezondheidstoestand en ook de aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen daarvoor van een overdracht aantonen.