Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2026-01-19
ECLI:NL:RBDHA:2026:826
RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 25/7612 uitspraak van de voorzieningenrechter van 19 januari 2026 in de zaak tussen Midden-Delfland Vereniging, te Schipluiden, verzoekster en het college van burgemeester en wethouders van Midden-Delfland, het college (gemachtigden: [naam 1] en [naam 2]). Als derde-partij neemt aan de zaak deel: Landbouwbedrijf Dijkpolder B.V., te Maassluis (vergunninghoudster). Samenvatting 1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over een verleende omgevingsvergunning voor de uitbreiding van een melkveestal. Verzoekster is het hier niet mee eens. Zij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of hij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt hij aan de hand van de gronden van verzoekster. 1.1. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek toe. Naar voorlopig oordeel moet worden betwijfeld of de verleende omgevingsvergunning in bezwaar in stand zal kunnen blijven, omdat daaraan een zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek kleeft. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. Procesverloop 2. Met het bestreden besluit van 24 juli 2025 heeft het college vergunninghoudster een omgevingsvergunning verleend voor het uitbreiden van een melkveestal aan de [adres] te [plaats] . Deze omgevingsvergunning is verleend voor de activiteiten “Bouwactiviteit (omgevingsplan)” en “Bouwactiviteit (technisch)”. De bestaande stal met een oppervlak van 1836 m2 wordt uitgebreid tot 3592 m2. De maximale bouwhoogte bedraagt 10 meter. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 9 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [naam 3] en [naam 4] namens verzoekster en de gemachtigden van het college. Beoordeling door de voorzieningenrechter Spoedeisend belang 3. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als onverwijlde spoed dat vereist. Daarvan is onder meer sprake als zonder het treffen van een voorlopige voorziening sprake is van onomkeerbare gevolgen die met zich meebrengen dat de uitkomst van de bezwaarprocedure niet kan worden afgewacht. 3.1. Uit een e-mailbericht van het college van 23 december 2025 en uit hetgeen op zitting is besproken, blijkt dat vergunninghoudster reeds is gestart met de uitvoering van het bouwplan. Vergunninghoudster is niet bereid met (verdere) uitvoering van de werkzaamheden te wachten tot na het besluit op bezwaar. Het college heeft op zitting kenbaar gemaakt dat nog niet bekend is wanneer een besluit op bezwaar zal worden genomen. Gelet hierop en nu bij verdere uitvoering van de werkzaamheden sprake is van gevolgen die zich bezwaarlijk ongedaan laten maken, heeft verzoekster een voldoende spoedeisend belang bij haar verzoek. Ontvankelijkheid bezwaar 4. Het college heeft zich aanvankelijk op het standpunt gesteld dat het bezwaar van verzoekster te laat is ingediend en dat dit niet-ontvankelijk zal worden verklaard. Ter zitting heeft het college echter toegelicht dat het is teruggekomen van dit standpunt en dat het bezwaar van verzoekster inhoudelijk zal worden beoordeeld. Vaststaat dat de omgevingsvergunning is verleend op 24 juli 2025, maar dat deze pas op 27 augustus 2025 is gepubliceerd in het Gemeenteblad. Niet in geschil is dat verzoekster vóór die datum niet op de hoogte kon zijn van de omgevingsvergunning. Verzoekster heeft op 15 september 2025 bezwaar gemaakt tegen de omgevingsvergunning. Gelet hierop g Uit de toelichting bij dit bestemmingsplan blijkt echter dat op de verbeelding slechts de dubbelbestemmingen zijn weergegeven die zijn gewijzigd ten opzichte van bestemmingsplan [bestemmingsplan 2]. Als op een locatie uitsluitend een dubbelbestemming zichtbaar is, betekent dit volgens de toelichting dat de onderliggende enkelbestemming uit bestemmingsplan [bestemmingsplan 2] op deze locatie van toepassing is gebleven. Voor het betrokken perceel zou dit betekenen dat de enkelbestemming “Agrarisch met waarden” die in bestemmingsplan [bestemmingsplan 2] aan deze locatie is toegekend, van toepassing is. Met betrekking tot die bestemming gelden wel de regels zoals die zijn herzien met bestemmingsplan [bestemmingsplan 3]. 7.3. Tussen partijen is niet in geschil dat die enkelbestemming van toepassing is en ook de voorzieningenrechter gaat daarvan uit. De voorzieningenrechter ziet in de omstandigheid dat het college het bouwplan ten onrechte heeft getoetst aan het bestemmingsplan [bestemmingsplan 1] geen aanleiding om de omgevingsvergunning te schorsen. Het gaat hier om een gebrek dat naar verwachting in de bezwaarfase kan worden hersteld. Hierbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat de bestemming “Agrarisch met waarden”, waarvan het college is uitgegaan, overeenkomt met deze bestemming in het bestemmingsplan [bestemmingsplan 3]. 8. Ingevolge artikel 3.1 van het bestemmingsplan [bestemmingsplan 3] zijn de voor “Agrarisch met waarden” aangewezen gronden onder meer bestemd voor: de uitoefening van een agrarisch bedrijf zoals genoemd in artikel 1 lid 1.10 onder b, met dien verstande dat bestaande paardenfokkerijen zoals genoemd in artikel 1 lid 1.10 onder c tevens zijn toegestaan; het behoud en herstel van landschaps- en cultuurhistorische waarden in de vorm van: 1. open weidelandschap; 2. karakteristiek slotenpatroon; 3. verkavelingspatroon; 4. zichtlijnen; 5. karakteristieke boerderijopritten; 6. verbinding tussen stad en platteland; 7. kreekruggen; 8. historische kades 9. terpen; 10. kerkenpaden; 11. kasteelwerven; 12. molenwerven; 13. de specifieke ruimtelijke kwaliteiten per polder zoals omschreven in het Landschapsontwikkelingsperspectief. 8.1. De voorzieningenrechter stelt vast dat de aanvraag louter de verlenging van een bestaande melkveestal betreft. Uit de aanvraag blijkt afdoende dat een verlenging van de bestaande stal is aangevraagd met de bedoeling hier melkvee te stallen. Een melkveehouderij is een functie die op grond van artikel 3.1, sub a, van de planregels is toegestaan. Het betoog slaagt daarom niet. Is het bouwplan in strijd met artikel 3.1, aanhef en onder b, van het bestemmingsplan? 9. Verzoekster voert aan dat met de beoogde staluitbreiding de nu nog bestaande openheid van het landschap ter plaatse van boerderij [naam boerderij] in belangrijke mate teniet wordt gedaan. Bij realisatie van het bouwplan ontstaat volgens verzoekster een bouwwerk met een lengte van 90 meter en een hoogte van 9 tot 10 meter. Het zicht vanaf (het begin van) de [straatnaam 1] naar het zuiden (evenwijdig aan de [straatnaam 2]) zal worden afgesneden. Ook het zicht van de [straatnaam 1] naar de [straatnaam 2] ('diagonaal') en vice versa wordt belemmerd. Deze zichtlijnen worden in het Landschapsontwikkelingsperspectief van de gemeente Midden-Delfland als belangrijk aangemerkt, aldus verzoekster. 9.1. De voorzieningenrechter overweegt dat in het bestreden besluit is opgenomen dat het bouwplan voldoet aan de regels van het tijdelijk deel van het Omgevingsplan. Dit standpunt is in dat besluit echter niet nader toegelicht. Of het college met betrekking tot artikel 3.1, aanhef en onder b, van de planregels een beoordeling heeft gemaakt, blijkt niet uit het bestreden besluit. Dit betekent naar voorlopig oordeel dat aan het besluit van 24 juli 2025 een zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek kleeft. Op de zitting heeft het college het standpunt ingenomen dat het bouwplan wel is getoetst aan artikel 3.1, aanhef en onder b, van de planregels.