Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2026-03-26
ECLI:NL:RBDHA:2026:8321
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht Zaaknummers: NL25.45850 (beroep) NL25.45851 (voorlopige voorziening) V-nummer: [V-nummer] uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen [eiser] , geboren op [geboortedag] 1997, eiser/verzoeker, hierna: eiser (gemachtigde: mr. I.J.M. Oomen), en de minister van Asiel en Migratie, de minister (gemachtigde: mr. C. van Es). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: rechtbank) het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag en zijn verzoek om een voorlopige voorziening. 1.1. Eiser heeft op 12 augustus 2023 asiel aangevraagd. De minister heeft deze aanvraag met het bestreden besluit van 16 september 2025 afgewezen als kennelijk ongegrond. 1.2. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening 1.3. De rechtbank heeft het beroep en het verzoek op 11 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, M. Ogbamichael als tolk in de taal Tigrinya en de gemachtigde van de minister. 1.4. Op de zitting heeft de rechtbank het onderzoek geschorst, zodat de minister een verklaring van Bureau Documenten kon opvragen en de minister kon reageren op de nadere stellingen van eiser over de algemene veiligheidssituatie in Ethiopië. Op 23 februari 2026 heeft de minister een verklaring van Bureau Documenten ingediend en een reactie op de algemene veiligheidssituatie. 1.5. Vervolgens heeft eiser op 26 februari 2026 op de reactie van de minister gereageerd en verwezen naar verschillende rapporten. De rechtbank heeft de minister verzocht hierop te reageren. Dit heeft de minister op 5 maart 2026 gedaan en hij heeft hierbij een vergewisbrief ingediend. Ook heeft de minister aangegeven geen aanleiding te zien om het beroep nogmaals op zitting te behandelen. 1.6. De rechtbank heeft vervolgens op 11 maart 2026 aangegeven dat zij van oordeel is dat het niet nodig is om in deze zaak opnieuw een zitting te houden. De rechtbank heeft eiser tot 13 maart 2026 gegeven om aan te geven of hij op een nadere zitting gehoord wilde worden. Ook heeft de rechtbank aangegeven dat zij het onderzoek zal sluiten als zij niets van eiser verneemt binnen die termijn. 1.7. Eiser heeft niet gereageerd. Daarom heeft de rechtbank op 16 maart 2026 het onderzoek gesloten en aangegeven binnen twee weken, dus uiterlijk 30 maart 2026, uitspraak te doen. Beoordeling door de rechtbank 2.1. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser. 2.2. Naar het oordeel van de rechtbank is het beroep gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Achtergrond 3 . Eiser is geboren op [geboortedag] 1997. Hij heeft zijn gehele leven in Ethiopië gewoond met zijn Eritrese vader en Ethiopische moeder. Eiser heeft Ethiopië op 9 februari 2017 verlaten. Eiser is via Sudan, Libië, Tunesië, Italië, Frankrijk en België naar Nederland gereisd waar hij in augustus 2023 is aangekomen. Asielrelaas 4. Eiser heeft het volgende aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd. Eiser stelt dat hij is geboren uit een Eritrese vader en een Ethiopische moeder. Op grond van de Eritrese en Ethiopische nationaliteitswetgeving heeft hij daardoor bij geboorte beide nationaliteiten gekregen. Eiser heeft verklaard dat hij op zijn achttiende niet actief heeft gekozen voor de Ethiopische nationaliteit, en dat hij deze daardoor is verloren. Eiser heeft door zijn Eritrese nationaliteit discriminatie ervaren in Ethiopië. Besluitvorming 5.1. Het asielrelaas bevat volgens de minister de volgende relevante elementen: 1. De identiteit, nationaliteit en herkomst; 2. Problemen vanwege het niet hebben van een nationaliteit. 5.2. De minister vindt de identiteit van eiser niet geloofwaardig, maar zijn Ethiopische nationaliteit en herkomst wel. De minister stelt dat op basis van De minister mag in beginsel uitgaan van de juistheid van dit advies, maar moet wel nagaan of het advies op een zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, of de redenering daarin begrijpelijk is, en of de getrokken conclusies daarop aansluiten. Een vreemdeling kan deze onderwerpen van een deskundigenadvies betwisten door middel van een contra-expertise, dan wel door concrete aanknopingspunten voor inhoudelijke twijfel aan te voeren. In dat geval mag het bestuursorgaan niet zonder nadere motivering op het advies afgaan. Zo nodig vraagt het orgaan de opsteller van het advies een reactie op wat over het advies is aangevoerd. 7.1.4. De rechtbank is van oordeel dat eiser met de verwijzing naar het Zwitserse rapport concrete aanknopingspunten voor inhoudelijke twijfel heeft aangevoerd ten aanzien van het advies van Bureau Documenten. In dit rapport wordt zeer uitgebreid ingegaan op de kenmerken van de Eritrese identiteitskaart. De rechtbank ziet hierin overeenkomsten met de kopie van de identiteitskaart van de vader. Zowel de foto’s, beschrijving en het geponste gaatje lijken overeen te komen met de kopie van de identiteitskaart van de vader van eiser. In de vergewisbrief wordt niet ingegaan op dit concrete aanknopingspunt voor twijfel. Het enige wat in de vergewisbrief staat is: ‘Na heden inzage te hebben verkregen in de onderliggende stukken van deze verklaring, kom ik tot de conclusie dat de verklaring van onderzoek inhoudelijk inzichtelijk is.’ Hieruit blijkt niet of en hoe het rapport is betrokken bij dit standpunt. 7.1.5. Voor zover de minister erop wijst dat eiser enkel een niet vertaalde kopie van de identiteitskaart van zijn gestelde vader heeft ingebracht, wijst de rechtbank erop dat niet verlangd kan worden dat eiser de identiteitskaart van een andere persoon in origineel overlegt. Daarnaast is de identiteitskaart in het nader gehoor door de tolk vertaald en besproken en heeft de minister er toen niet op gewezen dat een nadere vertaling noodzakelijk was. De rechtbank kan deze tegenwerpingen dan ook niet volgen. De beroepsgrond slaagt. De minister heeft onvoldoende gemotiveerd dat aan de overgelegde identiteitskaart geen waarde toekomt. Geboorteakte van eiser 7.2. Dan blijft over het standpunt van de minister dat uit de overgelegde identiteitskaart niet blijkt van de familierechtelijke relatie tussen de persoon op die kaart en eiser. In dat verband is de door eiser overgelegde kopie van zijn geboorteakte van belang. 7.2.1. Volgens de minister kan de familierechtelijke relatie niet onderbouwd worden met de geboorteakte omdat het een kopie is en omdat deze niet is vertaald. De minister kan dus niet verifiëren of de naam van de gestelde vader van eiser hierop staat. 7.2.2. Eiser voert aan dat de minister onjuiste waarde hecht aan zijn overgelegde geboorteakte. Hij stelt dat hij hiermee een bewijs heeft overgelegd van zijn afstamming, en dus zijn nationaliteit. Op de geboorteakte van eiser staat namelijk de naam van zijn vader vermeld, die komt overeen met de naam op de identiteitskaart. Dat de geboorteakte niet vertaald is, kan eiser niet volgen, aangezien de geboorteakte tijdens het nader gehoor samen met de tolk is bekeken. Ook heeft eiser erop gewezen dat het gek is dat aan de geboorteakte wel waarde wordt gehecht voor het aannemen van de Ethiopische nationaliteit, maar niet voor de familierechtelijke relatie met zijn vader en (dus) de Eritrese nationaliteit. 7.2.3. De rechtbank kan het standpunt van de minister ten aanzien van de geboorteakte niet volgen. De minister heeft er namelijk zelf voor gekozen om de geboorteakte, zoals die is overgelegd, dat wil zeggen een onvertaalde kopie, wel deel uit te laten maken van de besluitvorming. De minister heeft mede op basis van de geboorteakte de Ethiopische nationaliteit van eiser aannemelijk gevonden. Tegelijkertijd acht de minister de geboorteakte onvoldoende om de familierelatie tussen eiser en zijn vader aan te nemen omdat het een onvertaalde kopie is. De rechtbank kan dit niet v