Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-04-01
ECLI:NL:RBDHA:2026:8165
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,209 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:8165 text/xml public 2026-04-16T11:18:20 2026-04-07 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-04-01 SGR 26/2312 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Voorlopige voorziening NL Den Haag Bestuursrecht; Omgevingsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:8165 text/html public 2026-04-16T11:17:39 2026-04-16 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:8165 Rechtbank Den Haag , 01-04-2026 / SGR 26/2312 Voorlopige voorziening afgewezen; gebonden beschikking. RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 26/2312 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 1 april 2026 op het verzoek om een voorlopige voorziening in de zaak tussen [verzoeker], te [woonplaats], verzoeker en het college van burgemeester en wethouders van Zoetermeer, het college (gemachtigde: mr. C.T. Kreffer). Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde-partij] , te [woonplaats] (vergunninghouder). Inleiding 1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker met betrekking tot een omgevingsvergunning voor het realiseren van een aanbouw bij de woning aan [adres] te [plaats]. 1.1. Met het bestreden besluit van 4 maart 2026 heeft het college deze omgevingsvergunning verleend aan vergunninghouder. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt. 1.2. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 1 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van het college en vergunninghouder. 1.3. Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk mondeling uitspraak gedaan. Beoordeling door de voorzieningenrechter 2. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. 3. Verzoeker voert aan dat door de aanbouw veel minder zonlicht zijn woonkamer en tuin zal bereiken, de wind in zijn tuin zal toenemen en zijn woning in waarde zal verminderen. 4. Het college stelt zich op het standpunt dat de vergunning terecht en op goede gronden is verleend, nu de aanbouw niet in strijd is met de voorschriften uit het geldende Omgevingsplan en voldoet aan redelijke eisen van welstand. 4.1. De aangevraagde omgevingsvergunning betreft de omgevingsplanactiviteit “bouwen”. Als een bouwwerk voldoet aan de regels die in het Omgevingsplan zijn gesteld, mag een dergelijke omgevingsvergunning niet worden geweigerd . Er is in dat geval sprake van een zogenoemde gebonden beschikking. Het college heeft dan geen ruimte om de belangen die voor of tegen het verlenen van de omgevingsvergunning pleiten – waaronder de belangen die verzoeker in deze procedure naar voren heeft gebracht – tegen elkaar af te wegen. 4.2. De voorzieningenrechter stelt vast dat niet in geschil is dat het bouwwerk voldoet aan de bouw- en gebruiksregels van het Omgevingsplan: de aanbouw is bedoeld om in te wonen, er wordt gebouwd binnen het bouwvlak en de maximale bouwhoogte van 15 meter wordt niet overschreden. Evenmin is in geschil dat de aanbouw voldoet aan redelijke eisen van welstand. 4.3. Dat betekent dat het college de omgevingsvergunning in dit geval naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter terecht heeft verleend. 4.4. Er is daarom geen grond om deze vergunning bij wijze van voorlopige voorziening te schorsen. Conclusie en gevolgen 5. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat de vergunning niet wordt geschorst en dat vergunninghouder – op eigen risico – mag beginnen met de bouwactiviteiten. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. 6. Partijen zijn erop gewezen dat tegen deze mondelinge uitspraak geen hoger beroep of verzet openstaat. Beslissing De voorzieningenrechter wijst het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 1 april 2026 door mr. A.C. de Winter, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van E.T. Rietbroek, griffier. griffier voorzieningenrechter Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open. Dit volgt uit artikel 8.0a, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl)
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:8165 text/xml public 2026-04-16T11:18:20 2026-04-07 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-04-01 SGR 26/2312 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Voorlopige voorziening NL Den Haag Bestuursrecht; Omgevingsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:8165 text/html public 2026-04-16T11:17:39 2026-04-16 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:8165 Rechtbank Den Haag , 01-04-2026 / SGR 26/2312 Voorlopige voorziening afgewezen; gebonden beschikking. RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 26/2312 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 1 april 2026 op het verzoek om een voorlopige voorziening in de zaak tussen [verzoeker], te [woonplaats], verzoeker en het college van burgemeester en wethouders van Zoetermeer, het college (gemachtigde: mr. C.T. Kreffer). Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde-partij] , te [woonplaats] (vergunninghouder). Inleiding 1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker met betrekking tot een omgevingsvergunning voor het realiseren van een aanbouw bij de woning aan [adres] te [plaats]. 1.1. Met het bestreden besluit van 4 maart 2026 heeft het college deze omgevingsvergunning verleend aan vergunninghouder. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt. 1.2. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 1 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van het college en vergunninghouder. 1.3. Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk mondeling uitspraak gedaan. Beoordeling door de voorzieningenrechter 2. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. 3. Verzoeker voert aan dat door de aanbouw veel minder zonlicht zijn woonkamer en tuin zal bereiken, de wind in zijn tuin zal toenemen en zijn woning in waarde zal verminderen. 4. Het college stelt zich op het standpunt dat de vergunning terecht en op goede gronden is verleend, nu de aanbouw niet in strijd is met de voorschriften uit het geldende Omgevingsplan en voldoet aan redelijke eisen van welstand. 4.1. De aangevraagde omgevingsvergunning betreft de omgevingsplanactiviteit “bouwen”. Als een bouwwerk voldoet aan de regels die in het Omgevingsplan zijn gesteld, mag een dergelijke omgevingsvergunning niet worden geweigerd . Er is in dat geval sprake van een zogenoemde gebonden beschikking. Het college heeft dan geen ruimte om de belangen die voor of tegen het verlenen van de omgevingsvergunning pleiten – waaronder de belangen die verzoeker in deze procedure naar voren heeft gebracht – tegen elkaar af te wegen. 4.2. De voorzieningenrechter stelt vast dat niet in geschil is dat het bouwwerk voldoet aan de bouw- en gebruiksregels van het Omgevingsplan: de aanbouw is bedoeld om in te wonen, er wordt gebouwd binnen het bouwvlak en de maximale bouwhoogte van 15 meter wordt niet overschreden. Evenmin is in geschil dat de aanbouw voldoet aan redelijke eisen van welstand. 4.3. Dat betekent dat het college de omgevingsvergunning in dit geval naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter terecht heeft verleend. 4.4. Er is daarom geen grond om deze vergunning bij wijze van voorlopige voorziening te schorsen. Conclusie en gevolgen 5. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat de vergunning niet wordt geschorst en dat vergunninghouder – op eigen risico – mag beginnen met de bouwactiviteiten. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. 6. Partijen zijn erop gewezen dat tegen deze mondelinge uitspraak geen hoger beroep of verzet openstaat. Beslissing De voorzieningenrechter wijst het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 1 april 2026 door mr. A.C. de Winter, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van E.T. Rietbroek, griffier. griffier voorzieningenrechter Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open. Dit volgt uit artikel 8.0a, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl)