Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-04-07
ECLI:NL:RBDHA:2026:8166
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Vereenvoudigde behandeling
1,646 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBDHA:2026:8166 text/xml public 2026-04-07T15:35:20 2026-04-07 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-04-07 NL26.4439 Uitspraak Vereenvoudigde behandeling NL Groningen Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:8166 text/html public 2026-04-07T15:34:54 2026-04-07 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:8166 Rechtbank Den Haag , 07-04-2026 / NL26.4439 BNT asiel RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummer: NL26.6391 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam], eiseres, V-nummer: [nummer], (gemachtigde: mr. V.L. van Wieringen), en de minister van Asiel en Migratie, de minister. Inleiding 1. In een eerdere procedure heeft deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, het beroep van eiseres tegen het niet tijdig nemen van een besluit gegrond verklaard. In deze uitspraak is bepaald dat de minister binnen een termijn van zestien weken alsnog een besluit moet nemen op de asielaanvraag. Daarin heeft de rechtbank ook bepaald dat als de minister niet op tijd een besluit neemt, hij een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag dat de beslistermijn wordt overschreden, met een maximum van € 15.000,-. 1.1. Deze uitspraak gaat over het tweede beroep dat eiseres heeft ingediend, omdat de minister niet op tijd zou hebben beslist op de asielaanvraag van 29 april 2024. 1.2. De rechtbank doet uitspraak zonder zitting. Beoordeling door de rechtbank Is het beroep ontvankelijk en gegrond? 2. Voorafgaand aan het instellen van een beroep tegen het niet tijdig beslissen moet eiseres de minister door middel van een ingebrekestelling laten weten dat hij binnen twee weken alsnog op de aanvraag moet beslissen. Bij een tweede beroep tegen het niet tijdig beslissen op dezelfde aanvraag is een nieuwe ingebrekestelling echter niet nodig. 3. In de uitspraak van 29 september 2025 heeft de rechtbank de minister een beslistermijn opgelegd van zestien weken. De minister heeft niet binnen deze termijn een besluit op de aanvraag genomen. 4. Het beroep is ontvankelijk en kennelijk gegrond. Welke beslistermijn legt de rechtbank de minister op? 5. De minister moet alsnog een besluit nemen op de aanvraag. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft geoordeeld dat bij het bepalen van een nieuwe beslistermijn rekening moet worden gehouden met het ‘8+8 wekenmodel’. 6. De rechtbank oordeelt dat in de gevallen waarin, zoals hier, de bovengrens van 21 maanden is overschreden een kortere beslistermijn passend is. Dat leidt ertoe dat de minister in dit geval binnen een termijn van acht weken een besluit moet nemen. De termijn begint op de dag na het bekendmaken van deze uitspraak. Welke dwangsom legt de rechtbank op? 7. De rechtbank legt alleen een rechterlijke dwangsom op. 8. De rechtbank bepaalt dat de minister een dwangsom van € 100,- per dag moet betalen als hij de door de rechtbank opgelegde beslistermijn overschrijdt. Hierbij geldt een maximum van € 15.000,-. De rechtbank overweegt dat deze dwangsom redelijk is. De dwangsom is bedoeld als prikkel om het bestuursorgaan te bewegen een besluit te nemen. In de meeste gevallen is een dwangsom van € 100,- per dag met een maximum van € 15.000,- daarvoor voldoende. In het feit dat de eerder opgelegde dwangsom niet heeft geleid tot het nemen van een besluit ziet de rechtbank in dit geval nog geen aanleiding voor een verhoging van de dwangsom. 9. Omdat de bij uitspraak van 29 september 2026 opgelegde rechterlijke dwangsom nog niet volledig is volgelopen, oordeelt de rechtbank dat de bij onderhavige uitspraak op te leggen rechterlijke dwangsom aanvangt vanaf de dag nadat de eerder opgelegde rechterlijke dwangsom volledig is volgelopen, dat is op 19 juni 2026. Dit betekent dat de bij deze uitspraak op te leggen rechterlijke dwangsom aanvangt op 20 juni 2026. Conclusie en gevolgen 10. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiseres gelijk krijgt en de minister acht weken de tijd krijgt om alsnog een besluit te nemen. Doet de minister dat niet, dan is hij aan eiseres een dwangsom verschuldigd. 11. De minister moet de door eiseres gemaakte proceskosten vergoeden. De rechtbank stelt de wegingsfactor die gebruikt wordt bij het bepalen van de hoogte van die proceskostenvergoeding op 0,25. Hiertoe ziet zij aanleiding omdat de omvang van de werkzaamheden die redelijkerwijs nodig zijn voor een opvolgend beroep wegens niet tijdig beslissen in beginsel beperkter zijn dan voor een eerste beroep. Dat betekent dat de proceskostenvergoeding zal worden vastgesteld op €233,50. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep gegrond; vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit; draagt de minister op om binnen vier weken na de dag van het bekendmaken van deze uitspraak alsnog een besluit op de aanvraag bekend te maken; bepaalt dat de minister aan eiseres met ingang van 20 juni 2026 een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-; veroordeelt de minister in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 233,50-. Deze uitspraak is gedaan door mr. T.F. Bruinenberg, rechter, in aanwezigheid van A.W. Landman, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl. Deze uitspraak is bekendgemaakt op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden. NL25.28968 Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Artikel 6:12, aanhef en onder b, en artikel 6:12, tweede lid, van de Awb. Vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, zie bijvoorbeeld ECLI:NL:RVS:2019:673. Artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder b, van de Awb. ECLI:NL:RVS:2020:1560. Artikel 31, vijfde lid, van de Procedurerichtlijn. ECLI:NL:RVS:2022:3352 en ECLI:NL:RVS:2022:3353. Artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb. Zie r.o. 6.2 ECLI:NL:RBDHA:2025:22665 Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door de gemachtigde verleende rechtsbijstand, waarbij 1 punt is gerekend voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor van 0,25.