Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-03-03
ECLI:NL:RBDHA:2026:7661
Civiel recht; Personen- en familierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,075 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:7661 text/xml public 2026-04-14T12:19:44 2026-04-03 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-03-03 C/09/681149 / FA RK 25-1574 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Beschikking NL Den Haag Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:7661 text/html public 2026-04-14T12:19:24 2026-04-14 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:7661 Rechtbank Den Haag , 03-03-2026 / C/09/681149 / FA RK 25-1574 1:377a BW: ontzegging omgang op verzoek gecertificeerde instelling Rechtbank DEN HAAG Team Jeugd- en Zorgrecht Zaaksgegevens: C/09/681149 / FA RK 25-1574 Datum uitspraak: 3 maart 2026 Beschikking van de kinderrechter Wijziging omgangsregeling (artikel 1:265g BW) in de zaak naar aanleiding van het op 21 februari 2025 ingekomen verzoekschrift van: Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden, hierna te noemen: de gecertificeerde instelling, betreffende: - [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2017 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [de minderjarige] . De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan: [de vader] , hierna te noemen: de vader, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat: mr. M.P. Friperson in ’s-Gravenhage. [de moeder] , hierna te noemen: de moeder, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, De kinderrechter merkt als informanten aan: [de voormalig pleegvader] en [de voormalig pleegmoeder] , hierna te noemen: de voormalige pleegouders, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, [de pleegmoeder] hierna te noemen: de pleegmoeder, wonende op een bij de rechtbank bekend adres. Het procesverloop De kinderrechter heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder: het verzoekschrift; de brief van 30 januari 2026 van de gecertificeerde instelling. Op 3 februari 2026 heeft de kinderrechter de zaak op de zitting met gesloten deuren behandeld. Daarbij zijn verschenen: de advocaat van de vader; de moeder; de voormalig pleegvader; [naam 1] en [naam 2] namens de gecertificeerde instelling. De vader was niet aanwezig op de zitting. [de minderjarige] is op 30 januari 2026 ook in raadkamer gehoord. Feiten De ouders hebben een affectieve relatie met elkaar gehad. Zij zijn de ouders van de minderjarige [de minderjarige] ( [de minderjarige] ), geboren op [geboortedatum] 2017 in [geboorteplaats] . [de minderjarige] heeft zes jaar bij de voormalig pleegouders verbleven. Sinds de zomer van 2025 verblijft zij bij de nieuwe pleegmoeder. Bij beschikking van 18 februari 2021 van deze rechtbank is het ouderlijk gezag van de moeder beëindigd en is Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden benoemd tot voogd over [de minderjarige] . Bij beschikking van 17 oktober 2023 van deze rechtbank is bepaald dat [de minderjarige] als volgt omgang heeft met de vader: ten minste éénmaal per achtweken twee uur onder begeleiding van het Wilmahuis en onder regie van de gecertificeerde instelling. Verzoek De gecertificeerde instelling heeft verzocht de bij beschikking van 17 oktober 2023 van deze rechtbank vastgestelde omgangsregeling op grond van artikel 1:265g van het Burgerlijk Wetboek (BW) op te schorten voor een periode van negen maanden, en dat binnen deze periode nieuwe zitting zal plaatsvinden waarin wordt beoordeeld of en zo ja, met welke frequentie en duur de begeleide omgang tussen [de minderjarige] en de vader zal kunnen plaatsvinden. Daarnaast dient de regie over het hervatten van de omgang alsmede de frequentie en de duur aan de gecertificeerde instelling te worden toegedeeld, een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad. De gecertificeerde instelling heeft het verzoek als volgt gemotiveerd. Bij beschikking van 17 oktober 2023 van deze rechtbank is bepaald dat de vader en [de minderjarige] eens per acht weken twee uur onder begeleiding omgang hebben. Hiertoe is besloten omdat [de minderjarige] in haar jeugd getuige is geweest van ernstig huiselijk geweld tussen de vader en de moeder. Uit diagnostisch onderzoek is gebleken dat bij [de minderjarige] sprake is van een gespecifieerde trauma- of stressor-gerelateerde stoornis met vroegkinderlijke traumatisering en ouder-kindrelatieproblemen. Na voornoemde beschikking zijn de omgangsmomenten begeleid door het Wilmahuis. Gebleken is dat deze momenten niet altijd door gingen en vaak werden verzet. De pleegouders merkte dat [de minderjarige] rondom de omgangsmomenten spanningsklachten liet zien zoals slecht slapen, langdurige obstipatie en onvoorspelbaar en boos gedrag. Op 11 november 2024 hebben de voormalige pleegouders laten weten geen uitvoering meer te willen geven aan de omgang omdat de vader al vier jaar lang een trigger is voor [de minderjarige] . Het Wilmahuis heeft naar aanleiding daarvan besloten om de Omgangsbegeleiding te stoppen en het verder over te laten aan Jeugdformaat. Vanuit Jeugdformaat is besloten om niet mee te werken aan de Omgangsbegeleiding vanwege de veiligheid van de medewerkers door incidenten in het verleden met de vader. Naar aanleiding daarvan is door RondomJou en Jeugdformaat een visie bepaald waarin is geconcludeerd dat de omgangsregeling moet worden gepauzeerd totdat er voldoende rust en stabiliteit is bij [de minderjarige] . Daarbij moet eerst worden ingezet op een stabiele plaatsing en het opstarten van de behandeling voor [de minderjarige] , voordat de omgang met de vader weer gestart kan worden. Standpunten Namens de vader is op de zitting ingestemd met het verzoek tot opschorting van de omgang, maar verweer gevoerd tegen ontzegging van de omgang. De vader ziet in dat rust en stabiliteit nu belangrijk is voor [de minderjarige] . Hij heeft daarom bewust geen contact meer gezocht met [de minderjarige] . Ontzegging van de omgang met [de minderjarige] vindt de vader echter te ver gaan. De vader kan dan pas na minstens een jaar opnieuw een verzoek doen, terwijl dit anders is als de omgangsregeling wordt opgeschort. De moeder heeft ingestemd met het verzoek. Beoordeling Het verzoekschrift van de gecertificeerde instelling is bij de rechtbank binnengekomen op 21 februari 2025 en op de zitting van 3 februari 2026 besproken. Gebleken is dat er in de afgelopen periode geen omgang heeft plaatsgevonden tussen de vader en [de minderjarige] . De jeugdbeschermer heeft op de zitting naar voren gebracht dat hij voorlopig geen mogelijkheden ziet om de omgang te herstellen. Daarvoor is redengevend dat de vader niet reageert op pogingen van de jeugdbeschermer om contact op te nemen, en dat rust op dit moment noodzakelijk is voor [de minderjarige] . Uit de brief van 30 januari 2026 van de gecertificeerde instelling blijkt immers het volgende: ‘ laat zorgend en verantwoordelijk gedrag zien richting jongere kinderen en heeft moeite om kind te kunnen zijn. Zij is gevoelig voor stress in haar omgeving en reageert hierop met emotionele ontregeling . Uit zowel het perspectiefonderzoek als het psychoseksueel onderzoek komt naar voren dat rust, voorspelbaarheid en begrenzing essentieel zijn voor haar verdere ontwikkeling. Het opnieuw (of voortijdig) activeren van begeleide omgang met vader vergroot het risico op toename van spanningen en verwarring, versterking van loyaliteitsconflicten, hernieuwde emotionele ontregeling en belemmering van haar verwerking en ontwikkeling.’ Op de zitting is besproken of het verzoek zoals gedaan door de gecertificeerde instelling, te weten opschorting van de omgang voor een duur van negen maanden, nog wel passend is. De kinderrechter begrijpt dat de jeugdbeschermer de facto een ontzegging van de omgang vraagt. De moeder kan zich vinden dat verzoek. De vader voert formeel verweer tegen ontzegging van de omgang. De kinderrechter ziet aanleiding om de rechtsgronden aan te vullen en zal hierna beoordelen of voldaan is aan de vereisten van artikel 1:377a BW. In dat licht overweegt de kinderrechter de bevoegdheid van de ouders om op grond van artikel 1:377a BW een verzoek te doen, ook toekomt aan een gecertificeerde instelling (zie Hoge Raad 16 mei 2015, ECLI:NL:HR:2017:943). De kinderrechter is dan ook van oordeel dat de gecertificeerde instelling ontvankelijk is in haar verzoek tot ontzegging van de omgang.
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:7661 text/xml public 2026-04-14T12:19:44 2026-04-03 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-03-03 C/09/681149 / FA RK 25-1574 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Beschikking NL Den Haag Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:7661 text/html public 2026-04-14T12:19:24 2026-04-14 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:7661 Rechtbank Den Haag , 03-03-2026 / C/09/681149 / FA RK 25-1574 1:377a BW: ontzegging omgang op verzoek gecertificeerde instelling Rechtbank DEN HAAG Team Jeugd- en Zorgrecht Zaaksgegevens: C/09/681149 / FA RK 25-1574 Datum uitspraak: 3 maart 2026 Beschikking van de kinderrechter Wijziging omgangsregeling (artikel 1:265g BW) in de zaak naar aanleiding van het op 21 februari 2025 ingekomen verzoekschrift van: Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden, hierna te noemen: de gecertificeerde instelling, betreffende: - [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2017 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [de minderjarige] . De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan: [de vader] , hierna te noemen: de vader, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat: mr. M.P. Friperson in ’s-Gravenhage. [de moeder] , hierna te noemen: de moeder, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, De kinderrechter merkt als informanten aan: [de voormalig pleegvader] en [de voormalig pleegmoeder] , hierna te noemen: de voormalige pleegouders, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, [de pleegmoeder] hierna te noemen: de pleegmoeder, wonende op een bij de rechtbank bekend adres. Het procesverloop De kinderrechter heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder: het verzoekschrift; de brief van 30 januari 2026 van de gecertificeerde instelling. Op 3 februari 2026 heeft de kinderrechter de zaak op de zitting met gesloten deuren behandeld. Daarbij zijn verschenen: de advocaat van de vader; de moeder; de voormalig pleegvader; [naam 1] en [naam 2] namens de gecertificeerde instelling. De vader was niet aanwezig op de zitting. [de minderjarige] is op 30 januari 2026 ook in raadkamer gehoord. Feiten De ouders hebben een affectieve relatie met elkaar gehad. Zij zijn de ouders van de minderjarige [de minderjarige] ( [de minderjarige] ), geboren op [geboortedatum] 2017 in [geboorteplaats] . [de minderjarige] heeft zes jaar bij de voormalig pleegouders verbleven. Sinds de zomer van 2025 verblijft zij bij de nieuwe pleegmoeder. Bij beschikking van 18 februari 2021 van deze rechtbank is het ouderlijk gezag van de moeder beëindigd en is Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden benoemd tot voogd over [de minderjarige] . Bij beschikking van 17 oktober 2023 van deze rechtbank is bepaald dat [de minderjarige] als volgt omgang heeft met de vader: ten minste éénmaal per achtweken twee uur onder begeleiding van het Wilmahuis en onder regie van de gecertificeerde instelling. Verzoek De gecertificeerde instelling heeft verzocht de bij beschikking van 17 oktober 2023 van deze rechtbank vastgestelde omgangsregeling op grond van artikel 1:265g van het Burgerlijk Wetboek (BW) op te schorten voor een periode van negen maanden, en dat binnen deze periode nieuwe zitting zal plaatsvinden waarin wordt beoordeeld of en zo ja, met welke frequentie en duur de begeleide omgang tussen [de minderjarige] en de vader zal kunnen plaatsvinden. Daarnaast dient de regie over het hervatten van de omgang alsmede de frequentie en de duur aan de gecertificeerde instelling te worden toegedeeld, een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad. De gecertificeerde instelling heeft het verzoek als volgt gemotiveerd. Bij beschikking van 17 oktober 2023 van deze rechtbank is bepaald dat de vader en [de minderjarige] eens per acht weken twee uur onder begeleiding omgang hebben. Hiertoe is besloten omdat [de minderjarige] in haar jeugd getuige is geweest van ernstig huiselijk geweld tussen de vader en de moeder. Uit diagnostisch onderzoek is gebleken dat bij [de minderjarige] sprake is van een gespecifieerde trauma- of stressor-gerelateerde stoornis met vroegkinderlijke traumatisering en ouder-kindrelatieproblemen. Na voornoemde beschikking zijn de omgangsmomenten begeleid door het Wilmahuis. Gebleken is dat deze momenten niet altijd door gingen en vaak werden verzet. De pleegouders merkte dat [de minderjarige] rondom de omgangsmomenten spanningsklachten liet zien zoals slecht slapen, langdurige obstipatie en onvoorspelbaar en boos gedrag. Op 11 november 2024 hebben de voormalige pleegouders laten weten geen uitvoering meer te willen geven aan de omgang omdat de vader al vier jaar lang een trigger is voor [de minderjarige] . Het Wilmahuis heeft naar aanleiding daarvan besloten om de Omgangsbegeleiding te stoppen en het verder over te laten aan Jeugdformaat. Vanuit Jeugdformaat is besloten om niet mee te werken aan de Omgangsbegeleiding vanwege de veiligheid van de medewerkers door incidenten in het verleden met de vader. Naar aanleiding daarvan is door RondomJou en Jeugdformaat een visie bepaald waarin is geconcludeerd dat de omgangsregeling moet worden gepauzeerd totdat er voldoende rust en stabiliteit is bij [de minderjarige] . Daarbij moet eerst worden ingezet op een stabiele plaatsing en het opstarten van de behandeling voor [de minderjarige] , voordat de omgang met de vader weer gestart kan worden. Standpunten Namens de vader is op de zitting ingestemd met het verzoek tot opschorting van de omgang, maar verweer gevoerd tegen ontzegging van de omgang. De vader ziet in dat rust en stabiliteit nu belangrijk is voor [de minderjarige] . Hij heeft daarom bewust geen contact meer gezocht met [de minderjarige] . Ontzegging van de omgang met [de minderjarige] vindt de vader echter te ver gaan. De vader kan dan pas na minstens een jaar opnieuw een verzoek doen, terwijl dit anders is als de omgangsregeling wordt opgeschort. De moeder heeft ingestemd met het verzoek. Beoordeling Het verzoekschrift van de gecertificeerde instelling is bij de rechtbank binnengekomen op 21 februari 2025 en op de zitting van 3 februari 2026 besproken. Gebleken is dat er in de afgelopen periode geen omgang heeft plaatsgevonden tussen de vader en [de minderjarige] . De jeugdbeschermer heeft op de zitting naar voren gebracht dat hij voorlopig geen mogelijkheden ziet om de omgang te herstellen. Daarvoor is redengevend dat de vader niet reageert op pogingen van de jeugdbeschermer om contact op te nemen, en dat rust op dit moment noodzakelijk is voor [de minderjarige] . Uit de brief van 30 januari 2026 van de gecertificeerde instelling blijkt immers het volgende: ‘ laat zorgend en verantwoordelijk gedrag zien richting jongere kinderen en heeft moeite om kind te kunnen zijn. Zij is gevoelig voor stress in haar omgeving en reageert hierop met emotionele ontregeling . Uit zowel het perspectiefonderzoek als het psychoseksueel onderzoek komt naar voren dat rust, voorspelbaarheid en begrenzing essentieel zijn voor haar verdere ontwikkeling. Het opnieuw (of voortijdig) activeren van begeleide omgang met vader vergroot het risico op toename van spanningen en verwarring, versterking van loyaliteitsconflicten, hernieuwde emotionele ontregeling en belemmering van haar verwerking en ontwikkeling.’ Op de zitting is besproken of het verzoek zoals gedaan door de gecertificeerde instelling, te weten opschorting van de omgang voor een duur van negen maanden, nog wel passend is. De kinderrechter begrijpt dat de jeugdbeschermer de facto een ontzegging van de omgang vraagt. De moeder kan zich vinden dat verzoek. De vader voert formeel verweer tegen ontzegging van de omgang. De kinderrechter ziet aanleiding om de rechtsgronden aan te vullen en zal hierna beoordelen of voldaan is aan de vereisten van artikel 1:377a BW. In dat licht overweegt de kinderrechter de bevoegdheid van de ouders om op grond van artikel 1:377a BW een verzoek te doen, ook toekomt aan een gecertificeerde instelling (zie Hoge Raad 16 mei 2015, ECLI:NL:HR:2017:943). De kinderrechter is dan ook van oordeel dat de gecertificeerde instelling ontvankelijk is in haar verzoek tot ontzegging van de omgang.