Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2026-01-21
ECLI:NL:RBDHA:2026:8044
RECHTBANK Den Haag Team handel Vonnis van 21 januari 2026 in de hoofdzaak met zaaknummer/rolnummer: C/09/680724 / HA ZA 25-176 van ALTER VIVENDI B.V. te Kerkwerve, eiseres in de hoofdzaak, advocaat: mr. M. de Wijs, tegen DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) te Den Haag, gedaagde in de hoofdzaak, advocaat: mr. O.W.J. van Noort, en de zich aan de zijde van de Staat der Nederlanden gevoegd hebbende partij STEDIN NETBEHEER B.V. te Rotterdam, gevoegde partij in de hoofdzaak, advocaat: mr. J.A.M.A. Sluysmans. en in de vrijwaringszaak met zaaknummer/ rolnummer: C/09/686916 HA ZA 25-536 van DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) te Den Haag, eiser in vrijwaring, advocaat: mr. O.W.J. van Noort, tegen STEDIN NETBEHEER B.V. te Rotterdam, gedaagde in vrijwaring, advocaat: mr. J.A.M.A. Sluysmans. Eiseres in de hoofdzaak wordt hierna ‘Alter Vivendi’ genoemd. Gedaagde in de hoofdzaak, eiser in de vrijwaringszaak, wordt hierna ‘de Staat’ genoemd. Gedaagde in de vrijwaringszaak wordt hierna ‘Stedin’ genoemd. 1 De procedure in de hoofdzaak 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 17 februari 2025, met producties 1 tot en met 11; - de incidentele conclusie tot vrijwaring tevens conclusie van antwoord in de hoofdzaak, met één productie; - het B-formulier van 23 april 2025 waarin staat dat AV geen bezwaar heeft tegen oproeping in vrijwaring van Stedin; - het vonnis in incident van 21 mei 2025; - het tussenvonnis van 24 september 2025 waarin een mondelinge behandeling is bevolen en een datum voor de mondelinge behandeling is bepaald; - de akte met productie 12 van Alter Vivendi die tijdens de mondelinge behandeling in het geding is gebracht. in de vrijwaringszaak - de dagvaarding van 10 juni 2025, met producties 1 tot en met 3; - de conclusie van antwoord van Stedin, met producties 1a, 1b, 1c en 2; - het tussenvonnis van 24 september 2025 waarin een mondelinge behandeling is bevolen en een datum voor de mondelinge behandeling is bepaald. voorts in de hoofdzaak en in de vrijwaringszaak 1.2. Op 10 december 2025 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Partijen hebben vragen van de rechtbank beantwoord en hun standpunten toegelicht. De griffier heeft zittingsaantekeningen gemaakt van wat tijdens de mondelinge behandeling is gezegd. 1.3. Tenslotte is de datum voor vonnis bepaald op vandaag. 2 De feiten in de hoofdzaak en in de vrijwaringszaak 2.1. Alter Vivendi is een (kleine) beleggingsvennootschap. 2.2. Op 31 augustus 2020 heeft Alter Vivendi een woonhuis met een groot perceel grond aan de [adres] te [plaats] van de erfgenamen van mevrouw [naam] gekocht, thans kadastraal bekend [kadastraal kenmerk] (hierna: het perceel). Alter Vivendi wenste het perceel te splitsen in kleinere percelen ten behoeve van het realiseren van meerdere woningen. 2.3. Ten tijde van de levering bevond zich in de grond van het perceel een gasleiding. In verband daarmee staat in de akte van levering van 6 oktober 2020 is – voor zover van belang – dat [perceelnummer 1] is : - gedeeltelijk belast met een zakelijk recht of gedogingsverplichting als bedoeld in artikel 5 lid 3 van de Belemmeringenwet Privaatrecht, ten behoeve van De Staat (Rijksvastgoedbedrijf), statutair gevestigd te ’s-Gravenhage, ontleend aan de overschrijving ten voormalige kantore van de dienst voor het Kadaster en de Openbare Registers te Rotterdam op zesentwintig januari negentienhonderdeenenzestig (…) 2.4. Het “altijddurend” zakelijk recht tot het leggen, hebben en houden van een buisleiding ten behoeve van gastransport is (onder meer) voor het perceel in 1961 gevestigd op naam van de Staat en stond nadien op naam van Stedin. Dit zakelijk recht is in de notariële akte van 3 januari 1961 vastgelegd. In deze akte wordt verwezen naar algemene voorwaarden (hierna: de Algemene Bedingen) die bij akte van 5 april 1952 (op een voor deze zaak niet relevant punt gerectificeerd bij akte van 10 ok Met uitzondering van de eigenaar van de hierboven onder nummer 3001 genoemde percelen is met de overige eigenaren nog overeengekomen: Indien na de verlening van het recht voorgenomen uitbreidings-, ruilverkavelings-, ontginnings-, grondverbeteringswerken en dergelijke, waarvan de gewenstheid door de na te noemen deskundige(n) wordt vastgesteld, met betrekking tot bovengenoemde percelen niet of slechts ten dele tot uitvoering zouden kunnen komen als gevolg van de aanwezigheid van de leiding en daaruit voor de grondeigenaar nadeel zou voortvloeien, is de Staat, te zijner keuze, verplicht hetzij deze schade te vergoeden, op welke schade dan in mindering zal worden gebracht het bedrag dat de grondeigenaar voor de verlening van het recht is toegekend, hetzij op zijn kosten de leiding te verwijderen, onder gehoudenheid van de grondeigenaar om te restitueren hetgeen hem voor de verlening van het recht reeds is betaald, hetzij op zijn kosten de leiding in bovengenoemde percelen te verleggen; (…) De grootte van de door de Staat krachtens deze overeenkomst te betalen vergoedingen zal zoveel mogelijk worden vastgesteld in onderling overleg tussen partijen, waarbij de grondeigenaar zulks wenst, ook de Stichting voor de Landbouw zal worden betrokken. (…) III. De verleende rechten worden ten opzichte van alle voormelde percelen verleend als altijddurende rechten (….) 2.7. Uitsluitend met de eigenaar van een ander perceel ( [perceelnummer 2] ) is nog de volgende bijzondere regeling getroffen: Indien echter de aanwezigheid van de leiding onvermijdelijk en rechtstreeks tengevolge heeft, dat bij daadwerkelijk voorgenomen en voor grondeigenaar economisch verantwoorde: (…) Verandering van bestemming van de grond dezelve niet of onvolledig aan zijn nieuwe bestemming zou kunnen beantwoorden; (…) Is de Staat verplicht te zijner keuze ofwel op zijn kosten het werk zodanig te verplaatsen, dat de belemmering casu quo het nadeel geheel wordt opgeheven (…) ofwel de door grondeigenaar te lijden directe schade aan hem te vergoeden. 2.8. Alter Vivendi heeft opdracht gegeven aan [projectontwikkelaar] B.V. (hierna: [projectontwikkelaar] ) om het perceel te ontwikkelen voor woningbouw. 2.9. Om de herontwikkeling te realiseren heeft [projectontwikkelaar] onderzoek gedaan naar de in de grond van de percelen aanwezige leidingen. Bij dat onderzoek heeft [projectontwikkelaar] een gasleiding aangetroffen. Deze gasleiding belemmerde de door [projectontwikkelaar] beoogde herontwikkeling van het perceel. 2.10. Stedin was al vele jaren beheerder van de gasleiding en is sinds eind 2023 eigenaar van deze gasleiding. 2.11. [projectontwikkelaar] heeft Stedin verzocht om de gasleiding te verleggen. Stedin was daartoe bereid, mits [projectontwikkelaar] de daaraan verbonden kosten zou dragen. [projectontwikkelaar] en Stedin hebben afgesproken dat [projectontwikkelaar] de kosten van verlegging voor haar rekening zou nemen in geval zou blijken dat Stedin een zakelijk recht op de gasleiding zou hebben. 2.12. De werkzaamheden met betrekking tot het verleggen van de gasleiding zijn in juni 2022 gestart en begin oktober 2022 afgerond. [projectontwikkelaar] heeft de daarvoor door Stedin in rekening gebrachte kosten ten bedrage van € 152.403,94 aan Stedin voldaan. 2.13. Na het verleggen van de gasleiding is op het perceel begroeiing en oude bebouwing verwijderd, de onderliggende grond is gesaneerd en er is grond afgegraven en geëgaliseerd om het perceel bouwrijp te maken. Het perceel is vervolgens gesplitst in vier kleinere percelen. Deze percelen zijn verkocht. 2.14. Op 11 oktober 2022 heeft Alter Vivendi de percelen aan de kopers van de vier woningen geleverd. De woningen zijn inmiddels gebouwd en opgeleverd. 2.15. In oktober 2023 heeft [projectontwikkelaar] een procedure tegen Stedin ingesteld bij de rechtbank Rotterdam, waarin [projectontwikkelaar] onder meer heeft gevorderd Stedin, als huidige beheerder van de (verplaatste) gasleiding, te veroordelen tot betaling van de kosten Anders dan Alter Vivendi tijdens de mondelinge behandeling heeft betoogd, zijn de Algemene Bedingen – zo blijkt duidelijk uit de akte van 3 januari 1961 (zie 2.6) – ook van toepassing op de overeenkomst die de Staat met de grondeigenaar van het perceel heeft gesloten. In de akte van 3 januari 1961 wordt immers verwezen naar de akte van 5 april 1952 en de daarin opgenomen Algemene Bedingen (zie pagina 1 van de akte, in artikel IV onder A en artikel V van de akte). Daarmee zijn de Algemene Bedingen tussen partijen overeengekomen. 4.5. Voor zover Alter Vivendi betoogt dat de Algemene Bedingen als bijlage bij de akte van 3 januari 1961 hadden moeten worden gevoegd en zij – zo begrijpt de rechtbank – een beroep doet op het leerstuk van de terhandstelling van algemene voorwaarden, zoals in het huidige Burgerlijk Wetboek (BW) neergelegd in de artikelen 6:233 sub b jº 6:234 lid 1 BW, slaagt dat betoog niet. Ten tijde van het passeren van de akte waren die artikelen nog niet in werking getreden en gold Oud BW. De Hoge Raad heeft in zijn uitspraak van 20 december 2024 geoordeeld dat de vernietigingsgrond van artikel 6:233 sub b BW (bij onvoldoende mogelijkheid van voorafgaande kennisneming) niet van toepassing is op algemene voorwaarden die zijn overeenkomen vóór inwerkingtreding van het huidige BW. Alter Vivendi is dan ook gebonden aan de Algemene Bedingen. Overigens had Alter Vivendi op de hoogte kunnen zijn van de Algemene Bedingen door raadpleging van de in de openbare registers ingeschreven akte van 5 april 1952. 4.6. De rechtbank zal bij de beantwoording van de vraag wat de betrokken partijen ten tijde van de vestiging van het zakelijk recht met betrekking tot het verleggen van de gasleiding zijn overeengekomen dienen te toetsen aan de daarvoor door de Hoge Raad gehanteerde norm. Ingevolge die norm komt het aan op de in de notariële akte van vestiging van het zakelijk recht tot uitdrukking gebrachte partijbedoeling, die moet worden afgeleid uit de in de akte opgenomen bewoordingen van de betreffende bepaling, uit te leggen naar objectieve maatstaven in het licht van de gehele inhoud van de akte. 4.7. De hoofdregel voor het toedelen van de kosten voor het verleggen van de gasleiding is neergelegd in artikel 3 van de Algemene Bedingen (zie 2.5), waarin staat dat de partij die de leiding wil verleggen de kosten daarvan draagt. Dat is in dit geval dus Alter Vivendi. 4.8. Alter Vivendi baseert haar vordering op de Staat op artikel II van de bijzondere voorwaarden in de akte van 3 januari 1961 (zie 2.6). Dat artikel bepaalt dat de Staat de kosten van de verlegging betaalt, wanneer de gasleiding moet worden verlegd vanwege het realiseren van een aantal in het artikel genoemde “werken”. Alter Vivendi stelt dat het realiseren van de vier woningen op het perceel moet worden gekwalificeerd als “uitbreidings-”, “ontginnings-” en/of “grondverbeteringswerken”, als bedoeld in voornoemd artikel II. De Staat en Stedin betwisten dat. 4.9. De rechtbank stelt voorop dat de akte van 3 januari 1961 moet worden uitgelegd naar de situatie ten tijde van het opstellen van die akte in 1961. Uit de onder 2.6 aangehaalde passage van artikel IV van die akte blijkt dat de eigenaar van [perceelnummer 2] – nota bene: in aanvulling op artikel II – met de Staat is overeengekomen dat, in afwijking van artikel 3 van de Algemene Bedingen, de Staat (ook) de kosten zal betalen wanneer ten gevolge van een verandering van de bestemming van de grond het perceel niet of onvolledig aan zijn nieuwe bestemming zou kunnen beantwoorden, vanwege de aanwezigheid van de gasleiding. Een dergelijke afspraak hebben de overige eigenaren, waaronder de eigenaren van het perceel, niet gemaakt. 4.10. Het is voor de uitleg van artikel II dan ook van belang om vast te stellen wat in 1961 de bestemming van het perceel was. Die bestemming kleurt immers welke (soort) werkzaamheden partijen hebben bedoeld in dat artikel. Wanneer destijds sprake was van een agrarische bestemming moeten de werkza