Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-04-02
ECLI:NL:RBDHA:2026:7852
Civiel recht
Kort geding
8,001 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:7852 text/xml public 2026-04-14T15:25:46 2026-04-03 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-04-02 C/09/700071 / KG ZA 26-198 Uitspraak Kort geding NL Den Haag Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:7852 text/html public 2026-04-14T15:24:58 2026-04-14 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:7852 Rechtbank Den Haag , 02-04-2026 / C/09/700071 / KG ZA 26-198 Kort geding. De vorderingen tot opheffren van de gijzeling en het toestaan van een betalingsregeling worden afgewezen. Eiser is er niet in geslaagd om aannemelijk te maken dat er sprake is van betalingsonmacht of dat voortzetting van de gijzeling om andere redenen onrechtmatig is en er bestaat evenmin aanleiding om hem uitstel van betaling te verlenen. Rechtbank den haag Team handel - voorzieningenrechter zaak- / rolnummer: C/09/700071 / KG ZA 26-198 Vonnis in kort geding van 2 april 2026 in de zaak van [eiser] , gedetineerd in de penitentiaire inrichting [plaats] , eiser, advocaat mr. I. Kassino te Schiedam, tegen: DE STAAT DER NEDERLANDEN (ministerie van Veiligheid en Justitie) te Den Haag, gedaagde, advocaat mr. T.J. Crom te Den Haag. Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘ [eiser] ’ en ‘de Staat’. 1 De procedure 1.1. Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken: - de dagvaarding van 11 maart 2026, met producties 1 tot en met 24; - de conclusie van antwoord, met productie 1, - de akte overlegging nadere producties 25 en 26 van de zijde van [eiser] . 1.2. De mondelinge behandeling is gehouden op 19 maart 2026. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de advocaat van de Staat het woord gevoerd aan de hand van pleitaantekeningen. Deze maken deel uit van het dossier. 1.3. Tijdens de zitting is de datum voor het wijzen van vonnis bepaald op vandaag. 2 De feiten Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan. 2.1. [eiser] is bij arrest van 8 februari 2024 (hierna ‘het arrest’) door het Gerechtshof Den Haag (hierna ‘het hof’) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaar voor (samengevat) diefstal met geweld en een poging tot diefstal. De slachtoffers van de (poging tot) diefstal, een bekende Nederlander en haar verloofde, hebben zich als benadeelde partijen in het strafproces gevoegd en zij hebben vergoeding van hun schade gevorderd. Die vorderingen zijn toegewezen tot bedragen van € 460.491,42 voor de bekende Nederlander, bestaande uit € 452.991,42 aan materiële schadevergoeding in verband met weggenomen (kostbare) sieraden en goederen en € 7.500,-- aan immateriële schadevergoeding, en van € 7.500,-- aan immateriële schadevergoeding voor haar verloofde. Verder zijn aan [eiser] (en aan de mededader(s)) schadevergoedingsmaatregelen opgelegd ter hoogte van de toegewezen bedragen, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door gijzeling voor de duur van maximaal in totaal 360 dagen. 2.2. Op 23 februari 2024 is het arrest onherroepelijk geworden, waarna het voor tenuitvoerlegging is aangeboden aan het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB). 2.3. Tijdens de detentie van [eiser] uit hoofde van het arrest heeft het CJIB [eiser] een voorlopige betalingsregeling toegestaan, waarbij hij maandelijks een bedrag van € 23,-- op de schadevergoedingsmaatregelen moest aflossen. 2.4. Bij brief van 25 april 2024 heeft [eiser] het CJIB verzocht om een betalingsregeling van € 12,50 per maand. Op 23 mei 2024 heeft het CJIB schriftelijk aan [eiser] meegedeeld dat [eiser] , gelet op zijn weekvergoeding en de stortingen op zijn rekening-courant, in aanmerking komt voor een voorlopige betalingsregeling van € 97,-- per maand. Omdat [eiser] die betalingsregeling niet is nagekomen, heeft het CJIB hem bij brief van 3 augustus 2024 laten weten dat de betalingsregeling is vervallen en dat [eiser] het volledige bedrag van de schadevergoedingsmaatregelen moet voldoen. 2.5. Op 19 augustus 2024 heeft het CJIB een voorlopige betalingsregeling van € 97,-- per maand aan [eiser] toegestaan, waarna [eiser] bij brief van 21 augustus 2024 heeft verzocht om een betalingsregeling van € 25,-- per maand. Bij brief van 6 september 2024 heeft het CJIB aan [eiser] meegedeeld dat het CJIB niet akkoord gaat met de door [eiser] voorgestelde betalingsregeling en dat hem een voorlopige betalingsregeling van € 86,-- per maand wordt toegestaan. Omdat [eiser] ook die betalingsregeling niet is nagekomen, heeft het CJIB hem bij brief van 15 november 2024 opnieuw laten weten dat de betalingsregeling wordt beëindigd en dat [eiser] de schadevergoedingsmaatregelen volledig moet betalen. 2.6. In december 2024 en januari 2025 heeft [eiser] in totaal een bedrag van € 243,98 afgelost op de schadevergoedingsmaatregelen. 2.7. Medio februari 2025 had [eiser] de aan hem opgelegde gevangenisstraf uitgezeten en is hij (voorwaardelijk) in vrijheid gesteld. Vanaf dat moment stond [eiser] onder toezicht van de reclassering en werd hij begeleid door [hulpverlener] . [eiser] heeft vervolgens een woning toegewezen gekregen en heeft een administratieve functie vervuld in het Oogziekenhuis in Rotterdam voor een salaris van ongeveer € 450,-- per week. 2.8. [eiser] heeft het CJIB om uitstel van betaling verzocht. Die verzoeken zijn door het CJIB in een e-mailbericht van 12 april 2025 en bij brief van 29 april 2025 afgewezen, samengevat omdat het CJIB er niet van overtuigd is dat [eiser] betalingsonmachtig is. 2.9. Omdat [eiser] de schadevergoedingsmaatregelen niet (volledig) betaalde, heeft de officier van justitie op 18 augustus 2025 toestemming verleend om het dwangmiddel gijzeling op [eiser] toe te passen. Vervolgens is [eiser] op 7 oktober 2025 aangehouden en sindsdien verblijft hij in detentie in verband met de toepassing van de gijzeling. 2.10. Vervolgens is er veelvuldig gecorrespondeerd tussen onder meer de reclassering en de strafrechtadvocaat van [eiser] enerzijds en het CJIB anderzijds over een te treffen betalingsregeling. Van de zijde van [eiser] is daarbij (samengevat) toegelicht dat de ontvreemde sieraden niet in het bezit van [eiser] zijn geweest, dat hij niet weet waar deze zijn, dat hij niet over vermogen beschikt, dat de gestolen goederen voor € 60.000,-- zijn verkocht, dat hij ‘slechts’ € 15.000,-- heeft ontvangen voor zijn aandeel in de overval en dat hij dit bedrag inmiddels heeft uitgegeven. 2.11. Bij brief van 30 oktober 2025 heeft het CJIB aan de reclassering meegedeeld dat het CJIB de verklaringen van [eiser] volstrekt niet aannemelijk acht en dat [eiser] zijn verklaringen op geen enkele wijze met bewijsstukken heeft gestaafd. Verder heeft het CJIB meegedeeld bij wijze van uitzondering bereid te zijn om [eiser] een voorlopige betalingsregeling toe te kennen, waarbij een bedrag van € 15.000,-- ineens moet worden voldaan, gevolgd door maandelijkse betalingen van € 150,-- met ingang van december 2025. 2.12. Op 7 november 2025 heeft [eiser] een bedrag van € 199,86 afgelost op de schadevergoedingsmaatregelen en op dezelfde datum heeft hij verzocht om de gijzeling op te heffen vanwege betalingsonmacht. Bij brief van 18 december 2025 heeft [eiser] dit verzoek nader toegelicht en de volgende verklaring gegeven voor zijn uitgaven: 2.13. Bij brief van 24 december 2025 heeft het CJIB het verzoek om opheffing van de gijzeling van [eiser] afgewezen, omdat [eiser] zijn beroep op betalingsonmacht niet (voldoende) had onderbouwd. Het CJIB heeft [eiser] verzocht om openheid van zaken met betrekking tot zijn financiële situatie te geven, voorzien van actuele en verifieerbare stukken. Hierop heeft [eiser] een aantal bankafschriften met betrekking tot de periode van 15 september 2025 tot en met 24 december 2025 aan het CJIB toegestuurd. 2.14. De advocaat van [eiser] heeft bij brief van 30 januari 2026 aan het CJIB voorgesteld dat [eiser] ter aflossing op de schadevergoedingsmaatregelen een bedrag van € 2.000,-- ineens voldoet, gevolgd door maandelijkse termijnen van € 150,--. Het CJIB heeft dit voorstel bij brief van 4 februari 2026 afgewezen. 3 Het geschil 3.1.
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:7852 text/xml public 2026-04-14T15:25:46 2026-04-03 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-04-02 C/09/700071 / KG ZA 26-198 Uitspraak Kort geding NL Den Haag Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:7852 text/html public 2026-04-14T15:24:58 2026-04-14 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:7852 Rechtbank Den Haag , 02-04-2026 / C/09/700071 / KG ZA 26-198 Kort geding. De vorderingen tot opheffren van de gijzeling en het toestaan van een betalingsregeling worden afgewezen. Eiser is er niet in geslaagd om aannemelijk te maken dat er sprake is van betalingsonmacht of dat voortzetting van de gijzeling om andere redenen onrechtmatig is en er bestaat evenmin aanleiding om hem uitstel van betaling te verlenen. Rechtbank den haag Team handel - voorzieningenrechter zaak- / rolnummer: C/09/700071 / KG ZA 26-198 Vonnis in kort geding van 2 april 2026 in de zaak van [eiser] , gedetineerd in de penitentiaire inrichting [plaats] , eiser, advocaat mr. I. Kassino te Schiedam, tegen: DE STAAT DER NEDERLANDEN (ministerie van Veiligheid en Justitie) te Den Haag, gedaagde, advocaat mr. T.J. Crom te Den Haag. Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘ [eiser] ’ en ‘de Staat’. 1 De procedure 1.1. Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken: - de dagvaarding van 11 maart 2026, met producties 1 tot en met 24; - de conclusie van antwoord, met productie 1, - de akte overlegging nadere producties 25 en 26 van de zijde van [eiser] . 1.2. De mondelinge behandeling is gehouden op 19 maart 2026. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de advocaat van de Staat het woord gevoerd aan de hand van pleitaantekeningen. Deze maken deel uit van het dossier. 1.3. Tijdens de zitting is de datum voor het wijzen van vonnis bepaald op vandaag. 2 De feiten Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan. 2.1. [eiser] is bij arrest van 8 februari 2024 (hierna ‘het arrest’) door het Gerechtshof Den Haag (hierna ‘het hof’) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaar voor (samengevat) diefstal met geweld en een poging tot diefstal. De slachtoffers van de (poging tot) diefstal, een bekende Nederlander en haar verloofde, hebben zich als benadeelde partijen in het strafproces gevoegd en zij hebben vergoeding van hun schade gevorderd. Die vorderingen zijn toegewezen tot bedragen van € 460.491,42 voor de bekende Nederlander, bestaande uit € 452.991,42 aan materiële schadevergoeding in verband met weggenomen (kostbare) sieraden en goederen en € 7.500,-- aan immateriële schadevergoeding, en van € 7.500,-- aan immateriële schadevergoeding voor haar verloofde. Verder zijn aan [eiser] (en aan de mededader(s)) schadevergoedingsmaatregelen opgelegd ter hoogte van de toegewezen bedragen, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door gijzeling voor de duur van maximaal in totaal 360 dagen. 2.2. Op 23 februari 2024 is het arrest onherroepelijk geworden, waarna het voor tenuitvoerlegging is aangeboden aan het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB). 2.3. Tijdens de detentie van [eiser] uit hoofde van het arrest heeft het CJIB [eiser] een voorlopige betalingsregeling toegestaan, waarbij hij maandelijks een bedrag van € 23,-- op de schadevergoedingsmaatregelen moest aflossen. 2.4. Bij brief van 25 april 2024 heeft [eiser] het CJIB verzocht om een betalingsregeling van € 12,50 per maand. Op 23 mei 2024 heeft het CJIB schriftelijk aan [eiser] meegedeeld dat [eiser] , gelet op zijn weekvergoeding en de stortingen op zijn rekening-courant, in aanmerking komt voor een voorlopige betalingsregeling van € 97,-- per maand. Omdat [eiser] die betalingsregeling niet is nagekomen, heeft het CJIB hem bij brief van 3 augustus 2024 laten weten dat de betalingsregeling is vervallen en dat [eiser] het volledige bedrag van de schadevergoedingsmaatregelen moet voldoen. 2.5. Op 19 augustus 2024 heeft het CJIB een voorlopige betalingsregeling van € 97,-- per maand aan [eiser] toegestaan, waarna [eiser] bij brief van 21 augustus 2024 heeft verzocht om een betalingsregeling van € 25,-- per maand. Bij brief van 6 september 2024 heeft het CJIB aan [eiser] meegedeeld dat het CJIB niet akkoord gaat met de door [eiser] voorgestelde betalingsregeling en dat hem een voorlopige betalingsregeling van € 86,-- per maand wordt toegestaan. Omdat [eiser] ook die betalingsregeling niet is nagekomen, heeft het CJIB hem bij brief van 15 november 2024 opnieuw laten weten dat de betalingsregeling wordt beëindigd en dat [eiser] de schadevergoedingsmaatregelen volledig moet betalen. 2.6. In december 2024 en januari 2025 heeft [eiser] in totaal een bedrag van € 243,98 afgelost op de schadevergoedingsmaatregelen. 2.7. Medio februari 2025 had [eiser] de aan hem opgelegde gevangenisstraf uitgezeten en is hij (voorwaardelijk) in vrijheid gesteld. Vanaf dat moment stond [eiser] onder toezicht van de reclassering en werd hij begeleid door [hulpverlener] . [eiser] heeft vervolgens een woning toegewezen gekregen en heeft een administratieve functie vervuld in het Oogziekenhuis in Rotterdam voor een salaris van ongeveer € 450,-- per week. 2.8. [eiser] heeft het CJIB om uitstel van betaling verzocht. Die verzoeken zijn door het CJIB in een e-mailbericht van 12 april 2025 en bij brief van 29 april 2025 afgewezen, samengevat omdat het CJIB er niet van overtuigd is dat [eiser] betalingsonmachtig is. 2.9. Omdat [eiser] de schadevergoedingsmaatregelen niet (volledig) betaalde, heeft de officier van justitie op 18 augustus 2025 toestemming verleend om het dwangmiddel gijzeling op [eiser] toe te passen. Vervolgens is [eiser] op 7 oktober 2025 aangehouden en sindsdien verblijft hij in detentie in verband met de toepassing van de gijzeling. 2.10. Vervolgens is er veelvuldig gecorrespondeerd tussen onder meer de reclassering en de strafrechtadvocaat van [eiser] enerzijds en het CJIB anderzijds over een te treffen betalingsregeling. Van de zijde van [eiser] is daarbij (samengevat) toegelicht dat de ontvreemde sieraden niet in het bezit van [eiser] zijn geweest, dat hij niet weet waar deze zijn, dat hij niet over vermogen beschikt, dat de gestolen goederen voor € 60.000,-- zijn verkocht, dat hij ‘slechts’ € 15.000,-- heeft ontvangen voor zijn aandeel in de overval en dat hij dit bedrag inmiddels heeft uitgegeven. 2.11. Bij brief van 30 oktober 2025 heeft het CJIB aan de reclassering meegedeeld dat het CJIB de verklaringen van [eiser] volstrekt niet aannemelijk acht en dat [eiser] zijn verklaringen op geen enkele wijze met bewijsstukken heeft gestaafd. Verder heeft het CJIB meegedeeld bij wijze van uitzondering bereid te zijn om [eiser] een voorlopige betalingsregeling toe te kennen, waarbij een bedrag van € 15.000,-- ineens moet worden voldaan, gevolgd door maandelijkse betalingen van € 150,-- met ingang van december 2025. 2.12. Op 7 november 2025 heeft [eiser] een bedrag van € 199,86 afgelost op de schadevergoedingsmaatregelen en op dezelfde datum heeft hij verzocht om de gijzeling op te heffen vanwege betalingsonmacht. Bij brief van 18 december 2025 heeft [eiser] dit verzoek nader toegelicht en de volgende verklaring gegeven voor zijn uitgaven: 2.13. Bij brief van 24 december 2025 heeft het CJIB het verzoek om opheffing van de gijzeling van [eiser] afgewezen, omdat [eiser] zijn beroep op betalingsonmacht niet (voldoende) had onderbouwd. Het CJIB heeft [eiser] verzocht om openheid van zaken met betrekking tot zijn financiële situatie te geven, voorzien van actuele en verifieerbare stukken. Hierop heeft [eiser] een aantal bankafschriften met betrekking tot de periode van 15 september 2025 tot en met 24 december 2025 aan het CJIB toegestuurd. 2.14. De advocaat van [eiser] heeft bij brief van 30 januari 2026 aan het CJIB voorgesteld dat [eiser] ter aflossing op de schadevergoedingsmaatregelen een bedrag van € 2.000,-- ineens voldoet, gevolgd door maandelijkse termijnen van € 150,--. Het CJIB heeft dit voorstel bij brief van 4 februari 2026 afgewezen. 3 Het geschil 3.1.
Volledig
[eiser] vordert – zakelijk weergegeven – de Staat te veroordelen om de gijzeling op te heffen en opgeheven te houden, op straffe van een dwangsom, en de Staat te gebieden om [eiser] na opheffing van de gijzeling uitstel van betaling te verlenen, een en ander met veroordeling van de Staat in de proceskosten. 3.2. Daartoe stelt [eiser] – samengevat – het volgende. [eiser] heeft slechts een bedrag van € 15.000,-- ontvangen voor zijn aandeel in de overval, maar zelfs als hij de sieraden wel tot zijn beschikking zou hebben gehad en ze tegen de marktwaarde zou hebben verkocht, zou [eiser] de opgelegde schadevergoedingsmaatregelen niet kunnen voldoen. [eiser] heeft steeds inzage verleend in zijn financiële situatie en heeft naar beste kunnen aangetoond waaraan hij het ontvangen bedrag van € 15.000 heeft uitgegeven. [eiser] heeft daarmee voldoende aannemelijk gemaakt dat hij niet in staat is om te voldoen aan de verplichting tot betaling van de schadevergoedingsmaatregelen, althans van de door het CJIB voorgestelde betalingsregeling. Daarom moet de gijzeling op grond van het bepaalde in artikel 6:4:20 lid 3 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) onmiddellijk worden opgeheven. Verder heeft het CJIB bij de tenuitvoerlegging van het dwangmiddel gijzeling ten onrechte geen rekening gehouden met de belangen van [eiser] . Door de gijzeling is [eiser] zijn woning en werk kwijtgeraakt, wat niet bijdraagt aan zijn resocialisatie en aan zijn mogelijkheden tot afbetaling van de schadevergoedingsmaatregelen. Ten slotte moet de Staat [eiser] uitstel van betaling verlenen, zodat [eiser] inkomen kan verwerven en met behulp van schuldhulpverlening een plan van aanpak kan maken voor de aflossing van de schadevergoedingsmaatregelen. 3.3. De conclusie van de Staat strekt tot afwijzing van de vorderingen. Het verweer van de Staat zal hierna, voor zover nodig, worden besproken. 4 De beoordeling van het geschil 4.1. Tussen partijen is in geschil of de Staat onrechtmatig handelt door de gijzeling van [eiser] te laten voortduren. Volgens [eiser] is dat het geval, omdat hij onmachtig is om de schadevergoedingsmaatregelen te betalen en omdat hij evenmin in staat is om te voldoen aan het laatste betalingsvoorstel van het CJIB, strekkende tot betaling van een bedrag van € 15.000,-- ineens, gevolgd door maandelijkse termijnen van € 150,--. Het toetsingskader 4.2. De Staat is niet alleen bevoegd, maar ook verplicht om een veroordelende beslissing van de strafrechter – waartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat – ten uitvoer te leggen. Ten uitvoerlegging moet zo snel mogelijk plaatsvinden. Dit uitgangspunt geldt ook bij de tenuitvoerlegging van schadevergoedingsmaatregelen, zoals in deze procedure aan de orde is. 4.3. De wijze van tenuitvoerlegging van een schadevergoedingsmaatregel is neergelegd in de Regeling tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen (Staatscourant 2019, nr. 69780, hierna: ‘de Regeling’) en in de Beleidsregels tenuitvoerlegging strafrechtelijke en administratiefrechtelijke beslissingen 2021 (Staatscourant 2021 nr. 33851, hierna: ‘de Beleidsregels’). De Regeling en de Beleidsregels bieden ruimte om ten aanzien van een schadevergoedingsmaatregel een betalingsregeling te treffen. Uitgangspunt in de Beleidsregels is wel dat een betalingsregeling een looptijd van maximaal 36 maanden heeft (artikel 4:18). In geval van bijzondere omstandigheden bieden de Beleidsregels ruimte voor meer maatwerk en/of een draagkrachtregeling (artikel 4:19 Beleidsregels). 4.4. Het is aan een veroordeelde die om een betalingsregeling verzoekt om voldoende informatie te verstrekken. Een veroordeelde komt niet in aanmerking voor een betalingsregeling als hij de benodigde gegevens niet binnen de daarvoor gestelde termijn verstrekt, als hij verwijtbaar onjuiste gegevens overlegt of als hij anderszins onvoldoende medewerking verleent ten behoeve van een zorgvuldige beoordeling van zijn verzoek (4:2 lid 3 van de Regeling). Een betalingsregeling wordt ook geweigerd als zich een van de gronden genoemd in artikel 4.25 lid 1 van de Beleidsregels voordoet. Op grond van artikel 4:22 van de Beleidsregels kan, tot slot, het CJIB verlangen dat een betalingsplichtige die om een betalingsregeling vraagt gegevens met betrekking tot zijn inkomen of vermogen overlegt ter onderbouwing van zijn betalingsonmacht of de betalingscapaciteit. 4.5. De rechtmatigheid van het hiervoor beschreven beleid is door [eiser] niet ter discussie gesteld. 4.6. Als tijdens de tenuitvoerlegging van de schadevergoedingsmaatregel blijkt dat niet (volledig) wordt betaald en geen verhaal kan worden genomen, kan op grond van artikel 6:4:20 Sv het dwangmiddel gijzeling worden toegepast. In geval van betalingsonmacht wordt, op grond van artikel 6:4:20 lid 3 Sv, het dwangmiddel gijzeling niet toegepast. Het is (ook) op grond van dat artikel aan de veroordeelde ( [eiser] in dit geval) om aannemelijk te maken dat hij buiten staat is te voldoen aan de verplichting tot betaling. Nadat een veroordeelde in gijzeling is genomen, kan de gijzeling door de minister van Justitie en Veiligheid altijd weer worden beëindigd, bijvoorbeeld als alsnog een betalingsregeling is getroffen of als alsnog is gebleken dat sprake is van betalingsonmacht (artikel 4:9 Beleidsregels). Een veroordeelde kan in dat geval op grond van artikel 6:4:20 lid 4 de minister verzoeken de gijzeling te beëindigen. 4.7. Bij de beoordeling van de vordering van [eiser] staat voorop dat het CJIB (namens de minister) een ruime beleidsvrijheid heeft. De voorzieningenrechter kan alleen toetsen of het CJIB in redelijkheid tot afwijzing van de betalingsregeling heeft kunnen komen. Gelet op het bepaalde in artikel 6:4:20 Sv, de Regeling en de Beleidsregels is daarbij uitgangspunt dat het aan [eiser] is om aannemelijk te maken dat er grond is om de gijzeling niet langer te laten voortduren. De inhoudelijke beoordeling 4.8. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft de Staat terecht aangevoerd dat [eiser] onvoldoende openheid van zaken heeft gegeven over zijn financiële situatie en daarmee onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij onmachtig is de aan hem opgelegde schadevergoedingsmaatregelen te betalen. Daartoe is het volgende redengevend. 4.9. De Staat heeft toegelicht dat [eiser] geen afdoende verklaring heeft gegeven met betrekking tot de besteding van het bedrag van € 15.000,-- dat hij kennelijk heeft ontvangen voor zijn aandeel in de overval. [eiser] heeft gesteld dat hij in de nadere toelichting op zijn verzoek om de gijzeling op te heffen (zie hiervoor in 2.12.) opgave heeft gedaan van zijn uitgaven. Volgens [eiser] heeft hij ongeveer € 3.000,-- uitgegeven aan dure merkkleding en merkschoenen, € 2.500,-- aan een vakantie op Tenerife, € 7.000,-- aan een reis naar Liberia en bedragen voor schoenen voor neefjes en nichtjes en voor de kosten van levensonderhoud tijdens zijn detentie. De Staat heeft er echter op gewezen dat [eiser] alleen met stukken heeft aangetoond dat er een bedrag van € 829,17 voor tickets voor een reis naar Liberia is betaald, maar niet dat [eiser] deze betaling zelf heeft gedaan, terwijl hij voor de overige gestelde uitgaven geen enkel bewijsstuk heeft overgelegd. Verder heeft de Staat aangevoerd dat uit de door [eiser] als productie 23 en 24 overgelegde bankafschriften blijkt dat [eiser] diverse betalingen in Spanje heeft gedaan en dat er regelmatig contante bedragen op zijn bankrekening zijn gestort, bijvoorbeeld bedragen van € 1.000,-- en € 300,-- en verder een aantal bedragen met de aanduidingen ‘cursus’, ‘tandarts’ of ‘uit eten’, zonder dat uit de bankafschriften blijkt dat daar uitgaven door [eiser] van dezelfde omvang tegenover staan. Daarnaast heeft de Staat betoogd dat uit de bankafschriften blijkt dat [eiser] via mededelingen bij de overboekingen met derden communiceert over bijvoorbeeld leefgeld, waarna hij ook een bedrag naar het betreffende rekeningnummer overmaakt.
Volledig
[eiser] vordert – zakelijk weergegeven – de Staat te veroordelen om de gijzeling op te heffen en opgeheven te houden, op straffe van een dwangsom, en de Staat te gebieden om [eiser] na opheffing van de gijzeling uitstel van betaling te verlenen, een en ander met veroordeling van de Staat in de proceskosten. 3.2. Daartoe stelt [eiser] – samengevat – het volgende. [eiser] heeft slechts een bedrag van € 15.000,-- ontvangen voor zijn aandeel in de overval, maar zelfs als hij de sieraden wel tot zijn beschikking zou hebben gehad en ze tegen de marktwaarde zou hebben verkocht, zou [eiser] de opgelegde schadevergoedingsmaatregelen niet kunnen voldoen. [eiser] heeft steeds inzage verleend in zijn financiële situatie en heeft naar beste kunnen aangetoond waaraan hij het ontvangen bedrag van € 15.000 heeft uitgegeven. [eiser] heeft daarmee voldoende aannemelijk gemaakt dat hij niet in staat is om te voldoen aan de verplichting tot betaling van de schadevergoedingsmaatregelen, althans van de door het CJIB voorgestelde betalingsregeling. Daarom moet de gijzeling op grond van het bepaalde in artikel 6:4:20 lid 3 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) onmiddellijk worden opgeheven. Verder heeft het CJIB bij de tenuitvoerlegging van het dwangmiddel gijzeling ten onrechte geen rekening gehouden met de belangen van [eiser] . Door de gijzeling is [eiser] zijn woning en werk kwijtgeraakt, wat niet bijdraagt aan zijn resocialisatie en aan zijn mogelijkheden tot afbetaling van de schadevergoedingsmaatregelen. Ten slotte moet de Staat [eiser] uitstel van betaling verlenen, zodat [eiser] inkomen kan verwerven en met behulp van schuldhulpverlening een plan van aanpak kan maken voor de aflossing van de schadevergoedingsmaatregelen. 3.3. De conclusie van de Staat strekt tot afwijzing van de vorderingen. Het verweer van de Staat zal hierna, voor zover nodig, worden besproken. 4 De beoordeling van het geschil 4.1. Tussen partijen is in geschil of de Staat onrechtmatig handelt door de gijzeling van [eiser] te laten voortduren. Volgens [eiser] is dat het geval, omdat hij onmachtig is om de schadevergoedingsmaatregelen te betalen en omdat hij evenmin in staat is om te voldoen aan het laatste betalingsvoorstel van het CJIB, strekkende tot betaling van een bedrag van € 15.000,-- ineens, gevolgd door maandelijkse termijnen van € 150,--. Het toetsingskader 4.2. De Staat is niet alleen bevoegd, maar ook verplicht om een veroordelende beslissing van de strafrechter – waartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat – ten uitvoer te leggen. Ten uitvoerlegging moet zo snel mogelijk plaatsvinden. Dit uitgangspunt geldt ook bij de tenuitvoerlegging van schadevergoedingsmaatregelen, zoals in deze procedure aan de orde is. 4.3. De wijze van tenuitvoerlegging van een schadevergoedingsmaatregel is neergelegd in de Regeling tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen (Staatscourant 2019, nr. 69780, hierna: ‘de Regeling’) en in de Beleidsregels tenuitvoerlegging strafrechtelijke en administratiefrechtelijke beslissingen 2021 (Staatscourant 2021 nr. 33851, hierna: ‘de Beleidsregels’). De Regeling en de Beleidsregels bieden ruimte om ten aanzien van een schadevergoedingsmaatregel een betalingsregeling te treffen. Uitgangspunt in de Beleidsregels is wel dat een betalingsregeling een looptijd van maximaal 36 maanden heeft (artikel 4:18). In geval van bijzondere omstandigheden bieden de Beleidsregels ruimte voor meer maatwerk en/of een draagkrachtregeling (artikel 4:19 Beleidsregels). 4.4. Het is aan een veroordeelde die om een betalingsregeling verzoekt om voldoende informatie te verstrekken. Een veroordeelde komt niet in aanmerking voor een betalingsregeling als hij de benodigde gegevens niet binnen de daarvoor gestelde termijn verstrekt, als hij verwijtbaar onjuiste gegevens overlegt of als hij anderszins onvoldoende medewerking verleent ten behoeve van een zorgvuldige beoordeling van zijn verzoek (4:2 lid 3 van de Regeling). Een betalingsregeling wordt ook geweigerd als zich een van de gronden genoemd in artikel 4.25 lid 1 van de Beleidsregels voordoet. Op grond van artikel 4:22 van de Beleidsregels kan, tot slot, het CJIB verlangen dat een betalingsplichtige die om een betalingsregeling vraagt gegevens met betrekking tot zijn inkomen of vermogen overlegt ter onderbouwing van zijn betalingsonmacht of de betalingscapaciteit. 4.5. De rechtmatigheid van het hiervoor beschreven beleid is door [eiser] niet ter discussie gesteld. 4.6. Als tijdens de tenuitvoerlegging van de schadevergoedingsmaatregel blijkt dat niet (volledig) wordt betaald en geen verhaal kan worden genomen, kan op grond van artikel 6:4:20 Sv het dwangmiddel gijzeling worden toegepast. In geval van betalingsonmacht wordt, op grond van artikel 6:4:20 lid 3 Sv, het dwangmiddel gijzeling niet toegepast. Het is (ook) op grond van dat artikel aan de veroordeelde ( [eiser] in dit geval) om aannemelijk te maken dat hij buiten staat is te voldoen aan de verplichting tot betaling. Nadat een veroordeelde in gijzeling is genomen, kan de gijzeling door de minister van Justitie en Veiligheid altijd weer worden beëindigd, bijvoorbeeld als alsnog een betalingsregeling is getroffen of als alsnog is gebleken dat sprake is van betalingsonmacht (artikel 4:9 Beleidsregels). Een veroordeelde kan in dat geval op grond van artikel 6:4:20 lid 4 de minister verzoeken de gijzeling te beëindigen. 4.7. Bij de beoordeling van de vordering van [eiser] staat voorop dat het CJIB (namens de minister) een ruime beleidsvrijheid heeft. De voorzieningenrechter kan alleen toetsen of het CJIB in redelijkheid tot afwijzing van de betalingsregeling heeft kunnen komen. Gelet op het bepaalde in artikel 6:4:20 Sv, de Regeling en de Beleidsregels is daarbij uitgangspunt dat het aan [eiser] is om aannemelijk te maken dat er grond is om de gijzeling niet langer te laten voortduren. De inhoudelijke beoordeling 4.8. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft de Staat terecht aangevoerd dat [eiser] onvoldoende openheid van zaken heeft gegeven over zijn financiële situatie en daarmee onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij onmachtig is de aan hem opgelegde schadevergoedingsmaatregelen te betalen. Daartoe is het volgende redengevend. 4.9. De Staat heeft toegelicht dat [eiser] geen afdoende verklaring heeft gegeven met betrekking tot de besteding van het bedrag van € 15.000,-- dat hij kennelijk heeft ontvangen voor zijn aandeel in de overval. [eiser] heeft gesteld dat hij in de nadere toelichting op zijn verzoek om de gijzeling op te heffen (zie hiervoor in 2.12.) opgave heeft gedaan van zijn uitgaven. Volgens [eiser] heeft hij ongeveer € 3.000,-- uitgegeven aan dure merkkleding en merkschoenen, € 2.500,-- aan een vakantie op Tenerife, € 7.000,-- aan een reis naar Liberia en bedragen voor schoenen voor neefjes en nichtjes en voor de kosten van levensonderhoud tijdens zijn detentie. De Staat heeft er echter op gewezen dat [eiser] alleen met stukken heeft aangetoond dat er een bedrag van € 829,17 voor tickets voor een reis naar Liberia is betaald, maar niet dat [eiser] deze betaling zelf heeft gedaan, terwijl hij voor de overige gestelde uitgaven geen enkel bewijsstuk heeft overgelegd. Verder heeft de Staat aangevoerd dat uit de door [eiser] als productie 23 en 24 overgelegde bankafschriften blijkt dat [eiser] diverse betalingen in Spanje heeft gedaan en dat er regelmatig contante bedragen op zijn bankrekening zijn gestort, bijvoorbeeld bedragen van € 1.000,-- en € 300,-- en verder een aantal bedragen met de aanduidingen ‘cursus’, ‘tandarts’ of ‘uit eten’, zonder dat uit de bankafschriften blijkt dat daar uitgaven door [eiser] van dezelfde omvang tegenover staan. Daarnaast heeft de Staat betoogd dat uit de bankafschriften blijkt dat [eiser] via mededelingen bij de overboekingen met derden communiceert over bijvoorbeeld leefgeld, waarna hij ook een bedrag naar het betreffende rekeningnummer overmaakt.