Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-01-21
ECLI:NL:RBDHA:2026:8365
Bestuursrecht; Belastingrecht
Mondelinge uitspraak
8,020 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:8365 text/xml public 2026-04-17T11:07:50 2026-04-09 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-01-21 AWB - 25 _ 3698 Uitspraak Mondelinge uitspraak Proces-verbaal NL Den Haag Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:8365 text/html public 2026-04-17T11:07:17 2026-04-17 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:8365 Rechtbank Den Haag , 21-01-2026 / AWB - 25 _ 3698 Inkomstenbelasting voor het jaar 2020. Eigenwoningforfait van 2,35 procent. De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van strijd met het gelijkheidsbeginsel van artikel 14 EVRM en het eigendomsrecht van artikel 1 EP EVRM. Beroep ongegrond. Rechtbank DEN HAAG Team belastingrecht zaaknummer: SGR 25/3698 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 januari 2026 in de zaak tussen [eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser (gemachtigde: mr. R.J.C. Segers AA RB), en de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder. De bestreden uitspraak op bezwaar De uitspraak van verweerder van 14 april 2025 op het bezwaar van eiser tegen de voor het jaar 2020 opgelegde aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) en de daarbij in rekening gebrachte belastingrente. Zitting Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 januari 2026. Namens eiser is verschenen, R.J.C. Segers, [naam 1] en [naam 2] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 3] , [naam 4] en [naam 5] . Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Overwegingen Feiten 1. Eiser beschikt in het jaar 2020 samen met zijn fiscaal partner over een eigen woning aan de [adres] (de eigen woning). De ingevolge de Wet waardering onroerende zaken vastgestelde waarde voor deze woning bedraagt voor het jaar 2020, met waardepeildatum 1 januari 2019, € 3.449.000. 2. Op 7 november 2023 heeft eiser zijn aangifte IB/PVV voor het jaar 2020 ingediend. Het daarin aangegeven verzamelinkomen bedraagt € 246.367, bestaande uit looninkomsten van € 252.409 en een negatief saldo inkomsten uit eigen woning van € 6.042. Op 22 december 2023 is de aanslag IB/PVV 2020 (de aanslag) overeenkomstig de ingediende aangifte vastgesteld. Het negatief saldo inkomsten uit eigen woning is volledig aan eiser toegerekend en als volgt opgebouwd: Eigenwoningforfait € 61.976 Aftrekbare rente (op basis van een eigenwoningschuld van € 2.934.125) € 67.955 -/- Financieringskosten € 63 -/- Saldo (belastbare inkomsten uit eigen woning) € 6.042 -/- 3. Bij de berekening van het zogenoemde eigenwoningforfait is 0,60% toegepast op de eigenwoningwaarde tot € 1.090.000 (€ 6.540) en 2,35% op de waarde daarboven, dus € 2.359.000 (€ 55.436). Geschil 4. In geschil is het negatief saldo inkomsten uit eigen woning van € 6.042. Meer specifiek is in geschil of het verhoogde percentage voor de berekening van het eigenwoningforfait op regelniveau in strijd is met artikel 1 van het Eerste Protocol (EP) bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) in verbinding met artikel 14 van het EVRM. Tussen partijen is niet in geschil dat de aanslag is vastgesteld in overeenstemming met de wettelijke bepalingen. 5. Eiser stelt dat het verhoogde percentage voor de berekening van het eigenwoningforfait op regelniveau in strijd is met artikel 1 EP. Volgens eiser heeft de wetgever de hem toekomende ruime beoordelingsvrijheid (‘wide margin of appreciation’) overschreden. De zogenoemde villabelasting kent een gebrekkige motivering, omdat de belasting is gebaseerd op de ongefundeerde aanname dat bij woningen boven een bepaald bedrag (‘dure woningen’) het beleggingsaspect een relatief grotere rol zou spelen. Uit onderzoek uitgevoerd door Calcasa blijkt juist dat het verloop van de waardeontwikkeling bij ‘dure woningen’ slechts minimaal afwijkt van die bij andere woningen. Dit betekent ook dat geen sprake is van twee categorieën eigen woningen (‘dure’ en andere eigen woningen) maar van één categorie (de eigen woning), waardoor de zwaardere vorm van belastingheffing van ‘dure woningen’ in strijd is met het gelijkheidsbeginsel. Ter zitting heeft eiser nog opgemerkt dat in sommige gevallen in het geheel geen sprake is van een belegging(srendement), zo heeft eiser de woning in 2024 verkocht met een verlies van ongeveer € 1.500.000. Eiser concludeert primair tot beperking van het eigenwoningforfait tot een bedrag van € 6.540 (0,60% van € 1.090.000); subsidiair tot beperking van het eigenwoningforfait tot het plafondbedrag uit 2008 van € 9.300 (al dan niet geïndexeerd); en meer subsidiair tot beperking van het eigenwoningforfait tot een bedrag van € 20.694 (0,60% van € 3.449.000). 6. Verweerder stelt dat het verhoogde percentage voor de berekening van het eigenwoningforfait op regelniveau niet in strijd is met artikel 1 EP en concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep. Beoordeling van het geschil 7. Het eigenwoningforfait is opgenomen in artikel 3.112 van de Wet IB 2001. Het eerste lid van genoemd artikel luidt (tekst 2020): 1. De voordelen uit eigen woning worden bij een eigenwoningwaarde van: Meer dan Maar niet meer dan Op jaarbasis gesteld op - € 12.500 nihil € 12.500 € 25.000 0,20% van deze waarde € 25.000 € 50.000 0,35% van deze waarde € 50.000 € 75.000 0,45% van deze waarde € 75.000 € 1.090.000 0,60% van deze waarde € 1.090.000 - € 6.540 vermeerderd met 2,35% van de eigenwoningwaarde voor zover deze uitgaat boven € 1.090.000. 8. De regeling van het eigenwoningforfait berust op het uitgangspunt dat de eigen woning voor de inkomstenbelasting als bron van inkomen geldt. Van oudsher strekte deze regeling ertoe het woongenot te belasten alsof de belastingplichtige zijn eigen woning verhuurt aan een derde. De Wet op de inkomstenbelasting 1964 (Wet IB 1964), het Besluit IB 1941 en de Wet op de inkomstenbelasting 1914 kenden een bepaling met dezelfde strekking. De tot het inkomen te rekenen huurwaarde werd vanaf 1963 afgeleid van de huurwaarde voor de personele belasting. Met ingang van 1971 is (met artikel 42a van de Wet IB 1964) voor een eenvoudige forfaitaire benadering gekozen. Uit de wetsgeschiedenis van het laatstgenoemde artikel volgt: “(…) De grondgedachte daarachter is een simpele methodiek, waarbij de bruto-huurwaarde het uitgangspunt is. Deze is gerelateerd aan de huurontwikkeling. Vervolgens komen de hiervoor genoemde kosten op genormeerde en geforfaiteerde wijze in mindering, terwijl voorts de bijzondere positie van de eigen woning als bron van inkomen verwerkt wordt door een aftrek. Aldus resulteert een netto forfait.”. 9. In de memorie van toelichting bij de Wijziging van enkele belastingwetten (Belastingplan 2008) staat - voor zover hier van belang - het volgende over het in artikel 3.112 van de Wet IB 2001 opgenomen eigenwoningforfait van 2,35%: “In het kader van evenwichtige maatregelen voor diverse inkomens- en vermogensgroepen is ook gekeken naar de huidige vormgeving van het eigenwoningforfait. De hoogte van het destijds nog als huurwaardeforfait aangeduide eigenwoningforfait werd vóór de invoering van de Wet inkomstenbelasting 2001 bepaald door de eigen woning te beschouwen als een mix van een belegging (wat een heffing in de inkomstenbelasting rechtvaardigt) en een besteding (wat niet leidt tot een heffing in de inkomstenbelasting). Van een directe koppeling van de hoogte van het eigenwoningforfait aan deze twee aspecten is echter onder de sinds 1 januari 2001 geldende regeling geen sprake meer. Wij wijzen in dit verband op de wijze van indexering van het eigenwoningforfait met de huurindex en de waardeontwikkeling. Wel kan worden aangenomen dat vanaf een bepaald waardeniveau het beleggingsaspect een verhoudingsgewijs grotere rol gaat spelen, hetgeen een hoger eigenwoningforfaitpercentage rechtvaardigt. Het eigenwoningforfait heeft in dat opzicht de laatste jaren de ontwikkeling op de woningmarkt, met name het topsegment, onvoldoende gevolgd.
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:8365 text/xml public 2026-04-17T11:07:50 2026-04-09 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-01-21 AWB - 25 _ 3698 Uitspraak Mondelinge uitspraak Proces-verbaal NL Den Haag Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:8365 text/html public 2026-04-17T11:07:17 2026-04-17 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:8365 Rechtbank Den Haag , 21-01-2026 / AWB - 25 _ 3698 Inkomstenbelasting voor het jaar 2020. Eigenwoningforfait van 2,35 procent. De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van strijd met het gelijkheidsbeginsel van artikel 14 EVRM en het eigendomsrecht van artikel 1 EP EVRM. Beroep ongegrond. Rechtbank DEN HAAG Team belastingrecht zaaknummer: SGR 25/3698 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 januari 2026 in de zaak tussen [eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser (gemachtigde: mr. R.J.C. Segers AA RB), en de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder. De bestreden uitspraak op bezwaar De uitspraak van verweerder van 14 april 2025 op het bezwaar van eiser tegen de voor het jaar 2020 opgelegde aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) en de daarbij in rekening gebrachte belastingrente. Zitting Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 januari 2026. Namens eiser is verschenen, R.J.C. Segers, [naam 1] en [naam 2] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 3] , [naam 4] en [naam 5] . Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Overwegingen Feiten 1. Eiser beschikt in het jaar 2020 samen met zijn fiscaal partner over een eigen woning aan de [adres] (de eigen woning). De ingevolge de Wet waardering onroerende zaken vastgestelde waarde voor deze woning bedraagt voor het jaar 2020, met waardepeildatum 1 januari 2019, € 3.449.000. 2. Op 7 november 2023 heeft eiser zijn aangifte IB/PVV voor het jaar 2020 ingediend. Het daarin aangegeven verzamelinkomen bedraagt € 246.367, bestaande uit looninkomsten van € 252.409 en een negatief saldo inkomsten uit eigen woning van € 6.042. Op 22 december 2023 is de aanslag IB/PVV 2020 (de aanslag) overeenkomstig de ingediende aangifte vastgesteld. Het negatief saldo inkomsten uit eigen woning is volledig aan eiser toegerekend en als volgt opgebouwd: Eigenwoningforfait € 61.976 Aftrekbare rente (op basis van een eigenwoningschuld van € 2.934.125) € 67.955 -/- Financieringskosten € 63 -/- Saldo (belastbare inkomsten uit eigen woning) € 6.042 -/- 3. Bij de berekening van het zogenoemde eigenwoningforfait is 0,60% toegepast op de eigenwoningwaarde tot € 1.090.000 (€ 6.540) en 2,35% op de waarde daarboven, dus € 2.359.000 (€ 55.436). Geschil 4. In geschil is het negatief saldo inkomsten uit eigen woning van € 6.042. Meer specifiek is in geschil of het verhoogde percentage voor de berekening van het eigenwoningforfait op regelniveau in strijd is met artikel 1 van het Eerste Protocol (EP) bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) in verbinding met artikel 14 van het EVRM. Tussen partijen is niet in geschil dat de aanslag is vastgesteld in overeenstemming met de wettelijke bepalingen. 5. Eiser stelt dat het verhoogde percentage voor de berekening van het eigenwoningforfait op regelniveau in strijd is met artikel 1 EP. Volgens eiser heeft de wetgever de hem toekomende ruime beoordelingsvrijheid (‘wide margin of appreciation’) overschreden. De zogenoemde villabelasting kent een gebrekkige motivering, omdat de belasting is gebaseerd op de ongefundeerde aanname dat bij woningen boven een bepaald bedrag (‘dure woningen’) het beleggingsaspect een relatief grotere rol zou spelen. Uit onderzoek uitgevoerd door Calcasa blijkt juist dat het verloop van de waardeontwikkeling bij ‘dure woningen’ slechts minimaal afwijkt van die bij andere woningen. Dit betekent ook dat geen sprake is van twee categorieën eigen woningen (‘dure’ en andere eigen woningen) maar van één categorie (de eigen woning), waardoor de zwaardere vorm van belastingheffing van ‘dure woningen’ in strijd is met het gelijkheidsbeginsel. Ter zitting heeft eiser nog opgemerkt dat in sommige gevallen in het geheel geen sprake is van een belegging(srendement), zo heeft eiser de woning in 2024 verkocht met een verlies van ongeveer € 1.500.000. Eiser concludeert primair tot beperking van het eigenwoningforfait tot een bedrag van € 6.540 (0,60% van € 1.090.000); subsidiair tot beperking van het eigenwoningforfait tot het plafondbedrag uit 2008 van € 9.300 (al dan niet geïndexeerd); en meer subsidiair tot beperking van het eigenwoningforfait tot een bedrag van € 20.694 (0,60% van € 3.449.000). 6. Verweerder stelt dat het verhoogde percentage voor de berekening van het eigenwoningforfait op regelniveau niet in strijd is met artikel 1 EP en concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep. Beoordeling van het geschil 7. Het eigenwoningforfait is opgenomen in artikel 3.112 van de Wet IB 2001. Het eerste lid van genoemd artikel luidt (tekst 2020): 1. De voordelen uit eigen woning worden bij een eigenwoningwaarde van: Meer dan Maar niet meer dan Op jaarbasis gesteld op - € 12.500 nihil € 12.500 € 25.000 0,20% van deze waarde € 25.000 € 50.000 0,35% van deze waarde € 50.000 € 75.000 0,45% van deze waarde € 75.000 € 1.090.000 0,60% van deze waarde € 1.090.000 - € 6.540 vermeerderd met 2,35% van de eigenwoningwaarde voor zover deze uitgaat boven € 1.090.000. 8. De regeling van het eigenwoningforfait berust op het uitgangspunt dat de eigen woning voor de inkomstenbelasting als bron van inkomen geldt. Van oudsher strekte deze regeling ertoe het woongenot te belasten alsof de belastingplichtige zijn eigen woning verhuurt aan een derde. De Wet op de inkomstenbelasting 1964 (Wet IB 1964), het Besluit IB 1941 en de Wet op de inkomstenbelasting 1914 kenden een bepaling met dezelfde strekking. De tot het inkomen te rekenen huurwaarde werd vanaf 1963 afgeleid van de huurwaarde voor de personele belasting. Met ingang van 1971 is (met artikel 42a van de Wet IB 1964) voor een eenvoudige forfaitaire benadering gekozen. Uit de wetsgeschiedenis van het laatstgenoemde artikel volgt: “(…) De grondgedachte daarachter is een simpele methodiek, waarbij de bruto-huurwaarde het uitgangspunt is. Deze is gerelateerd aan de huurontwikkeling. Vervolgens komen de hiervoor genoemde kosten op genormeerde en geforfaiteerde wijze in mindering, terwijl voorts de bijzondere positie van de eigen woning als bron van inkomen verwerkt wordt door een aftrek. Aldus resulteert een netto forfait.”. 9. In de memorie van toelichting bij de Wijziging van enkele belastingwetten (Belastingplan 2008) staat - voor zover hier van belang - het volgende over het in artikel 3.112 van de Wet IB 2001 opgenomen eigenwoningforfait van 2,35%: “In het kader van evenwichtige maatregelen voor diverse inkomens- en vermogensgroepen is ook gekeken naar de huidige vormgeving van het eigenwoningforfait. De hoogte van het destijds nog als huurwaardeforfait aangeduide eigenwoningforfait werd vóór de invoering van de Wet inkomstenbelasting 2001 bepaald door de eigen woning te beschouwen als een mix van een belegging (wat een heffing in de inkomstenbelasting rechtvaardigt) en een besteding (wat niet leidt tot een heffing in de inkomstenbelasting). Van een directe koppeling van de hoogte van het eigenwoningforfait aan deze twee aspecten is echter onder de sinds 1 januari 2001 geldende regeling geen sprake meer. Wij wijzen in dit verband op de wijze van indexering van het eigenwoningforfait met de huurindex en de waardeontwikkeling. Wel kan worden aangenomen dat vanaf een bepaald waardeniveau het beleggingsaspect een verhoudingsgewijs grotere rol gaat spelen, hetgeen een hoger eigenwoningforfaitpercentage rechtvaardigt. Het eigenwoningforfait heeft in dat opzicht de laatste jaren de ontwikkeling op de woningmarkt, met name het topsegment, onvoldoende gevolgd.
Volledig
(…) Daarnaast wordt in dit kader voorgesteld een hoger percentage (2,35) ter vaststelling van het eigenwoningforfait in te voeren bij een eigenwoningwaarde van € 1 miljoen of meer, maar alleen voor het deel van de eigenwoningwaarde dat uitkomt boven € 1 miljoen. De grens is bij € 1 miljoen gelegd, aangezien naar onze mening vanaf dit waardeniveau het beleggingsaspect een verhoudingsgewijs grotere rol gaat spelen. De verhoudingswijze grotere rol van het beleggingsaspect rechtvaardigt ook een hoger percentage, dat op grond van dit voorstel op 2,35 is gesteld. De hiervoor genoemde grens van € 1 miljoen wordt jaarlijks aangepast aan de inflatie via indexatie. (…). Artikel 3.112, eerste lid, van de Wet IB 2001 bepaalt de hoogte van het in aanmerking te nemen eigenwoningforfait. Momenteel wordt vanaf een waarde van € 75 000 eenzelfde percentage van 0,55% als voordeel uit eigen woning in aanmerking genomen, zij het dat er wel een absoluut maximum geldt. Er wordt geen onderscheid gemaakt naar de verschillende waarden van woningen in dit segment. Zo wordt bijvoorbeeld voor een woning met een waarde van € 80 000 eenzelfde procentueel voordeel in aanmerking genomen als voor een woning met een waarde van € 400 000 en een woning met een waarde van € 800 000. Vanaf een waarde van € 1 mln achten wij dit niet langer gewenst en daarom wordt – mede ingegeven door budgettaire overwegingen – voorgesteld per 1 januari 2009 een hoger percentage (2,35%) ter vaststelling van het eigenwoningforfait in te voeren bij een eigenwoningwaarde van € 1 mln of meer. Deze verhoging geldt echter alleen voor het deel van de waarde dat uitgaat boven € 1 mln.”. 10. De Nota naar aanleiding van het verslag bij het Belastingplan 2008 bevat de volgende nadere toelichting op het eigenwoningforfaitpercentage van 2,35: “De leden van de fractie van de VVD vragen of het kabinet het percentage van 2,35% in het voorstel tot aanpassing van het eigenwoningforfait nader kan motiveren vanuit de mix van beleggen en besteden. Hierop kan ik genoemde leden antwoorden dat in het algemeen geldt dat aan een eigen woning economisch gezien zowel een bestedingsaspect te onderkennen valt (verkrijging van woongenot) als een beleggingsaspect. Het eigenwoningforfait geeft forfaitair uitdrukking aan het totale voordeel dat iemand heeft van zijn eigen woning. In het kader van een evenwichtig pakket aan maatregelen is gekeken of hele dure woningen op basis van de huidige regeling rond het eigenwoningforfait fiscaal reëel worden behandeld. Dat is niet het geval. In 2007 geldt een bijtelling (eigenwoningforfait) van 0,55% van de WOZ-waarde. Die bijtelling heeft een maximum van € 9 150. Dat betekent dat iemand met een woning van € 2 miljoen in 2007 een bijtelling krijgt van € 9 150 maar iemand met een woning van € 5 miljoen ook. Dure woningen worden op deze manier niet op een reële manier in de heffing betrokken. De eventuele extra renteaftrek wordt wel verleend, maar de bijtelling wordt niet hoger. Het kabinet stelt daarom twee maatregelen voor: vanaf 2009 vervalt het plafond in het eigenwoningforfait. Verder geldt dan voor het deel van de waarde van een woning boven € 1 miljoen een eigenwoningforfait van 2,35% van de WOZ-waarde.”. 11 In 2005 is met de zogenoemde Wet Hillen een aftrek op het eigenwoningforfait ingevoerd wegens geen of een geringe eigen woningschuld. Deze aftrek wordt sinds 2019 stapsgewijs afgebouwd. De wetgever heeft de volgende argumenten gegeven voor de (geleidelijke) afbouw van het recht op aftrek wegens geen of geringe eigenwoningschuld: “Het recht op aftrek wegens geen of geringe eigenwoningschuld ontstaat als het eigenwoningforfait (EWF) hoger is dan de daarop drukkende aftrekbare kosten. De aftrek wordt gesteld op het verschil tussen beide posten. Belangrijke reden voor de introductie van deze maatregel met ingang van 2005 was om de aflossing van de eigenwoningschuld te bevorderen. De regeling Hillen heeft tot gevolg dat de inkomsten uit de eigen woning de facto op nihil worden gesteld. Daarmee wordt bewust afgeweken van het feit dat de eigen woning in de inkomstenbelasting een bron van inkomen vormt. Als gevolg van de per 2013 ingevoerde aflossingseis voor eigenwoningschulden is een extra stimulering voor een versnelde aflossing door de regeling Hillen echter niet meer noodzakelijk. Door de aflossingseis komen belastingplichtigen bovendien veel eerder in aanmerking voor toepassing van die regeling. Hierdoor is de regeling op termijn financieel onhoudbaar. De geraamde kosten van de regeling Hillen bedroegen in 2015 in totaal € 556 miljoen. Vooral door de met ingang van 1 januari 2013 ingevoerde aflossingseis neemt het budgettaire belang sterk toe, tot € 1,1 miljard in 2042. Het voorgaande is reden om deze regeling af te schaffen. Het kabinet heeft gekozen voor een afbouw van de regeling in kleine stappen. Hiermee worden de aan de beëindiging van de regeling verbonden gevolgen – waarbij het deel van het EWF waar geen daarop drukkende aftrekbare kosten tegenover staan tot het belastbare inkomen wordt gerekend – gemitigeerd.” 12. Het heffen van belasting is een inmenging in het door artikel 1 EP gewaarborgde recht op ongestoord genot van eigendom. Deze inmenging is in het algemeen gerechtvaardigd; de tweede alinea van deze bepaling voorziet in een uitzondering om de betaling van belastingen of andere heffingen te verzekeren. Wel moet die inmenging volgens de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) ‘lawful’ zijn, een ‘legitimate aim’ dienen en een ‘fair balance’ tussen de belangen van het betrokken individu en het algemene belang respecteren. Bij de beoordeling of de heffing over inkomsten uit de eigen woning op stelselniveau die ‘fair balance’ respecteert, gaat het erom of er een redelijke, proportionele verhouding is tussen de gehanteerde middelen en het met de heffing beoogde doel. Zowel met betrekking tot die middelen als met betrekking tot hun geschiktheid om dat doel te bereiken heeft de wetgever een ruime beoordelingsvrijheid. 13. Bij deze proportionaliteitstoets komt ook het in artikel 14 van het EVRM neergelegde discriminatieverbod in beeld. Artikel 14 EVRM verbiedt een als discriminatie aan te merken ongelijke behandeling. Van discriminatie is sprake indien personen die in gelijke situaties verkeren zonder objectieve en redelijke rechtvaardigingsgrond anders worden behandeld. Van een stelsel dat onverenigbaar is met dit discriminatieverbod kan niet worden gezegd dat het de ‘fair balance’ respecteert. Ook hierbij komt aan de wetgever een zekere beoordelingsvrijheid toe bij het beantwoorden van de vraag of gevallen voor de toepassing van deze bepalingen als gelijke gevallen moeten worden beschouwd en of, in het bevestigende geval, een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat om die gevallen niettemin in verschillende zin te regelen. Indien het - zoals in het onderhavige geval - niet gaat om onderscheid op basis van aangeboren kenmerken van een persoon, zoals geslacht, ras en etnische afkomst, dient het oordeel van de wetgever daarbij te worden geëerbiedigd, tenzij het evident van redelijke grond is ontbloot. 14. Naar het oordeel van de rechtbank is de wetgever gebleven binnen de hem toekomende ruime beoordelingsvrijheid. Het eigenwoningforfait geeft forfaitair uitdrukking aan het totale voordeel dat iemand heeft van zijn eigen woning (verkrijging van woongenot en een beleggingsaspect). Het percentage voor het berekenen van het eigenwoningforfait is gesteld op 0,60 voor een waarde tot een bepaald bedrag (in 2020: € 1.090.000) en 2,35 voor het gedeelte van de waarde daarboven. Er is dus onderscheid gemaakt tussen belastingplichtigen met een eigen woning waarvan de waarde boven en onder een bepaald grensbedrag ligt. De wetgever heeft die gevallen kennelijk als ongelijk beschouwd. Volgens de wetgever kan namelijk worden aangenomen dat vanaf een bepaald waardeniveau het beleggingsaspect een verhoudingsgewijs grotere rol gaat spelen, hetgeen een hoger eigenwoningforfaitpercentage rechtvaardigt. De wetgever heeft de wetgeving met redenen omkleed.
Volledig
(…) Daarnaast wordt in dit kader voorgesteld een hoger percentage (2,35) ter vaststelling van het eigenwoningforfait in te voeren bij een eigenwoningwaarde van € 1 miljoen of meer, maar alleen voor het deel van de eigenwoningwaarde dat uitkomt boven € 1 miljoen. De grens is bij € 1 miljoen gelegd, aangezien naar onze mening vanaf dit waardeniveau het beleggingsaspect een verhoudingsgewijs grotere rol gaat spelen. De verhoudingswijze grotere rol van het beleggingsaspect rechtvaardigt ook een hoger percentage, dat op grond van dit voorstel op 2,35 is gesteld. De hiervoor genoemde grens van € 1 miljoen wordt jaarlijks aangepast aan de inflatie via indexatie. (…). Artikel 3.112, eerste lid, van de Wet IB 2001 bepaalt de hoogte van het in aanmerking te nemen eigenwoningforfait. Momenteel wordt vanaf een waarde van € 75 000 eenzelfde percentage van 0,55% als voordeel uit eigen woning in aanmerking genomen, zij het dat er wel een absoluut maximum geldt. Er wordt geen onderscheid gemaakt naar de verschillende waarden van woningen in dit segment. Zo wordt bijvoorbeeld voor een woning met een waarde van € 80 000 eenzelfde procentueel voordeel in aanmerking genomen als voor een woning met een waarde van € 400 000 en een woning met een waarde van € 800 000. Vanaf een waarde van € 1 mln achten wij dit niet langer gewenst en daarom wordt – mede ingegeven door budgettaire overwegingen – voorgesteld per 1 januari 2009 een hoger percentage (2,35%) ter vaststelling van het eigenwoningforfait in te voeren bij een eigenwoningwaarde van € 1 mln of meer. Deze verhoging geldt echter alleen voor het deel van de waarde dat uitgaat boven € 1 mln.”. 10. De Nota naar aanleiding van het verslag bij het Belastingplan 2008 bevat de volgende nadere toelichting op het eigenwoningforfaitpercentage van 2,35: “De leden van de fractie van de VVD vragen of het kabinet het percentage van 2,35% in het voorstel tot aanpassing van het eigenwoningforfait nader kan motiveren vanuit de mix van beleggen en besteden. Hierop kan ik genoemde leden antwoorden dat in het algemeen geldt dat aan een eigen woning economisch gezien zowel een bestedingsaspect te onderkennen valt (verkrijging van woongenot) als een beleggingsaspect. Het eigenwoningforfait geeft forfaitair uitdrukking aan het totale voordeel dat iemand heeft van zijn eigen woning. In het kader van een evenwichtig pakket aan maatregelen is gekeken of hele dure woningen op basis van de huidige regeling rond het eigenwoningforfait fiscaal reëel worden behandeld. Dat is niet het geval. In 2007 geldt een bijtelling (eigenwoningforfait) van 0,55% van de WOZ-waarde. Die bijtelling heeft een maximum van € 9 150. Dat betekent dat iemand met een woning van € 2 miljoen in 2007 een bijtelling krijgt van € 9 150 maar iemand met een woning van € 5 miljoen ook. Dure woningen worden op deze manier niet op een reële manier in de heffing betrokken. De eventuele extra renteaftrek wordt wel verleend, maar de bijtelling wordt niet hoger. Het kabinet stelt daarom twee maatregelen voor: vanaf 2009 vervalt het plafond in het eigenwoningforfait. Verder geldt dan voor het deel van de waarde van een woning boven € 1 miljoen een eigenwoningforfait van 2,35% van de WOZ-waarde.”. 11 In 2005 is met de zogenoemde Wet Hillen een aftrek op het eigenwoningforfait ingevoerd wegens geen of een geringe eigen woningschuld. Deze aftrek wordt sinds 2019 stapsgewijs afgebouwd. De wetgever heeft de volgende argumenten gegeven voor de (geleidelijke) afbouw van het recht op aftrek wegens geen of geringe eigenwoningschuld: “Het recht op aftrek wegens geen of geringe eigenwoningschuld ontstaat als het eigenwoningforfait (EWF) hoger is dan de daarop drukkende aftrekbare kosten. De aftrek wordt gesteld op het verschil tussen beide posten. Belangrijke reden voor de introductie van deze maatregel met ingang van 2005 was om de aflossing van de eigenwoningschuld te bevorderen. De regeling Hillen heeft tot gevolg dat de inkomsten uit de eigen woning de facto op nihil worden gesteld. Daarmee wordt bewust afgeweken van het feit dat de eigen woning in de inkomstenbelasting een bron van inkomen vormt. Als gevolg van de per 2013 ingevoerde aflossingseis voor eigenwoningschulden is een extra stimulering voor een versnelde aflossing door de regeling Hillen echter niet meer noodzakelijk. Door de aflossingseis komen belastingplichtigen bovendien veel eerder in aanmerking voor toepassing van die regeling. Hierdoor is de regeling op termijn financieel onhoudbaar. De geraamde kosten van de regeling Hillen bedroegen in 2015 in totaal € 556 miljoen. Vooral door de met ingang van 1 januari 2013 ingevoerde aflossingseis neemt het budgettaire belang sterk toe, tot € 1,1 miljard in 2042. Het voorgaande is reden om deze regeling af te schaffen. Het kabinet heeft gekozen voor een afbouw van de regeling in kleine stappen. Hiermee worden de aan de beëindiging van de regeling verbonden gevolgen – waarbij het deel van het EWF waar geen daarop drukkende aftrekbare kosten tegenover staan tot het belastbare inkomen wordt gerekend – gemitigeerd.” 12. Het heffen van belasting is een inmenging in het door artikel 1 EP gewaarborgde recht op ongestoord genot van eigendom. Deze inmenging is in het algemeen gerechtvaardigd; de tweede alinea van deze bepaling voorziet in een uitzondering om de betaling van belastingen of andere heffingen te verzekeren. Wel moet die inmenging volgens de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) ‘lawful’ zijn, een ‘legitimate aim’ dienen en een ‘fair balance’ tussen de belangen van het betrokken individu en het algemene belang respecteren. Bij de beoordeling of de heffing over inkomsten uit de eigen woning op stelselniveau die ‘fair balance’ respecteert, gaat het erom of er een redelijke, proportionele verhouding is tussen de gehanteerde middelen en het met de heffing beoogde doel. Zowel met betrekking tot die middelen als met betrekking tot hun geschiktheid om dat doel te bereiken heeft de wetgever een ruime beoordelingsvrijheid. 13. Bij deze proportionaliteitstoets komt ook het in artikel 14 van het EVRM neergelegde discriminatieverbod in beeld. Artikel 14 EVRM verbiedt een als discriminatie aan te merken ongelijke behandeling. Van discriminatie is sprake indien personen die in gelijke situaties verkeren zonder objectieve en redelijke rechtvaardigingsgrond anders worden behandeld. Van een stelsel dat onverenigbaar is met dit discriminatieverbod kan niet worden gezegd dat het de ‘fair balance’ respecteert. Ook hierbij komt aan de wetgever een zekere beoordelingsvrijheid toe bij het beantwoorden van de vraag of gevallen voor de toepassing van deze bepalingen als gelijke gevallen moeten worden beschouwd en of, in het bevestigende geval, een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat om die gevallen niettemin in verschillende zin te regelen. Indien het - zoals in het onderhavige geval - niet gaat om onderscheid op basis van aangeboren kenmerken van een persoon, zoals geslacht, ras en etnische afkomst, dient het oordeel van de wetgever daarbij te worden geëerbiedigd, tenzij het evident van redelijke grond is ontbloot. 14. Naar het oordeel van de rechtbank is de wetgever gebleven binnen de hem toekomende ruime beoordelingsvrijheid. Het eigenwoningforfait geeft forfaitair uitdrukking aan het totale voordeel dat iemand heeft van zijn eigen woning (verkrijging van woongenot en een beleggingsaspect). Het percentage voor het berekenen van het eigenwoningforfait is gesteld op 0,60 voor een waarde tot een bepaald bedrag (in 2020: € 1.090.000) en 2,35 voor het gedeelte van de waarde daarboven. Er is dus onderscheid gemaakt tussen belastingplichtigen met een eigen woning waarvan de waarde boven en onder een bepaald grensbedrag ligt. De wetgever heeft die gevallen kennelijk als ongelijk beschouwd. Volgens de wetgever kan namelijk worden aangenomen dat vanaf een bepaald waardeniveau het beleggingsaspect een verhoudingsgewijs grotere rol gaat spelen, hetgeen een hoger eigenwoningforfaitpercentage rechtvaardigt. De wetgever heeft de wetgeving met redenen omkleed.