Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2026-04-03
ECLI:NL:RBDHA:2026:8185
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht Zaaknummers: NL26.8361 (beroep) NL26.8362 (voorlopige voorziening) NL26.8363 (beroep) NL26.8364 (voorlopige voorziening) V-nummer: [V-nummer 1] [V-nummer 2] [V-nummer 3] uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen [eiseres] , geboren op [geboortedag 1] 1989, van Sri Lankaanse nationaliteit, eiseres/verzoekster (eiseres) [eiser 1] , geboren op [geboortedag 2] 1988, van Sri Lankaanse nationaliteit, eiser/verzoeker (eiser) mede namens hun minderjarige kind: [eiser 2] , geboren op [geboortedag 3] 2025, van onbekende nationaliteit, eiser/verzoeker (het kind) hierna samen te noemen: eisers (gemachtigde: mr. E. Derksen), en de minister van Asiel en Migratie, de minister (gemachtigde: mr. S.S.H. Orsel). Inleiding 1. Bij besluiten van 13 februari 2026 (de bestreden besluiten) heeft de minister de aanvragen van eisers tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. 1.1. Eisers hebben tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld. Daarnaast hebben zij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt de overdracht aan Frankrijk te verbieden totdat op de beroepen is beslist. 1.2. De rechtbank/voorzieningenrechter (de rechtbank) heeft de zaken op 24 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van eisers, A.P. Shantan als tolk in de taal Tamil en de gemachtigde van de minister. Beoordeling door de rechtbank 2. De rechtbank beoordeelt in deze zaken het niet in behandeling nemen van de asielaanvragen van eisers en hun verzoeken om een voorlopige voorziening. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eisers. 3. De rechtbank is van oordeel dat de besluiten gegrond zijn en vernietigt de bestreden besluiten, maar laat de rechtsgevolgen van de vernietigde besluiten in stand. Dat betekent dat de besluiten tot het niet in behandeling nemen van hun asielaanvraag in stand blijven. De verzoeken worden afgewezen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De bestreden besluiten 4. Op 1 september 2025 hebben eisers een asielaanvraag ingediend in Nederland. De minister heeft de bestreden besluiten gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vw. Daarin staat dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van de Dublinverordening is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Uit Eurodac is gebleken dat eisers een verzoek om internationale bescherming hebben ingediend in Frankrijk. Nederland heeft daarom op 29 oktober 2025 de autoriteiten van Frankrijk verzocht om eisers terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid en onder b, van de Dublinverordening. Op 11 november 2025 zijn de autoriteiten van Frankrijk hiermee akkoord gegaan op grond van artikel 18, eerste lid en onder d, van de Dublinverordening. Effectieve rechtsbijstand en het zorgvuldigheidsbeginsel 5. Eisers stellen zich allereerst op het standpunt dat er sprake is van een schending van artikel 27 van de Dublinverordening, artikel 47 van het Handvest en het zorgvuldigheidsbeginsel. Eisers zijn feitelijk niet in staat geweest om het aanmeldgehoor en het voornemen te bespreken en een zienswijze op te stellen, waardoor de effectiviteit van de rechtsbijstand wezenlijk is aangetast. Eisers beschikken over zeer beperkt leefgeld en kunnen de reiskosten naar hun gemachtigde zelf niet dragen. De gemachtigde van eisers heeft de uitnodigingen voor de bespreking op haar kantoor per post en e-mail verstuurd naar eisers, maar op vertoon hiervan werd hun door het COA geen reiskaart verstrekt. Op de zitting heeft de gemachtigde van eisers verder toegelicht dat zij zelf, alsmede Vluchtelingenwerk Nederland, contact heeft opgenomen met het COA ma Dat belang is echter niet in geding. Op grond van artikel 20, derde lid, van de Dublinverordening is de situatie van het kind onlosmakelijk verbonden met die van zijn ouders. 6.2. De rechtbank begrijpt het standpunt van eisers zo dat zij, met hun kind, geen opvang zullen krijgen in Frankrijk en dat ook daar het belang van hun kind in gelegen ligt. De rechtbank oordeelt dat de Franse autoriteiten met het claimakkoord in beginsel verantwoordelijk zijn voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming van eisers. Dit is alleen anders als moet worden gevreesd dat de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Frankrijk systeemfouten bevatten die resulteren in onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest, waarbij een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid geldt. In de uitspraken van 4 september 2024 heeft de Afdeling geoordeeld dat het in de eerste plaats aan de vreemdeling is om het vermoeden te weerleggen dat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. 6.3. De rechtbank stelt voorop dat volgens Afdelingsrechtspraak ten aanzien van Frankijk nog altijd kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. In deze uitspraken heeft de Afdeling geoordeeld dat alhoewel er wel kan worden aangenomen dat sprake was van aan het systeem gerelateerde tekortkomingen in Frankijk, niet is gebleken dat die problemen dusdanig structureel en ernstig zijn, dat bij overdracht aan Frankrijk op voorhand sprake is van een reëel risico op schending van artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest. Het beroep van eisers op het meest recente AIDA-rapport, update 2024 van juni 2025 maakt dat niet anders. De Afdeling heeft bij uitspraak van 31 juli 2025 geoordeeld dat dit rapport geen wezenlijk ander beeld schetst dan de landeninformatie die de Afdeling bij de uitspraak van 30 augustus 2024 heeft betrokken. De rechtbank ziet in hetgeen eisers hebben aangevoerd geen reden om hier anders over te oordelen. Eisers hebben niet aannemelijk gemaakt dat zij na overdracht geen opvang zullen krijgen. De eerdere ervaring van eisers acht de rechtbank in het licht van de landeninformatie onvoldoende. Als eisers en hun kind toch problemen ervaren in het kader van de opvangvoorzieningen, dan ligt het op hun weg om daarover de Franse autoriteiten te benaderen. Niet is gebleken dat klagen of het vragen van hulp bij de Franse autoriteiten voor eisers niet mogelijk is of dat dit bij voorbaat zinloos zal zijn. De beroepsgrond slaagt niet. Verantwoordelijkheid Nederland omdat aanvraag inhoudelijk in behandeling is genomen 7. Eisers voeren verder aan dat de minister op 23 november 2025 een verklaring als bedoeld in artikel 34, derde lid, van de Dublinverordening aan hen heeft voorgelegd en dat zij deze hebben ondertekend. De gemachtigde van eisers heeft op de zitting desgevraagd verklaard dat zij hiermee geen beroep doet op het vertrouwensbeginsel, maar dat de minister aldus is aangevangen met de inhoudelijke behandeling van de asielverzoeken, zodat er geen mogelijkheid meer bestond om een andere lidstaat verantwoordelijk te houden. 7.1. De rechtbank volgt eisers niet in hun stelling dat de minister is aangevangen met de inhoudelijke behandeling van de asielaanvragen. Uit jurisprudentie van de Afdeling volgt dat niet snel wordt aangenomen dat Nederland is aangevangen met de inhoudelijke behandeling van het asielverzoek, zolang de procedure waarbij wordt bepaald welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van het asielverzoek nog niet is afgerond. In een van deze zaken was er een nader gehoor en aanvullend gehoor afgenomen en een inhoudelijk voornemen tot afwijzing van de aanvraag uitgebracht voordat de Dublinclaim werd gelegd. Desondanks oordeelde de Afdeling dat de procedure waarbij wordt bepaald welke lidstaat verantwoordelijk is nog niet was afgerond en dat een andere lidstaat verantwoordelijk kon worden gehouden. In een andere zaak oordeelde