Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-03-27
ECLI:NL:RBDHA:2026:7633
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,044 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:7633 text/xml public 2026-04-14T09:53:36 2026-04-02 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-03-27 NL25.30938 V Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Verzet NL Den Haag Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:7633 text/html public 2026-04-14T09:52:50 2026-04-14 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:7633 Rechtbank Den Haag , 27-03-2026 / NL25.30938 V Verzet ongegrond; De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het beroep buiten redelijke twijfel ongegrond is; De rechtbank heeft terecht uitspraak gedaan zonder opposante op zitting te horen. RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: NL25.30938 V uitspraak van de enkelvoudige kamer op het verzet van [opposante] , opposante , V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. A. Khalaf), tegen de uitspraak van de rechtbank van 19 september 2025 in het geding tussen opposante en de minister van Asiel en Migratie (hierna: de minister). Inleiding Deze uitspraak op het verzet van opposante gaat over de uitspraak van de rechtbank van 19 september 2025 waarin de rechtbank het beroep van opposante ongegrond heeft verklaard. Opposante heeft niet verzocht om op een zitting te worden gehoord. Beoordeling door de rechtbank 3. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak uitsluitend of in de uitspraak van 19 september 2025 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat het beroep ongegrond is. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet. Aan de inhoud van de beroepsgronden komt de rechtbank in deze zaak pas toe als het verzet gegrond is. 4. De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het beroep van opposante 5. Opposante heeft op 4 maart 2024 asiel aangevraagd. Zij vindt dat de minister te lang doet over het nemen van een beslissing op haar aanvraag. Zij heeft daarom beroep ingediend tegen het niet tijdig beslissen op haar aanvraag. De uitspraak van 19 september 2025 6. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Dat mag de rechtbank als het oordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft het beroep (kennelijk) ongegrond verklaard. De reden hiervoor is dat de rechtbank tot de conclusie is gekomen dat opposante weliswaar terecht een ingebrekestelling heeft ingediend op 9 september 2024, maar dat het beroep alsnog ongegrond is omdat de beslistermijn op 14 december 2024 is verlengd met een jaar met de inwerkingtreding van het besluit- en vertrekmoratorium voor Syrië. De verzetsgronden van opposante 7. Opposante heeft verzet gedaan, omdat zij het niet eens is met de uitspraak van 19 september 2025. Opposante stelt zich op het standpunt dat de rechtbank tot de conclusie had moeten komen dat het beroep tegen het niet tijdig beslissen op haar aanvraag gegrond is. Opposante voert hiertoe aan dat uit artikel 46 van de Procedurerichtlijn volgt dat het beroep een volledig en ex nunc onderzoek moet omvatten. De rechtbank had daarom in haar uitspraak moeten meewegen dat de beslistermijn op het moment van de uitspraak was verlopen. Daarnaast is er sprake van divergente jurisprudentie en is met de inwerkingtreding van het besluit- en vertrekmoratorium een situatie gecreëerd waarin sprake is van rechtsongelijkheid. Tot slot voert opposante aan dat zij reden ziet om prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) over de uitleg van artikel 31 van de Procedurerichtlijn. De regels in verzet 8. Verzet gaat over de vraag of de rechtbank ten onrechte tot vereenvoudigde behandeling is overgegaan wegens de kennelijke uitkomst van - in dit geval - het beroep van opposante. Dit betekent dat de beoordeling van de rechtbank in verzet beperkt is tot de vraag of terecht uitspraak is gedaan zonder opposante op zitting te horen. Als in verzet argumenten naar voren worden gebracht die in geval van een normale behandeling ook nog hadden kunnen worden aangevoerd, moet worden beoordeeld of hierdoor twijfel ontstaat over de uitkomst. Zo ja, dan moet de rechter het verzet gegrond verklaren zodat nader onderzoek kan plaatsvinden. Het oordeel van de rechtbank 9. De rechtbank is van oordeel dat in de uitspraak van 19 september 2025 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat het beroep ongegrond is. Er is daarom terecht uitspraak gedaan zonder opposante op zitting te horen. Hiervoor is het volgende van belang. 9.1. Opposante heeft op 4 maart 2024 haar asielaanvraag ingediend. De oorspronkelijke beslistermijn liep op 4 september 2024 af. Omdat opposante uit Syrië komt en niet valt onder een van de categorieën die uitgesloten zijn van de werking van het besluit- en vertrekmoratorium , is de beslistermijn op 14 december 2024 opgeschort en verlengd met een jaar, dus tot 4 september 2025. Dat betekent dat de beslistermijn nog niet was verstreken toen opposante op 11 juli 2025 beroep instelde tegen het niet tijdig beslissen op haar asielaanvraag. Het betoog van opposante in het verzetschrift dat de rechtbank het beroep gegrond had moeten verklaren, omdat de beslistermijn op het moment van de uitspraak op 19 september 2025 wel was verlopen, volgt de rechtbank niet. De rechter beoordeelt bij een beroep gericht tegen het niet tijdig beslissen op een asielaanvraag namelijk of de beslistermijn was verstreken ten tijde van het indienen van het beroepschrift. Gelet op het voorgaande, heeft de rechtbank in de uitspraak van 19 september 2025 terecht geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat het beroep ongegrond is. 9.2. De verzetsgrond dat in de uitspraak van 19 september 2025 geconcludeerd had moeten worden dat het beroep gegrond is omdat er veel divergente jurisprudentie is, slaagt ook niet. In de door opposante ingeroepen uitspraken is namelijk geen sprake van een vergelijkbare situatie. In die zaken was de beslistermijn namelijk verlopen en het beroep tegen het niet tijdig beslissen om die reden gegrond verklaard. Nu in onderhavige zaak de beslistermijn ten tijde van het indienen van het beroepschrift nog niet was verstreken, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat buiten redelijke twijfel het beroep ongegrond is. 9.3. De verzetsgrond dat er door de inwerkingtreding van het besluit- en vertrekmoratorium een situatie is gecreëerd waarin sprake is van rechtsongelijkheid, kan ook niet tot vernietiging van de uitspraak van 19 september 2025 leiden. De bevoegdheid om een besluitmoratorium in te stellen staat in artikel 31, vierde lid, van de Procedurerichtlijn en is geïmplementeerd in artikel 43, eerste lid van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000. Het besluit- en vertrekmoratorium is ingesteld op grond van artikel 43, eerste lid, van de Vw 2000. In artikel 8:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), samen met artikel 2 van de Awb behorende Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak, is geregeld dat tegen zo’n besluit beroep in eerste en enige aanleg kan worden ingesteld bij de hoogste bestuursrechter. De rechtbank is dus niet bevoegd een oordeel te geven over de rechtmatigheid van het besluit- en vertrekmoratorium. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank ook geen aanleiding voor het stellen van prejudiciële vragen over de uitleg van artikel 31 van de Procedurerichtlijn. Conclusie en gevolgen 10. De gronden van het verzet slagen niet. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding anders te oordelen dan in de uitspraak van 19 september 2025. Het verzet is ongegrond. Dat betekent dat die uitspraak in stand blijft. 10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het verzet ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M.A. Vinken, rechter, in aanwezigheid van mr. S.M.H. van der Velden, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open. Met opposante wordt bedoeld de indiener van het verzetschrift. Staatscourant van 13 december 2024, nr. 41538. Zie artikel 4 van het Besluit tot instelling van het besluitmoratorium.
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:7633 text/xml public 2026-04-14T09:53:36 2026-04-02 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-03-27 NL25.30938 V Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Verzet NL Den Haag Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:7633 text/html public 2026-04-14T09:52:50 2026-04-14 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:7633 Rechtbank Den Haag , 27-03-2026 / NL25.30938 V Verzet ongegrond; De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het beroep buiten redelijke twijfel ongegrond is; De rechtbank heeft terecht uitspraak gedaan zonder opposante op zitting te horen. RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: NL25.30938 V uitspraak van de enkelvoudige kamer op het verzet van [opposante] , opposante , V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. A. Khalaf), tegen de uitspraak van de rechtbank van 19 september 2025 in het geding tussen opposante en de minister van Asiel en Migratie (hierna: de minister). Inleiding Deze uitspraak op het verzet van opposante gaat over de uitspraak van de rechtbank van 19 september 2025 waarin de rechtbank het beroep van opposante ongegrond heeft verklaard. Opposante heeft niet verzocht om op een zitting te worden gehoord. Beoordeling door de rechtbank 3. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak uitsluitend of in de uitspraak van 19 september 2025 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat het beroep ongegrond is. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet. Aan de inhoud van de beroepsgronden komt de rechtbank in deze zaak pas toe als het verzet gegrond is. 4. De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het beroep van opposante 5. Opposante heeft op 4 maart 2024 asiel aangevraagd. Zij vindt dat de minister te lang doet over het nemen van een beslissing op haar aanvraag. Zij heeft daarom beroep ingediend tegen het niet tijdig beslissen op haar aanvraag. De uitspraak van 19 september 2025 6. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Dat mag de rechtbank als het oordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft het beroep (kennelijk) ongegrond verklaard. De reden hiervoor is dat de rechtbank tot de conclusie is gekomen dat opposante weliswaar terecht een ingebrekestelling heeft ingediend op 9 september 2024, maar dat het beroep alsnog ongegrond is omdat de beslistermijn op 14 december 2024 is verlengd met een jaar met de inwerkingtreding van het besluit- en vertrekmoratorium voor Syrië. De verzetsgronden van opposante 7. Opposante heeft verzet gedaan, omdat zij het niet eens is met de uitspraak van 19 september 2025. Opposante stelt zich op het standpunt dat de rechtbank tot de conclusie had moeten komen dat het beroep tegen het niet tijdig beslissen op haar aanvraag gegrond is. Opposante voert hiertoe aan dat uit artikel 46 van de Procedurerichtlijn volgt dat het beroep een volledig en ex nunc onderzoek moet omvatten. De rechtbank had daarom in haar uitspraak moeten meewegen dat de beslistermijn op het moment van de uitspraak was verlopen. Daarnaast is er sprake van divergente jurisprudentie en is met de inwerkingtreding van het besluit- en vertrekmoratorium een situatie gecreëerd waarin sprake is van rechtsongelijkheid. Tot slot voert opposante aan dat zij reden ziet om prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) over de uitleg van artikel 31 van de Procedurerichtlijn. De regels in verzet 8. Verzet gaat over de vraag of de rechtbank ten onrechte tot vereenvoudigde behandeling is overgegaan wegens de kennelijke uitkomst van - in dit geval - het beroep van opposante. Dit betekent dat de beoordeling van de rechtbank in verzet beperkt is tot de vraag of terecht uitspraak is gedaan zonder opposante op zitting te horen. Als in verzet argumenten naar voren worden gebracht die in geval van een normale behandeling ook nog hadden kunnen worden aangevoerd, moet worden beoordeeld of hierdoor twijfel ontstaat over de uitkomst. Zo ja, dan moet de rechter het verzet gegrond verklaren zodat nader onderzoek kan plaatsvinden. Het oordeel van de rechtbank 9. De rechtbank is van oordeel dat in de uitspraak van 19 september 2025 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat het beroep ongegrond is. Er is daarom terecht uitspraak gedaan zonder opposante op zitting te horen. Hiervoor is het volgende van belang. 9.1. Opposante heeft op 4 maart 2024 haar asielaanvraag ingediend. De oorspronkelijke beslistermijn liep op 4 september 2024 af. Omdat opposante uit Syrië komt en niet valt onder een van de categorieën die uitgesloten zijn van de werking van het besluit- en vertrekmoratorium , is de beslistermijn op 14 december 2024 opgeschort en verlengd met een jaar, dus tot 4 september 2025. Dat betekent dat de beslistermijn nog niet was verstreken toen opposante op 11 juli 2025 beroep instelde tegen het niet tijdig beslissen op haar asielaanvraag. Het betoog van opposante in het verzetschrift dat de rechtbank het beroep gegrond had moeten verklaren, omdat de beslistermijn op het moment van de uitspraak op 19 september 2025 wel was verlopen, volgt de rechtbank niet. De rechter beoordeelt bij een beroep gericht tegen het niet tijdig beslissen op een asielaanvraag namelijk of de beslistermijn was verstreken ten tijde van het indienen van het beroepschrift. Gelet op het voorgaande, heeft de rechtbank in de uitspraak van 19 september 2025 terecht geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat het beroep ongegrond is. 9.2. De verzetsgrond dat in de uitspraak van 19 september 2025 geconcludeerd had moeten worden dat het beroep gegrond is omdat er veel divergente jurisprudentie is, slaagt ook niet. In de door opposante ingeroepen uitspraken is namelijk geen sprake van een vergelijkbare situatie. In die zaken was de beslistermijn namelijk verlopen en het beroep tegen het niet tijdig beslissen om die reden gegrond verklaard. Nu in onderhavige zaak de beslistermijn ten tijde van het indienen van het beroepschrift nog niet was verstreken, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat buiten redelijke twijfel het beroep ongegrond is. 9.3. De verzetsgrond dat er door de inwerkingtreding van het besluit- en vertrekmoratorium een situatie is gecreëerd waarin sprake is van rechtsongelijkheid, kan ook niet tot vernietiging van de uitspraak van 19 september 2025 leiden. De bevoegdheid om een besluitmoratorium in te stellen staat in artikel 31, vierde lid, van de Procedurerichtlijn en is geïmplementeerd in artikel 43, eerste lid van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000. Het besluit- en vertrekmoratorium is ingesteld op grond van artikel 43, eerste lid, van de Vw 2000. In artikel 8:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), samen met artikel 2 van de Awb behorende Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak, is geregeld dat tegen zo’n besluit beroep in eerste en enige aanleg kan worden ingesteld bij de hoogste bestuursrechter. De rechtbank is dus niet bevoegd een oordeel te geven over de rechtmatigheid van het besluit- en vertrekmoratorium. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank ook geen aanleiding voor het stellen van prejudiciële vragen over de uitleg van artikel 31 van de Procedurerichtlijn. Conclusie en gevolgen 10. De gronden van het verzet slagen niet. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding anders te oordelen dan in de uitspraak van 19 september 2025. Het verzet is ongegrond. Dat betekent dat die uitspraak in stand blijft. 10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het verzet ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M.A. Vinken, rechter, in aanwezigheid van mr. S.M.H. van der Velden, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open. Met opposante wordt bedoeld de indiener van het verzetschrift. Staatscourant van 13 december 2024, nr. 41538. Zie artikel 4 van het Besluit tot instelling van het besluitmoratorium.