Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-04-08
ECLI:NL:RBDHA:2026:8335
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
12,118 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:8335 text/xml public 2026-04-17T10:00:49 2026-04-09 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-04-08 09/691949 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Den Haag Civiel recht; Verbintenissenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:8335 text/html public 2026-04-17T10:00:11 2026-04-17 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:8335 Rechtbank Den Haag , 08-04-2026 / 09/691949 Onrechtmatig handelen door geldbedragen van eiser die bestemd waren om te beleggen in crypto aan te wenden voor eigen gebruik. Omvang van de schade onvoldoende concreet onderbouwd. RECHTBANK Den Haag Team Handel Zaak- / rolnummer: C/09/691949 / HA ZA 25-832 Vonnis van 8 april 2026 in de zaak van [eisende partij] , te [woonplaats 1] , eisende partij, hierna te noemen: [eisende partij] , advocaat: mr. D.A. IJpelaar, tegen [gedaagde partij] , te [woonplaats 2] , gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde partij] , advocaat: mr. S.E. de Vriend-Juten. 1 De procedure 1.1. Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken: - de dagvaarding van 30 juli 2025; - de conclusie van antwoord van 3 december 2025, met producties 1 en 2; - het tussenvonnis van 24 december 2025, waarin een mondelinge behandeling is bevolen; - de akte houdende rectificatie, overlegging producties en wijziging van eis van 26 februari 2026 van [eisende partij] , met producties 1 tot en met 5. 1.2. Op 26 februari 2026 heeft de mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden. Partijen hebben vragen van de rechtbank beantwoord en hun standpunten nader toegelicht. De griffier heeft aantekeningen gemaakt. 1.3. Ten slotte is vonnis bepaald op vandaag. 2 De feiten 2.1. Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan. 2.2. [eisende partij] en [gedaagde partij] waren bevriend met elkaar en deelden een interesse in crypto. 2.3. Vanaf januari 2021 vroeg [eisende partij] meerdere malen aan [gedaagde partij] om crypto voor hem te kopen en hij maakte voor dit doel geld aan [gedaagde partij] over. [gedaagde partij] zou een gezamenlijke ‘wallet’ beheren voor crypto van hem en [eisende partij] . 2.4. In totaal maakte [eisende partij] in de periode vanaf 12 januari 2021 tot en met 31 mei 2022 een bedrag van € 75.750,00 aan [gedaagde partij] over. 2.5. Op 31 mei 2022 sturen partijen elkaar de volgende Whatsapp-berichten (waarbij “ [eisende partij] ” verwijst naar [eisende partij] en “ [gedaagde partij] ” naar [gedaagde partij] ): (…) 31-05-2022 19:25 - [eisende partij] : Hoeveel nu? 31-05-2022 19:25 - [eisende partij] : Totaal 31-05-2022 19:26 - [eisende partij] : Thanks flop 31-05-2022 19:28 - [gedaagde partij] : 3.015 btc nu. Netje toch [emoji] 31-05-2022 19:28 - [eisende partij] : Oh dacht meer 31-05-2022 19:28 - [eisende partij] : Dacht dat ik al 3,4 had 31-05-2022 19:28 - [eisende partij] : Check even 31-05-2022 19:35 - [eisende partij] : Of was dit en komt die 0,33 erbij nog? 31-05-2022 19:35 - [eisende partij] : Of gewoon verkeerd gerekend 31-05-2022 19:36 - [gedaagde partij] : Checkt ff. One moment. 31-05-2022 20:01 - [gedaagde partij] : Sorry 3.15 en 0.33 erbij. 3.48 btc [emoji] (…) 2.6. Op 12 oktober 2022 sturen partijen elkaar de volgende Whatsapp-berichten: (…) 12-10-2022 19:18 - [eisende partij] : Wat denk jij 0.45 btc verkopen voor ripple ja hè 12-10-2022 19:19 - [eisende partij] : Hou ik 3 btc over en rest ripple. Mocht je tijd hebben vanavond graag flop 12-10-2022 19:22 - [eisende partij] : Of alles boven 3 btc inruilen voor ripple flop aub. 12-10-2022 19:27 - [gedaagde partij] : Okey ga ik over een uurtje regelen. Nu niet thuis. Laat t je weten 12-10-2022 19:27 - [eisende partij] : Top 12-10-2022 20:06 - [eisende partij] : En totaal precies flop 12-10-2022 20:17 - [gedaagde partij] : 0.48 btc = 18791 ripple erbij 12-10-2022 20:17 - [gedaagde partij] : [bestandsnaam 1] (bestand bijgevoegd) 12-10-2022 20:17 - [gedaagde partij] : En 3 btc. (…) 2.7. Op 1 februari 2024 sturen partijen elkaar de volgende Whatsapp-berichten: (…) 01-02-2024 07:43 - [eisende partij] : Schatje van me wil jij ripple omzetten naar btc voor mij aub 01-02-2024 07:43 - [eisende partij] : Kusjes van mij 01-02-2024 08:27 - [gedaagde partij] : Yep! ga ik zo doen. X 01-02-2024 09:09 - [gedaagde partij] : [bestandsnaam 2] (bestand bijgevoegd) All-in op BTC [emoji] 01-02-2024 09:09 - [gedaagde partij] : [bestandsnaam 3] (bestand bijgevoegd) (…) 2.8. Op 23 december 2024 laat [gedaagde partij] aan [eisende partij] weten dat hij diens inleg, althans de hiermee aangekochte crypto, had vergokt dan wel voor andere eigen doeleinden had aangewend. 2.9. In een e-mail van 20 januari 2025 schrijft [gedaagde partij] aan [eisende partij] , voor zover van belang, het volgende: (…) Hierbij bevestig ik dat ik het totaalbedrag van € 75.750, dat jij in de afgelopen jaren hebt overgemaakt, volledig zal terugstorten. Hieronder volgt een overzicht van de bedragen die jij naar mij hebt overgemaakt: (…) Terugstortingen: Ik zal dit bedrag in de komende weken volledig terugstorten, in de volgende termijnen: (…) 2.10. Een (ongedateerd) screenshot van de telefoon van een gemeenschappelijke vriend die tussen [eisende partij] en [gedaagde partij] heeft bemiddeld toont, voor zover van belang, de volgende tussen die vriend en [eisende partij] gewisselde Whatsapp-berichten: [eisende partij] : Mail ontvangen [eisende partij] : Er zullen geen vervolg stappen worden ondernomen zolang stortingen goed gaan maar e-mail is duidelijk. Vriend: Top! Dank voor geduld! 2.11. In een e-mail van 7 maart 2025 schrijft [gedaagde partij] aan [eisende partij] , voor zover van belang, het volgende: (…) De rente aangaande het bedrag van 2.079 euro (zie berekening hieronder), correct me if i’am wrong, zal uiterlijk eind maart 2025 worden overgemaakt. Is dit okey voor jou? Rente berekening: Overzicht van de misgelopen spaarrente over € 75.750 van 2021 tot en met 21 maart 2025, gebaseerd op de veranderende rentepercentages van ABN AMRO: (…) Totale ontvangen rente over deze periode: € 2.079 (…) 2.12. In een e-mail van 7 april 2025 schrijft [eisende partij] aan [gedaagde partij] , voor zover van belang, het volgende: (…) Dank voor het terug storten van de inleg en alles netjes op tijd, wordt gewaardeerd. Heb jij al verder nagedacht over het vervolg of wil je dat ik jou een voorstel doe Ik hoor het graag van je deze week. (…) 2.13. In een e-mail van 10 april 2025 schrijft [eisende partij] aan [gedaagde partij] , voor zover van belang, het volgende: (…) Ik wil je er even op wijzen dat de mail die ik je stuurde uit eigen naam is gedaan. Ik probeer er dus met jou zelf uit te komen om te kijken hoe we de rest van de schuld kunnen gaan aflossen. (…) 2.14. In een e-mail van 11 april 2025 schrijft [gedaagde partij] aan [eisende partij] , voor zover van belang, het volgende: (…) Je volledige inleg, inclusief verrekende rente, heb je volledig teruggekregen zoals we hebben afgesproken en van jou kant zouden er verder geen stappen meer ondernomen worden. (…) 2.15. In een e-mail van 11 april 2025 schrijft [eisende partij] aan [gedaagde partij] , voor zover van belang, het volgende: Beste [gedaagde partij] , ik heb nooit aangegeven dat als de inleg terug betaald is daarmee de kous af is. Moment van bellen was de totale schuld aan mij ruim 300k. (…) 2.16. Op 2 juli 2025 stuurt de advocaat van [eisende partij] een e-mail aan [gedaagde partij] waarin hij wordt gesommeerd tot betaling van het restant van de vordering van € 238.675,50 en de buitengerechtelijke incassokosten van € 2.968,38 (te vermeerderen met € 623,36 aan BTW). [gedaagde partij] heeft aan deze sommatie niet voldaan. 3 Het geschil 3.1. Na eiswijziging vordert [eisende partij] – samengevat – veroordeling van [gedaagde partij] tot betaling van een schadevergoeding van € 238.675,50 aan hoofdsom, de wettelijke rente daarover vanaf de datum van verzuim en de buitengerechtelijke kosten van € 3.591,74.
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:8335 text/xml public 2026-04-17T10:00:49 2026-04-09 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-04-08 09/691949 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Den Haag Civiel recht; Verbintenissenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:8335 text/html public 2026-04-17T10:00:11 2026-04-17 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:8335 Rechtbank Den Haag , 08-04-2026 / 09/691949 Onrechtmatig handelen door geldbedragen van eiser die bestemd waren om te beleggen in crypto aan te wenden voor eigen gebruik. Omvang van de schade onvoldoende concreet onderbouwd. RECHTBANK Den Haag Team Handel Zaak- / rolnummer: C/09/691949 / HA ZA 25-832 Vonnis van 8 april 2026 in de zaak van [eisende partij] , te [woonplaats 1] , eisende partij, hierna te noemen: [eisende partij] , advocaat: mr. D.A. IJpelaar, tegen [gedaagde partij] , te [woonplaats 2] , gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde partij] , advocaat: mr. S.E. de Vriend-Juten. 1 De procedure 1.1. Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken: - de dagvaarding van 30 juli 2025; - de conclusie van antwoord van 3 december 2025, met producties 1 en 2; - het tussenvonnis van 24 december 2025, waarin een mondelinge behandeling is bevolen; - de akte houdende rectificatie, overlegging producties en wijziging van eis van 26 februari 2026 van [eisende partij] , met producties 1 tot en met 5. 1.2. Op 26 februari 2026 heeft de mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden. Partijen hebben vragen van de rechtbank beantwoord en hun standpunten nader toegelicht. De griffier heeft aantekeningen gemaakt. 1.3. Ten slotte is vonnis bepaald op vandaag. 2 De feiten 2.1. Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan. 2.2. [eisende partij] en [gedaagde partij] waren bevriend met elkaar en deelden een interesse in crypto. 2.3. Vanaf januari 2021 vroeg [eisende partij] meerdere malen aan [gedaagde partij] om crypto voor hem te kopen en hij maakte voor dit doel geld aan [gedaagde partij] over. [gedaagde partij] zou een gezamenlijke ‘wallet’ beheren voor crypto van hem en [eisende partij] . 2.4. In totaal maakte [eisende partij] in de periode vanaf 12 januari 2021 tot en met 31 mei 2022 een bedrag van € 75.750,00 aan [gedaagde partij] over. 2.5. Op 31 mei 2022 sturen partijen elkaar de volgende Whatsapp-berichten (waarbij “ [eisende partij] ” verwijst naar [eisende partij] en “ [gedaagde partij] ” naar [gedaagde partij] ): (…) 31-05-2022 19:25 - [eisende partij] : Hoeveel nu? 31-05-2022 19:25 - [eisende partij] : Totaal 31-05-2022 19:26 - [eisende partij] : Thanks flop 31-05-2022 19:28 - [gedaagde partij] : 3.015 btc nu. Netje toch [emoji] 31-05-2022 19:28 - [eisende partij] : Oh dacht meer 31-05-2022 19:28 - [eisende partij] : Dacht dat ik al 3,4 had 31-05-2022 19:28 - [eisende partij] : Check even 31-05-2022 19:35 - [eisende partij] : Of was dit en komt die 0,33 erbij nog? 31-05-2022 19:35 - [eisende partij] : Of gewoon verkeerd gerekend 31-05-2022 19:36 - [gedaagde partij] : Checkt ff. One moment. 31-05-2022 20:01 - [gedaagde partij] : Sorry 3.15 en 0.33 erbij. 3.48 btc [emoji] (…) 2.6. Op 12 oktober 2022 sturen partijen elkaar de volgende Whatsapp-berichten: (…) 12-10-2022 19:18 - [eisende partij] : Wat denk jij 0.45 btc verkopen voor ripple ja hè 12-10-2022 19:19 - [eisende partij] : Hou ik 3 btc over en rest ripple. Mocht je tijd hebben vanavond graag flop 12-10-2022 19:22 - [eisende partij] : Of alles boven 3 btc inruilen voor ripple flop aub. 12-10-2022 19:27 - [gedaagde partij] : Okey ga ik over een uurtje regelen. Nu niet thuis. Laat t je weten 12-10-2022 19:27 - [eisende partij] : Top 12-10-2022 20:06 - [eisende partij] : En totaal precies flop 12-10-2022 20:17 - [gedaagde partij] : 0.48 btc = 18791 ripple erbij 12-10-2022 20:17 - [gedaagde partij] : [bestandsnaam 1] (bestand bijgevoegd) 12-10-2022 20:17 - [gedaagde partij] : En 3 btc. (…) 2.7. Op 1 februari 2024 sturen partijen elkaar de volgende Whatsapp-berichten: (…) 01-02-2024 07:43 - [eisende partij] : Schatje van me wil jij ripple omzetten naar btc voor mij aub 01-02-2024 07:43 - [eisende partij] : Kusjes van mij 01-02-2024 08:27 - [gedaagde partij] : Yep! ga ik zo doen. X 01-02-2024 09:09 - [gedaagde partij] : [bestandsnaam 2] (bestand bijgevoegd) All-in op BTC [emoji] 01-02-2024 09:09 - [gedaagde partij] : [bestandsnaam 3] (bestand bijgevoegd) (…) 2.8. Op 23 december 2024 laat [gedaagde partij] aan [eisende partij] weten dat hij diens inleg, althans de hiermee aangekochte crypto, had vergokt dan wel voor andere eigen doeleinden had aangewend. 2.9. In een e-mail van 20 januari 2025 schrijft [gedaagde partij] aan [eisende partij] , voor zover van belang, het volgende: (…) Hierbij bevestig ik dat ik het totaalbedrag van € 75.750, dat jij in de afgelopen jaren hebt overgemaakt, volledig zal terugstorten. Hieronder volgt een overzicht van de bedragen die jij naar mij hebt overgemaakt: (…) Terugstortingen: Ik zal dit bedrag in de komende weken volledig terugstorten, in de volgende termijnen: (…) 2.10. Een (ongedateerd) screenshot van de telefoon van een gemeenschappelijke vriend die tussen [eisende partij] en [gedaagde partij] heeft bemiddeld toont, voor zover van belang, de volgende tussen die vriend en [eisende partij] gewisselde Whatsapp-berichten: [eisende partij] : Mail ontvangen [eisende partij] : Er zullen geen vervolg stappen worden ondernomen zolang stortingen goed gaan maar e-mail is duidelijk. Vriend: Top! Dank voor geduld! 2.11. In een e-mail van 7 maart 2025 schrijft [gedaagde partij] aan [eisende partij] , voor zover van belang, het volgende: (…) De rente aangaande het bedrag van 2.079 euro (zie berekening hieronder), correct me if i’am wrong, zal uiterlijk eind maart 2025 worden overgemaakt. Is dit okey voor jou? Rente berekening: Overzicht van de misgelopen spaarrente over € 75.750 van 2021 tot en met 21 maart 2025, gebaseerd op de veranderende rentepercentages van ABN AMRO: (…) Totale ontvangen rente over deze periode: € 2.079 (…) 2.12. In een e-mail van 7 april 2025 schrijft [eisende partij] aan [gedaagde partij] , voor zover van belang, het volgende: (…) Dank voor het terug storten van de inleg en alles netjes op tijd, wordt gewaardeerd. Heb jij al verder nagedacht over het vervolg of wil je dat ik jou een voorstel doe Ik hoor het graag van je deze week. (…) 2.13. In een e-mail van 10 april 2025 schrijft [eisende partij] aan [gedaagde partij] , voor zover van belang, het volgende: (…) Ik wil je er even op wijzen dat de mail die ik je stuurde uit eigen naam is gedaan. Ik probeer er dus met jou zelf uit te komen om te kijken hoe we de rest van de schuld kunnen gaan aflossen. (…) 2.14. In een e-mail van 11 april 2025 schrijft [gedaagde partij] aan [eisende partij] , voor zover van belang, het volgende: (…) Je volledige inleg, inclusief verrekende rente, heb je volledig teruggekregen zoals we hebben afgesproken en van jou kant zouden er verder geen stappen meer ondernomen worden. (…) 2.15. In een e-mail van 11 april 2025 schrijft [eisende partij] aan [gedaagde partij] , voor zover van belang, het volgende: Beste [gedaagde partij] , ik heb nooit aangegeven dat als de inleg terug betaald is daarmee de kous af is. Moment van bellen was de totale schuld aan mij ruim 300k. (…) 2.16. Op 2 juli 2025 stuurt de advocaat van [eisende partij] een e-mail aan [gedaagde partij] waarin hij wordt gesommeerd tot betaling van het restant van de vordering van € 238.675,50 en de buitengerechtelijke incassokosten van € 2.968,38 (te vermeerderen met € 623,36 aan BTW). [gedaagde partij] heeft aan deze sommatie niet voldaan. 3 Het geschil 3.1. Na eiswijziging vordert [eisende partij] – samengevat – veroordeling van [gedaagde partij] tot betaling van een schadevergoeding van € 238.675,50 aan hoofdsom, de wettelijke rente daarover vanaf de datum van verzuim en de buitengerechtelijke kosten van € 3.591,74.
Volledig
Subsidiair vordert hij een verklaring voor recht dat [gedaagde partij] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de voor hem uit de met [eisende partij] gesloten overeenkomst(en) voortvloeiende verbintenissen, althans dat [gedaagde partij] jegens [eisende partij] onrechtmatig heeft gehandeld, en vergoeding van schade op te maken bij staat. Verder vordert hij veroordeling van [gedaagde partij] in de proceskosten. 3.2. [eisende partij] legt aan zijn vorderingen het volgende ten grondslag. [eisende partij] heeft met [gedaagde partij] een overeenkomst van opdracht en bewaarneming gesloten, op grond waarvan [gedaagde partij] gehouden was om het hem ter beschikking gestelde bedrag van € 75.750,00 te beleggen in de door [eisende partij] aangegeven crypto en deze crypto voor hem te bewaren. [gedaagde partij] heeft dit bedrag echter voor andere doeleinden (gokken) aangewend. [gedaagde partij] deed het daarbij telkens voorkomen alsof hij de gegeven opdracht uitvoerde door aan [eisende partij] een print-screen van de waarde van de cryptomunten van [eisende partij] mee te sturen. Hierdoor is [gedaagde partij] toerekenbaar tekortgeschoten in de nakoming van de voor hem uit de overeenkomst van opdracht en bewaarneming voortvloeiende verbintenissen, althans heeft hij onrechtmatig jegens [eisende partij] gehandeld. [eisende partij] heeft als gevolg hiervan schade geleden. Deze schade bedraagt € 314.425,50, zijnde de waarde van de crypto op het moment dat [eisende partij] die wilde verkopen. Hierop brengt [eisende partij] de terugontvangen inleg van € 75.750,00 in mindering. 3.3. [gedaagde partij] voert verweer. [gedaagde partij] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eisende partij] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eisende partij] in de kosten van deze procedure. 3.4. [gedaagde partij] voert – samengevat – het volgende aan. Tussen partijen bestaat geen overeenkomst van opdracht of bewaarneming en [gedaagde partij] is ook geen vermogensbeheerder; er is slechts sprake van een vriendendienst. [eisende partij] heeft ook geen schade, want de inleg is inclusief rente terugbetaald. Verder hebben partijen een betalingsregeling afgesproken die [gedaagde partij] is nakomen. Voor wat betreft de gevorderde schade geldt dat deze bestaat uit fictieve koerswinsten. Het causaal verband ontbreekt en het is algemeen bekend dat beleggen in crypto risico’s meebrengt. Tot slot heeft [eisende partij] nooit enige controle op aankopen van [gedaagde partij] uitgevoerd. 3.5. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 4 De beoordeling Het geschil 4.1. Het geschil spitst zich toe op de vraag of er na de terugbetaling van de inleg met rente nog schade aan de zijde van [eisende partij] resteert waarvoor [gedaagde partij] aansprakelijk is. Verder moet de vraag worden beantwoord of partijen hebben afgesproken dat met deze terugbetaling de ‘kous af was’ of dat [eisende partij] ook zijn (gestelde) resterende schade nog kan vorderen. Beoordelingskader 4.2. Op grond van artikel 6:162 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) is degene die jegens een ander een onrechtmatige daad pleegt, die hem kan worden toegerekend, verplicht de schade die de ander dientengevolge lijdt, te vergoeden. Voor aansprakelijkheid op grond van artikel 6:162 BW dient aan een vijftal vereisten voldaan te zijn, te weten: onrechtmatig handelen, toerekenbaarheid van de daad aan de dader, schade, causaal verband tussen de daad en de schade en relativiteit. Een onrechtmatige daad kan bestaan uit een inbreuk op een recht, een doen of nalaten in strijd met een wettelijke plicht of een doen of nalaten in strijd met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt (artikel 6:162 lid 2 BW). Voor de vestiging van aansprakelijkheid op grond van artikel 6:162 BW is voldoende dat aannemelijk is dat enige schade is geleden en dat deze schade het gevolg is van het onrechtmatig handelen. Onrechtmatigheid 4.3. De rechtbank is van oordeel dat [gedaagde partij] in strijd heeft gehandeld met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt door de inleg van [eisende partij] dan wel de daarmee aangekochte crypto voor eigen doeleinden te gebruiken en dit voor [eisende partij] te verhullen. 4.4. [gedaagde partij] heeft erkend dat hij de inleg van [eisende partij] , dan wel de daarmee aangeschafte crypto, na enige tijd in strijd met de voor hem kenbare bedoelingen van [eisende partij] voor eigen doeleinden heeft aangewend. Verder blijkt uit de Whatsapp-berichten die tussen partijen zijn gewisseld dat [gedaagde partij] telkens bevestigde dat het aankoopverzoek was uitgevoerd en desgevraagd het aantal crypto noemde dat op dat moment voor [eisende partij] in de door [gedaagde partij] beheerde wallet zou zitten. Op deze wijze heeft hij [eisende partij] in de waan gelaten dat zijn inleg in crypto was belegd en dat hij dus zou profiteren van eventuele koersstijgingen. 4.5. Aan de onrechtmatigheid van deze gedragingen doet niet af dat sprake was van een vriendendienst. Weliswaar kan bij een vriendendienst de lat van de zorgvuldigheid lager liggen dan bij professionele dienstverlening, maar dit laat onverlet dat het ook in het kader van een vriendendienst onrechtmatig is om het geld van de ander voor eigen doeleinden te gebruiken en dit voor die ander te verhullen. Schade / Causaliteit 4.6. [eisende partij] heeft ter zitting onweersproken gesteld dat hij op 23 december 2024 instructie gaf om 1,1 bitcoin te verkopen, omdat hij de opbrengst daarvan nog voor het einde van het jaar wilde investeren in een pand. Uit openbare bronnen is kenbaar dat de koers van de bitcoin op die dag rond de € 91.000,00 lag. De verkoopopbrengst van 1,1 bitcoin zou op 23 december 2024 dus ongeveer € 100.100,00 hebben bedragen. Ten opzichte van zijn totale inleg van € 75.750,00 zou [eisende partij] daarmee een winst van ongeveer € 24.350,00 hebben gerealiseerd. 4.7. [gedaagde partij] heeft betoogd dat van schade geen sprake is, omdat hij de inleg van [eisende partij] met rente heeft terugbetaald. De rechtbank verwerpt dit verweer. Uit het voorgaande blijkt dat de verkoopopbrengst van 1,1 bitcoin op 23 december 2024 ongeveer € 100.100,00 zou hebben bedragen. [gedaagde partij] bleek op 23 december 2024 echter niet (meer) over bitcoin van [eisende partij] te beschikken, zodat deze niet te gelde gemaakt konden worden. Uitgaande van het verzoek van [eisende partij] om 1,1 bitcoin te verkopen, zou na terugbetaling van de inleg met rente (te weten: € 77.829,00) nog altijd schade in de zin van gederfde winst resteren, te weten een bedrag van ongeveer € 22.271,00. Naar het oordeel van de rechtbank is daarmee voldoende aannemelijk dat [eisende partij] schade heeft geleden als gevolg van de hiervoor genoemde onrechtmatige gedragingen van [gedaagde partij] . Op de vraag of in deze procedure kan worden vastgesteld hoeveel schade [eisende partij] daadwerkelijk heeft geleden, komt de rechtbank hierna (rov. 4.12 e.v.) terug. Tussenconclusie: [gedaagde partij] is schadeplichtig 4.8. Uit het voorgaande volgt dat [gedaagde partij] uit hoofde van artikel 6:162 BW schadeplichtig is tegenover [eisende partij] . Daarom kan verder in het midden blijven of hij (ook) aansprakelijk is op grond van een toerekenbare tekortkoming in de nakoming van de overeenkomsten van opdracht en bewaarneming die [eisende partij] stelt met [gedaagde partij] te hebben gesloten. Geen afstand van vorderingsrecht 4.9. [gedaagde partij] heeft nog aangevoerd dat partijen een betalingsregeling hebben afgesproken die [gedaagde partij] is nakomen. Kennelijk beroept hij zich erop dat zijn verplichting om de resterende schade te vergoeden op grond van artikel 6:160 BW teniet is gegaan, omdat tussen partijen een overeenkomst tot stand zou zijn gekomen uit hoofde waarvan [eisende partij] afstand van zijn vorderingsrecht heeft gedaan. Aangezien dit een bevrijdend verweer is, ligt het op de weg van [gedaagde partij] om het bestaan van een dergelijke overeenkomst aan te tonen. 4.10. [gedaagde partij] heeft in dit verband gewezen op het in rov.
Volledig
Subsidiair vordert hij een verklaring voor recht dat [gedaagde partij] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de voor hem uit de met [eisende partij] gesloten overeenkomst(en) voortvloeiende verbintenissen, althans dat [gedaagde partij] jegens [eisende partij] onrechtmatig heeft gehandeld, en vergoeding van schade op te maken bij staat. Verder vordert hij veroordeling van [gedaagde partij] in de proceskosten. 3.2. [eisende partij] legt aan zijn vorderingen het volgende ten grondslag. [eisende partij] heeft met [gedaagde partij] een overeenkomst van opdracht en bewaarneming gesloten, op grond waarvan [gedaagde partij] gehouden was om het hem ter beschikking gestelde bedrag van € 75.750,00 te beleggen in de door [eisende partij] aangegeven crypto en deze crypto voor hem te bewaren. [gedaagde partij] heeft dit bedrag echter voor andere doeleinden (gokken) aangewend. [gedaagde partij] deed het daarbij telkens voorkomen alsof hij de gegeven opdracht uitvoerde door aan [eisende partij] een print-screen van de waarde van de cryptomunten van [eisende partij] mee te sturen. Hierdoor is [gedaagde partij] toerekenbaar tekortgeschoten in de nakoming van de voor hem uit de overeenkomst van opdracht en bewaarneming voortvloeiende verbintenissen, althans heeft hij onrechtmatig jegens [eisende partij] gehandeld. [eisende partij] heeft als gevolg hiervan schade geleden. Deze schade bedraagt € 314.425,50, zijnde de waarde van de crypto op het moment dat [eisende partij] die wilde verkopen. Hierop brengt [eisende partij] de terugontvangen inleg van € 75.750,00 in mindering. 3.3. [gedaagde partij] voert verweer. [gedaagde partij] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eisende partij] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eisende partij] in de kosten van deze procedure. 3.4. [gedaagde partij] voert – samengevat – het volgende aan. Tussen partijen bestaat geen overeenkomst van opdracht of bewaarneming en [gedaagde partij] is ook geen vermogensbeheerder; er is slechts sprake van een vriendendienst. [eisende partij] heeft ook geen schade, want de inleg is inclusief rente terugbetaald. Verder hebben partijen een betalingsregeling afgesproken die [gedaagde partij] is nakomen. Voor wat betreft de gevorderde schade geldt dat deze bestaat uit fictieve koerswinsten. Het causaal verband ontbreekt en het is algemeen bekend dat beleggen in crypto risico’s meebrengt. Tot slot heeft [eisende partij] nooit enige controle op aankopen van [gedaagde partij] uitgevoerd. 3.5. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 4 De beoordeling Het geschil 4.1. Het geschil spitst zich toe op de vraag of er na de terugbetaling van de inleg met rente nog schade aan de zijde van [eisende partij] resteert waarvoor [gedaagde partij] aansprakelijk is. Verder moet de vraag worden beantwoord of partijen hebben afgesproken dat met deze terugbetaling de ‘kous af was’ of dat [eisende partij] ook zijn (gestelde) resterende schade nog kan vorderen. Beoordelingskader 4.2. Op grond van artikel 6:162 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) is degene die jegens een ander een onrechtmatige daad pleegt, die hem kan worden toegerekend, verplicht de schade die de ander dientengevolge lijdt, te vergoeden. Voor aansprakelijkheid op grond van artikel 6:162 BW dient aan een vijftal vereisten voldaan te zijn, te weten: onrechtmatig handelen, toerekenbaarheid van de daad aan de dader, schade, causaal verband tussen de daad en de schade en relativiteit. Een onrechtmatige daad kan bestaan uit een inbreuk op een recht, een doen of nalaten in strijd met een wettelijke plicht of een doen of nalaten in strijd met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt (artikel 6:162 lid 2 BW). Voor de vestiging van aansprakelijkheid op grond van artikel 6:162 BW is voldoende dat aannemelijk is dat enige schade is geleden en dat deze schade het gevolg is van het onrechtmatig handelen. Onrechtmatigheid 4.3. De rechtbank is van oordeel dat [gedaagde partij] in strijd heeft gehandeld met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt door de inleg van [eisende partij] dan wel de daarmee aangekochte crypto voor eigen doeleinden te gebruiken en dit voor [eisende partij] te verhullen. 4.4. [gedaagde partij] heeft erkend dat hij de inleg van [eisende partij] , dan wel de daarmee aangeschafte crypto, na enige tijd in strijd met de voor hem kenbare bedoelingen van [eisende partij] voor eigen doeleinden heeft aangewend. Verder blijkt uit de Whatsapp-berichten die tussen partijen zijn gewisseld dat [gedaagde partij] telkens bevestigde dat het aankoopverzoek was uitgevoerd en desgevraagd het aantal crypto noemde dat op dat moment voor [eisende partij] in de door [gedaagde partij] beheerde wallet zou zitten. Op deze wijze heeft hij [eisende partij] in de waan gelaten dat zijn inleg in crypto was belegd en dat hij dus zou profiteren van eventuele koersstijgingen. 4.5. Aan de onrechtmatigheid van deze gedragingen doet niet af dat sprake was van een vriendendienst. Weliswaar kan bij een vriendendienst de lat van de zorgvuldigheid lager liggen dan bij professionele dienstverlening, maar dit laat onverlet dat het ook in het kader van een vriendendienst onrechtmatig is om het geld van de ander voor eigen doeleinden te gebruiken en dit voor die ander te verhullen. Schade / Causaliteit 4.6. [eisende partij] heeft ter zitting onweersproken gesteld dat hij op 23 december 2024 instructie gaf om 1,1 bitcoin te verkopen, omdat hij de opbrengst daarvan nog voor het einde van het jaar wilde investeren in een pand. Uit openbare bronnen is kenbaar dat de koers van de bitcoin op die dag rond de € 91.000,00 lag. De verkoopopbrengst van 1,1 bitcoin zou op 23 december 2024 dus ongeveer € 100.100,00 hebben bedragen. Ten opzichte van zijn totale inleg van € 75.750,00 zou [eisende partij] daarmee een winst van ongeveer € 24.350,00 hebben gerealiseerd. 4.7. [gedaagde partij] heeft betoogd dat van schade geen sprake is, omdat hij de inleg van [eisende partij] met rente heeft terugbetaald. De rechtbank verwerpt dit verweer. Uit het voorgaande blijkt dat de verkoopopbrengst van 1,1 bitcoin op 23 december 2024 ongeveer € 100.100,00 zou hebben bedragen. [gedaagde partij] bleek op 23 december 2024 echter niet (meer) over bitcoin van [eisende partij] te beschikken, zodat deze niet te gelde gemaakt konden worden. Uitgaande van het verzoek van [eisende partij] om 1,1 bitcoin te verkopen, zou na terugbetaling van de inleg met rente (te weten: € 77.829,00) nog altijd schade in de zin van gederfde winst resteren, te weten een bedrag van ongeveer € 22.271,00. Naar het oordeel van de rechtbank is daarmee voldoende aannemelijk dat [eisende partij] schade heeft geleden als gevolg van de hiervoor genoemde onrechtmatige gedragingen van [gedaagde partij] . Op de vraag of in deze procedure kan worden vastgesteld hoeveel schade [eisende partij] daadwerkelijk heeft geleden, komt de rechtbank hierna (rov. 4.12 e.v.) terug. Tussenconclusie: [gedaagde partij] is schadeplichtig 4.8. Uit het voorgaande volgt dat [gedaagde partij] uit hoofde van artikel 6:162 BW schadeplichtig is tegenover [eisende partij] . Daarom kan verder in het midden blijven of hij (ook) aansprakelijk is op grond van een toerekenbare tekortkoming in de nakoming van de overeenkomsten van opdracht en bewaarneming die [eisende partij] stelt met [gedaagde partij] te hebben gesloten. Geen afstand van vorderingsrecht 4.9. [gedaagde partij] heeft nog aangevoerd dat partijen een betalingsregeling hebben afgesproken die [gedaagde partij] is nakomen. Kennelijk beroept hij zich erop dat zijn verplichting om de resterende schade te vergoeden op grond van artikel 6:160 BW teniet is gegaan, omdat tussen partijen een overeenkomst tot stand zou zijn gekomen uit hoofde waarvan [eisende partij] afstand van zijn vorderingsrecht heeft gedaan. Aangezien dit een bevrijdend verweer is, ligt het op de weg van [gedaagde partij] om het bestaan van een dergelijke overeenkomst aan te tonen. 4.10. [gedaagde partij] heeft in dit verband gewezen op het in rov.
Volledig
2.10 genoemde Whatsapp-bericht aan een gemeenschappelijke vriend die tussen partijen bemiddelde. In dit bericht liet [eisende partij] aan deze vriend weten dat er geen vervolgstappen zullen worden ondernomen. Volgens [gedaagde partij] betekende dit dat met de terugbetaling van de inleg met rente de kous af was. [eisende partij] heeft ter zitting echter de volgende toelichting op dit Whatsapp-bericht gegeven. Om rust tussen partijen te creëren, is, met tussenkomst van een wederzijdse vriend en de ouders en de broer van [gedaagde partij] , een stappenplan afgesproken. Als eerste stap zou [gedaagde partij] de inleg terugbetalen conform de in de e-mail van 20 januari 2025 opgenomen terugbetalingsregeling (rov. 2.9). In ruil daarvoor zou [eisende partij] afzien van het doen van aangifte. Daarna zou in alle rust verder gesproken worden over de afwikkeling van de resterende schade. Het Whatsapp-bericht waarin hij schrijft af te zien van vervolgstappen betekent volgens [eisende partij] dan ook alleen dat hij geen aangifte zou doen. Verder wijst [eisende partij] erop dat hij op 7 april 2025, dus kort nadat de inleg met rente was terugbetaald, weer contact met [gedaagde partij] heeft opgenomen over de afwikkeling van de resterende schade, waaruit volgens hem ook blijkt dat hij geen afstand van zijn (resterende) aanspraak heeft gedaan (zie rov. 2.12). 4.11. De rechtbank is van oordeel dat [gedaagde partij] zijn stelling dat [eisende partij] afstand van zijn (resterende) vorderingsrecht heeft gedaan, onvoldoende heeft onderbouwd. Het enkele feit dat [eisende partij] aan een gemeenschappelijke vriend appte dat er geen vervolgstappen zouden worden ondernomen, is niet voldoende, aangezien [eisende partij] hieraan een andere uitleg heeft gegeven die de rechtbank, ook gelet op de andere contacten tussen partijen die uit het dossier blijken, niet onaannemelijk voorkomt. Voor de uitleg die [gedaagde partij] geeft aan het Whatsapp-bericht van [eisende partij] aan de gemeenschappelijke vriend zijn onvoldoende concrete aanknopingspunten te vinden in het dossier. Omvang van de schade / verwijzing naar schadestaatprocedure 4.12. Hiervoor heeft de rechtbank het onrechtmatig handelen en de schadeplichtigheid van [gedaagde partij] jegens [eisende partij] vastgesteld. [eisende partij] heeft zijn stellingen over de omvang van de door hem geleden schade echter te weinig onderbouwd om de door hem gevorderde schade in deze procedure te kunnen vaststellen en toewijzen. 4.13. Weliswaar is ter zitting komen vast te staan dat [eisende partij] op 23 december 2024 instructie gaf om 1,1 bitcoin te verkopen. Hij heeft echter niet duidelijk gemaakt of, en zo ja, op welk moment hij instructie gaf om de overige bitcoin waarover hij dacht te beschikken, te verkopen en wat die op die momenten zouden hebben opgeleverd. 4.14. Bovendien kan de rechtbank niet vaststellen hoeveel bitcoin er op dat moment, of op welk moment tussen 12 januari 2021 en 23 december 2024 dan ook, in de (gedeelde) wallet van [eisende partij] en [gedaagde partij] heeft gezeten of zou moeten hebben gezeten. Uit de Whatsapp-berichten van 31 mei 2022 blijkt dat [eisende partij] ervan uitging dat er op dat moment 3,48 bitcoin was. [eisende partij] stelt dat ook ten tijde van zijn instructie tot verkoop van 1,1 bitcoin van dit aantal moet worden uitgegaan. Maar uit Whatsapp-berichten van na 31 mei 2022 blijkt dat [eisende partij] ook na die datum nog op verschillende momenten instructies heeft gegeven met betrekking tot de bitcoin in de wallet. Zo blijkt uit de Whatsapp-berichten van 12 oktober 2022 en 1 februari 2024 dat [eisende partij] eerst instructie gaf om 0,48 bitcoin om te zetten in ripples en vervolgens om deze ripples weer om te zetten in bitcoin. Bovendien heeft [gedaagde partij] verklaard dat de 3,48 bitcoin, waarover op 31 mei 2022 wordt gesproken in Whatsapp-berichten, er nooit zijn geweest. 4.15. [eisende partij] heeft de in de Whatsapp-conversaties tussen hem en [gedaagde partij] gewisselde bestanden niet overgelegd en ook overigens heeft [eisende partij] geen stukken of andere informatie verschaft op basis waarvan de rechtbank zou kunnen vaststellen hoeveel bitcoin of andere crypto [gedaagde partij] op 23 december 2024 voor hem in bewaring zou moeten hebben gehad en wat deze op dat moment waard zouden zijn geweest. [eisende partij] heeft ook geen administratie bijgehouden van de bitcoin of andere crypto die [gedaagde partij] voor hem aanschafte, anders dan ‘in zijn hoofd’, zoals hij ter zitting heeft verklaard. 4.16. De rechtbank kan, gelet op dit alles, niet vaststellen wat de concrete omvang is van de schade (dus: de gemiste koerswinst) die [eisende partij] door het onrechtmatig handelen van [gedaagde partij] heeft geleden. Voor het geval partijen hier onderling niet uit kunnen komen en over de verdere afwikkeling van de schade van [eisende partij] geen regeling kunnen treffen, zal de rechtbank de zaak verwijzen naar de schadestaatprocedure. De mogelijkheid dat [eisende partij] schade heeft geleden en dat de omvang daarvan het bedrag van de terugbetaalde inleg met rente te boven gaat, heeft hij immers voldoende aannemelijk gemaakt (zie ook rov. 4.7). Meer is voor verwijzing naar de schadestaatprocedure niet nodig. 4.17. Als het tot een schadestaatprocedure komt, zal daar ook beoordeeld moeten worden of de door [eisende partij] gevorderde schade in zodanig verband met de onrechtmatige gedragingen van [gedaagde partij] staat dat deze aan [gedaagde partij] kan worden toegerekend in de zin van artikel 6:98 BW. Verder kan daar aan de orde komen of de door [gedaagde partij] vergoede rente op het schadebedrag in mindering moet worden gebracht en of sprake is van eigen schuld aan de zijde van [eisende partij] . In dat kader zullen de standpunten van [gedaagde partij] aan de orde kunnen komen dat het algemeen bekend is dat beleggen in crypto risico’s meebrengt en dat [eisende partij] nooit enige controle heeft uitgevoerd op de aankopen die [gedaagde partij] voor hem zou doen. Conclusie 4.18. De rechtbank zal voor recht verklaren dat [gedaagde partij] onrechtmatig jegens [eisende partij] heeft gehandeld door het geld van [eisende partij] , anders dan de voor [gedaagde partij] kenbare bedoeling was, voor eigen doeleinden te gebruiken en dit voor [eisende partij] te verhullen. [gedaagde partij] zal worden veroordeeld tot het betalen van een schadevergoeding, nader op te maken bij staat. Kosten 4.19. [eisende partij] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Het bedrag waar hij aanspraak op kan maken hangt echter af van de omvang van de in de schadestaatprocedure vast te stellen schade. Daarom kan de rechtbank in deze procedure het bedrag van de toe te wijzen buitengerechtelijke incassokosten niet definitief vaststellen. Dit zal eveneens in de (eventuele) schadestaatprocedure moeten gebeuren. 4.20. [gedaagde partij] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De rechtbank is, zoals gezegd, van oordeel dat [eisende partij] te weinig heeft aangevoerd om het door hem gevorderde schadebedrag in deze procedure te kunnen toewijzen en verwijst de zaak daarom naar de schadestaatprocedure. De rechtbank ziet daarin aanleiding om voor wat betreft het salaris advocaat uit te gaan van een vordering van onbepaalde waarde. De proceskosten van [eisende partij] worden dan ook begroot op: - kosten van de dagvaarding € 145,45 - griffierecht € 2.723,00 - salaris advocaat € 1.306,00 (2 punten Tarief II × € 653,00) - nakosten € 189,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 4.363,45 4.21. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing. 5 De beslissing De rechtbank 5.1. verklaart voor recht dat [gedaagde partij] jegens [eisende partij] aansprakelijk is voor de schade die door [eisende partij] is geleden en eventueel nog zal worden geleden als gevolg van de in rov. 4.3 en 4.4 omschreven onrechtmatige gedragingen van [gedaagde partij] , 5.2. veroordeelt [gedaagde partij] tot vergoeding aan [eisende partij] van die schade, op te maken bij staat, 5.3.
Volledig
2.10 genoemde Whatsapp-bericht aan een gemeenschappelijke vriend die tussen partijen bemiddelde. In dit bericht liet [eisende partij] aan deze vriend weten dat er geen vervolgstappen zullen worden ondernomen. Volgens [gedaagde partij] betekende dit dat met de terugbetaling van de inleg met rente de kous af was. [eisende partij] heeft ter zitting echter de volgende toelichting op dit Whatsapp-bericht gegeven. Om rust tussen partijen te creëren, is, met tussenkomst van een wederzijdse vriend en de ouders en de broer van [gedaagde partij] , een stappenplan afgesproken. Als eerste stap zou [gedaagde partij] de inleg terugbetalen conform de in de e-mail van 20 januari 2025 opgenomen terugbetalingsregeling (rov. 2.9). In ruil daarvoor zou [eisende partij] afzien van het doen van aangifte. Daarna zou in alle rust verder gesproken worden over de afwikkeling van de resterende schade. Het Whatsapp-bericht waarin hij schrijft af te zien van vervolgstappen betekent volgens [eisende partij] dan ook alleen dat hij geen aangifte zou doen. Verder wijst [eisende partij] erop dat hij op 7 april 2025, dus kort nadat de inleg met rente was terugbetaald, weer contact met [gedaagde partij] heeft opgenomen over de afwikkeling van de resterende schade, waaruit volgens hem ook blijkt dat hij geen afstand van zijn (resterende) aanspraak heeft gedaan (zie rov. 2.12). 4.11. De rechtbank is van oordeel dat [gedaagde partij] zijn stelling dat [eisende partij] afstand van zijn (resterende) vorderingsrecht heeft gedaan, onvoldoende heeft onderbouwd. Het enkele feit dat [eisende partij] aan een gemeenschappelijke vriend appte dat er geen vervolgstappen zouden worden ondernomen, is niet voldoende, aangezien [eisende partij] hieraan een andere uitleg heeft gegeven die de rechtbank, ook gelet op de andere contacten tussen partijen die uit het dossier blijken, niet onaannemelijk voorkomt. Voor de uitleg die [gedaagde partij] geeft aan het Whatsapp-bericht van [eisende partij] aan de gemeenschappelijke vriend zijn onvoldoende concrete aanknopingspunten te vinden in het dossier. Omvang van de schade / verwijzing naar schadestaatprocedure 4.12. Hiervoor heeft de rechtbank het onrechtmatig handelen en de schadeplichtigheid van [gedaagde partij] jegens [eisende partij] vastgesteld. [eisende partij] heeft zijn stellingen over de omvang van de door hem geleden schade echter te weinig onderbouwd om de door hem gevorderde schade in deze procedure te kunnen vaststellen en toewijzen. 4.13. Weliswaar is ter zitting komen vast te staan dat [eisende partij] op 23 december 2024 instructie gaf om 1,1 bitcoin te verkopen. Hij heeft echter niet duidelijk gemaakt of, en zo ja, op welk moment hij instructie gaf om de overige bitcoin waarover hij dacht te beschikken, te verkopen en wat die op die momenten zouden hebben opgeleverd. 4.14. Bovendien kan de rechtbank niet vaststellen hoeveel bitcoin er op dat moment, of op welk moment tussen 12 januari 2021 en 23 december 2024 dan ook, in de (gedeelde) wallet van [eisende partij] en [gedaagde partij] heeft gezeten of zou moeten hebben gezeten. Uit de Whatsapp-berichten van 31 mei 2022 blijkt dat [eisende partij] ervan uitging dat er op dat moment 3,48 bitcoin was. [eisende partij] stelt dat ook ten tijde van zijn instructie tot verkoop van 1,1 bitcoin van dit aantal moet worden uitgegaan. Maar uit Whatsapp-berichten van na 31 mei 2022 blijkt dat [eisende partij] ook na die datum nog op verschillende momenten instructies heeft gegeven met betrekking tot de bitcoin in de wallet. Zo blijkt uit de Whatsapp-berichten van 12 oktober 2022 en 1 februari 2024 dat [eisende partij] eerst instructie gaf om 0,48 bitcoin om te zetten in ripples en vervolgens om deze ripples weer om te zetten in bitcoin. Bovendien heeft [gedaagde partij] verklaard dat de 3,48 bitcoin, waarover op 31 mei 2022 wordt gesproken in Whatsapp-berichten, er nooit zijn geweest. 4.15. [eisende partij] heeft de in de Whatsapp-conversaties tussen hem en [gedaagde partij] gewisselde bestanden niet overgelegd en ook overigens heeft [eisende partij] geen stukken of andere informatie verschaft op basis waarvan de rechtbank zou kunnen vaststellen hoeveel bitcoin of andere crypto [gedaagde partij] op 23 december 2024 voor hem in bewaring zou moeten hebben gehad en wat deze op dat moment waard zouden zijn geweest. [eisende partij] heeft ook geen administratie bijgehouden van de bitcoin of andere crypto die [gedaagde partij] voor hem aanschafte, anders dan ‘in zijn hoofd’, zoals hij ter zitting heeft verklaard. 4.16. De rechtbank kan, gelet op dit alles, niet vaststellen wat de concrete omvang is van de schade (dus: de gemiste koerswinst) die [eisende partij] door het onrechtmatig handelen van [gedaagde partij] heeft geleden. Voor het geval partijen hier onderling niet uit kunnen komen en over de verdere afwikkeling van de schade van [eisende partij] geen regeling kunnen treffen, zal de rechtbank de zaak verwijzen naar de schadestaatprocedure. De mogelijkheid dat [eisende partij] schade heeft geleden en dat de omvang daarvan het bedrag van de terugbetaalde inleg met rente te boven gaat, heeft hij immers voldoende aannemelijk gemaakt (zie ook rov. 4.7). Meer is voor verwijzing naar de schadestaatprocedure niet nodig. 4.17. Als het tot een schadestaatprocedure komt, zal daar ook beoordeeld moeten worden of de door [eisende partij] gevorderde schade in zodanig verband met de onrechtmatige gedragingen van [gedaagde partij] staat dat deze aan [gedaagde partij] kan worden toegerekend in de zin van artikel 6:98 BW. Verder kan daar aan de orde komen of de door [gedaagde partij] vergoede rente op het schadebedrag in mindering moet worden gebracht en of sprake is van eigen schuld aan de zijde van [eisende partij] . In dat kader zullen de standpunten van [gedaagde partij] aan de orde kunnen komen dat het algemeen bekend is dat beleggen in crypto risico’s meebrengt en dat [eisende partij] nooit enige controle heeft uitgevoerd op de aankopen die [gedaagde partij] voor hem zou doen. Conclusie 4.18. De rechtbank zal voor recht verklaren dat [gedaagde partij] onrechtmatig jegens [eisende partij] heeft gehandeld door het geld van [eisende partij] , anders dan de voor [gedaagde partij] kenbare bedoeling was, voor eigen doeleinden te gebruiken en dit voor [eisende partij] te verhullen. [gedaagde partij] zal worden veroordeeld tot het betalen van een schadevergoeding, nader op te maken bij staat. Kosten 4.19. [eisende partij] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Het bedrag waar hij aanspraak op kan maken hangt echter af van de omvang van de in de schadestaatprocedure vast te stellen schade. Daarom kan de rechtbank in deze procedure het bedrag van de toe te wijzen buitengerechtelijke incassokosten niet definitief vaststellen. Dit zal eveneens in de (eventuele) schadestaatprocedure moeten gebeuren. 4.20. [gedaagde partij] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De rechtbank is, zoals gezegd, van oordeel dat [eisende partij] te weinig heeft aangevoerd om het door hem gevorderde schadebedrag in deze procedure te kunnen toewijzen en verwijst de zaak daarom naar de schadestaatprocedure. De rechtbank ziet daarin aanleiding om voor wat betreft het salaris advocaat uit te gaan van een vordering van onbepaalde waarde. De proceskosten van [eisende partij] worden dan ook begroot op: - kosten van de dagvaarding € 145,45 - griffierecht € 2.723,00 - salaris advocaat € 1.306,00 (2 punten Tarief II × € 653,00) - nakosten € 189,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 4.363,45 4.21. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing. 5 De beslissing De rechtbank 5.1. verklaart voor recht dat [gedaagde partij] jegens [eisende partij] aansprakelijk is voor de schade die door [eisende partij] is geleden en eventueel nog zal worden geleden als gevolg van de in rov. 4.3 en 4.4 omschreven onrechtmatige gedragingen van [gedaagde partij] , 5.2. veroordeelt [gedaagde partij] tot vergoeding aan [eisende partij] van die schade, op te maken bij staat, 5.3.