Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-03-31
ECLI:NL:RBDHA:2026:8081
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Voorlopige voorziening
1,699 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:8081 text/xml public 2026-04-16T09:05:20 2026-04-07 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-03-31 NL26.9640 Uitspraak Voorlopige voorziening NL Den Haag Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:8081 text/html public 2026-04-16T09:04:38 2026-04-16 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:8081 Rechtbank Den Haag , 31-03-2026 / NL26.9640 Verzoek om een voorlopige voorziening - gecombineerde vergunning voor verblijf en arbeid voor werkzaamheden bij een Aziatisch restaurant - verweerder verzet zich niet tegen toewijzing - verzoek toegewezen RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: NL26.9640 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [verzoeker] , V-nummer: [v-nummer] , verzoeker (gemachtigde: mr. A.G. Kleijweg), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. T. Stelpstra). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker. Hij heeft op 27 oktober 2025 een aanvraag ingediend voor een gecombineerde vergunning voor verblijf en arbeid (GVVA) om als kok werkzaamheden te verrichten bij een Aziatisch restaurant (referent). Verweerder heeft deze aanvraag bij besluit van 16 februari 2026 afgewezen. 1.1. Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit bezwaar gemaakt. Hij heeft ook dit verzoek om een voorlopige voorziening ingediend, waarin hij de rechtbank verzoekt verweerder te gebieden dat verzoeker gedurende de bezwaarperiode mag werken bij referent. 1.2. Bij brief van 27 maart 2026 heeft verweerder aangegeven zich niet te verzetten tegen de toewijzing van de verzochte voorlopige voorziening. 1.3. Beide partijen hebben vervolgens aangegeven dat zij een zitting niet nodig vinden. De voorzieningenrechter heeft daarom het onderzoek gesloten en doet uitspraak zonder zitting. Beoordeling door de voorzieningenrechter 2. Nu verweerder heeft aangegeven zich niet te verzetten tegen de toewijzing van het verzoek om een voorlopige voorziening, zal de voorzieningenrechter het verzoek toewijzen. Dat betekent dat verweerder verzoeker moet toestaan te werken zolang nog niet op het bezwaar is beslist. 3. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1). 4. Ook bepaalt de voorzieningenrechter dat verweerder het door verzoeker betaalde griffierecht van € 200,- moet vergoeden. Beslissing De voorzieningenrechter: wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe, in die zin dat verweerder verzoeker aldus dient te behandelen dat hij mag werken bij referent en in Nederland mag verblijven totdat op het bezwaar is beslist; bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 200,- aan verzoeker moet vergoeden; veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 934,-. Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M.A. Vinken, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H.S. van Wessel, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open. Op grond van artikel 8:57 van de Awb.
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:8081 text/xml public 2026-04-16T09:05:20 2026-04-07 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-03-31 NL26.9640 Uitspraak Voorlopige voorziening NL Den Haag Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:8081 text/html public 2026-04-16T09:04:38 2026-04-16 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:8081 Rechtbank Den Haag , 31-03-2026 / NL26.9640 Verzoek om een voorlopige voorziening - gecombineerde vergunning voor verblijf en arbeid voor werkzaamheden bij een Aziatisch restaurant - verweerder verzet zich niet tegen toewijzing - verzoek toegewezen RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: NL26.9640 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [verzoeker] , V-nummer: [v-nummer] , verzoeker (gemachtigde: mr. A.G. Kleijweg), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. T. Stelpstra). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker. Hij heeft op 27 oktober 2025 een aanvraag ingediend voor een gecombineerde vergunning voor verblijf en arbeid (GVVA) om als kok werkzaamheden te verrichten bij een Aziatisch restaurant (referent). Verweerder heeft deze aanvraag bij besluit van 16 februari 2026 afgewezen. 1.1. Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit bezwaar gemaakt. Hij heeft ook dit verzoek om een voorlopige voorziening ingediend, waarin hij de rechtbank verzoekt verweerder te gebieden dat verzoeker gedurende de bezwaarperiode mag werken bij referent. 1.2. Bij brief van 27 maart 2026 heeft verweerder aangegeven zich niet te verzetten tegen de toewijzing van de verzochte voorlopige voorziening. 1.3. Beide partijen hebben vervolgens aangegeven dat zij een zitting niet nodig vinden. De voorzieningenrechter heeft daarom het onderzoek gesloten en doet uitspraak zonder zitting. Beoordeling door de voorzieningenrechter 2. Nu verweerder heeft aangegeven zich niet te verzetten tegen de toewijzing van het verzoek om een voorlopige voorziening, zal de voorzieningenrechter het verzoek toewijzen. Dat betekent dat verweerder verzoeker moet toestaan te werken zolang nog niet op het bezwaar is beslist. 3. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1). 4. Ook bepaalt de voorzieningenrechter dat verweerder het door verzoeker betaalde griffierecht van € 200,- moet vergoeden. Beslissing De voorzieningenrechter: wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe, in die zin dat verweerder verzoeker aldus dient te behandelen dat hij mag werken bij referent en in Nederland mag verblijven totdat op het bezwaar is beslist; bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 200,- aan verzoeker moet vergoeden; veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 934,-. Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M.A. Vinken, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H.S. van Wessel, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open. Op grond van artikel 8:57 van de Awb.