Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-03-11
ECLI:NL:RBDHA:2026:7619
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
6,102 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:7619 text/xml public 2026-04-14T09:11:50 2026-04-02 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-03-11 NL26.2744 en NL26.2745 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Voorlopige voorziening NL Den Haag Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:7619 text/html public 2026-04-14T09:11:26 2026-04-14 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:7619 Rechtbank Den Haag , 11-03-2026 / NL26.2744 en NL26.2745 Asielaanvraag; Algerije; Beroep ongegrond; Verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen; Verweerder mocht eisers homoseksualiteit ongeloofwaardig vinden; Verweerder heeft voldoende gemotiveerd dat eiser geen reëel risico op ernstige schade loopt; Verweerder mocht de aanvraag afwijzen als kennelijk ongegrond. RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummers: NL26.2744 (beroep) en NL26.2745 (voorlopige voorziening) uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen [eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser/verzoeker (hierna: eiser) (gemachtigde: mr. N. Birrou), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag en beoordeelt de voorzieningenrechter zijn verzoek om een voorlopige voorziening. 1.1. Eiser heeft op 6 januari 2026 een opvolgende aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 15 januari 2026 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond. 1.2. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 1.3. Eiser heeft gereageerd op het verweerschrift. 1.4. Op 9 maart 2026 heeft de rechtbank, met instemming van de partijen, het onderzoek gesloten zonder dat een zitting plaatsvindt. Beoordeling door de rechtbank Geen zitting 2. Bij brief van 27 januari 2026 heeft de gemachtigde van eiser verzocht om de zitting achterwege te laten en de zaken inhoudelijk op de stukken af te doen. Bij brief van 12 februari 2026 heeft verweerder hiermee ingestemd. Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank besloten een zitting achterwege te laten. Waar gaat deze zaak over? De vorige asielaanvraag 3. Eiser heeft de Algerijnse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1995. Eiser heeft op 16 juni 2025 een eerste asielaanvraag ingediend. Deze aanvraag is bij besluit van 2 juli 2025 afgewezen. De rechtbank heeft het hiertegen gerichte beroep ongegrond verklaard. De huidige opvolgende asielaanvraag 4. Op 6 januari 2026 heeft eiser een tweede asielaanvraag ingediend, waarbij hij zich beroept op zijn homoseksuele geaardheid. Het bestreden besluit 5. Het asielrelaas bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven: Eisers identiteit, nationaliteit en herkomst; Eisers homoseksualiteit. 5.1. Verweerder vindt eisers identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig, omdat de Algerijnse autoriteiten een laissez-passer hebben afgegeven. Verweerder vindt eisers homoseksualiteit niet geloofwaardig, omdat zijn verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen en hij in grote lijnen niet als geloofwaardig kan worden beschouwd. Verweerder vindt verder dat eiser bij terugkeer naar Algerije geen gegronde vrees voor vervolging heeft en geen reëel risico loopt op ernstige schade als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw. Wat vindt eiser in beroep? 6. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert – kort samengevat – het volgende aan. Eiser voert allereerst aan dat verweerder een beoordelingskader heeft gehanteerd dat onvoldoende rekening houdt met de specifieke context waarin LHBTI-asielrelazen tot stand komen, zeker wanneer sprake is van langdurige detentie, psychische belasting en afkomst uit een land waar homoseksualiteit strafbaar en sociaal onaanvaardbaar is. Verder voert eiser aan dat artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vw ten onrechte is toegepast. Verweerder heeft namelijk niet gespecificeerd welke verklaringen innerlijk tegenstrijdig of ongeloofwaardig zijn en waarom deze niet mede kunnen worden verklaard door de detentie- en stresscontext waarin zij zijn afgelegd. Daarnaast stelt eiser dat verweerder heeft nagelaten een zelfstandige en actuele toets aan artikel 3 van het EVRM te verrichten. Tot slot voert eiser aan dat, gelet op de aard en inhoud van de zaak, verweerder niet had mogen kiezen voor een kennelijk ongegrond afdoening. Wat is het oordeel van de rechtbank? 7. De rechtbank beoordeelt of verweerder eisers asielaanvraag kon afwijzen als kennelijk ongegrond. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen. Mocht verweerder eisers homoseksualiteit ongeloofwaardig vinden? 8. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de homoseksuele geaardheid van eiser ongeloofwaardig heeft kunnen vinden en overweegt hiertoe als volgt 8.1. Verweerder heeft zich allereerst op het standpunt kunnen stellen dat eisers verklaringen geen aannemelijk en samenhangend geheel vormen. Verweerder heeft kunnen tegenwerpen dat eiser met zijn verklaringen geen inzicht heeft gegeven in hoe het voor hem was om erachter te komen dat hij op mannen valt. De enkele verklaring dat hij een gevoel van angst had toen hij doorkreeg dat zijn volledige aandacht naar mannen ging omdat dat in Algerije taboe is, heeft verweerder onvoldoende overtuigend kunnen vinden. Daarbij heeft verweerder er niet ten onrechte op gewezen dat eiser voornamelijk verklaart over seksuele handelingen. Eiser heeft verder verklaard dat hij een dubbelleven leidde, omdat hij ook verloofd was. Verweerder heeft kunnen tegenwerpen dat eiser vervolgens geen inzicht kan geven in hoe hij hier mee omging en hoe het voor hem was om een dubbelleven te leiden. Aan eiser is namelijk gevraagd hoe hij zich voelde als hij thuiskwam na een afspraak met een man. Eiser heeft daarop verklaard dat hij zich hetzelfde voelde als een man die teruggaat naar zijn vrouw. Als gevraagd wordt om een nadere toelichting, antwoordt eiser dat hij alles wat hij heerlijk en fijn vindt buiten de deur deed en dat als hij thuiskwam hij een gevoel van voldoening had. Verweerder heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat voorgaande verklaringen geen inzicht geven in het gevoelsleven van eiser. 8.2. Verweerder heeft ook terecht tegengeworpen dat eiser tegenstrijdig heeft verklaard over zijn homoseksuele geaardheid. Zo heeft eiser enerzijds verklaard dat hij al op jonge leeftijd trots was om homoseksueel te zijn en blij was met zichzelf , en anderzijds dat hij vanwege zijn ‘Algerijnse mentaliteit’ zijn homoseksualiteit niet eerder durfde te melden bij verweerder. Eisers stelling dat verweerder niet heeft gespecifieerd welke verklaringen innerlijk tegenstrijdig of ongeloofwaardig zijn, volgt de rechtbank gelet op het voorgaande niet. 8.3. Eisers betoog dat verweerder een beoordelingskader heeft gehanteerd dat onvoldoende rekening houdt met de specifieke context waarin LHBTI-asielrelazen tot stand komen, volgt de rechtbank niet. De rechtbank overweegt dat eiser niet heeft onderbouwd dat hij vanwege zijn detentie, psychische belasting en afkomst uit een land waar homoseksualiteit strafbaar en sociaal onaanvaardbaar is, niet in staat zou zijn om verklaringen af te leggen over zijn gevoelens, emoties en gedachten. Eiser heeft ook niet onderbouwd op welke manier hier meer rekening mee had moeten worden gehouden en op welke concrete punten verweerder daarin tekort is geschoten. Verweerder heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat, ondanks dat eiser last heeft van spanningsklachten en verminderde concentratie vanwege zijn verblijf in detentie, inzichtelijkere verklaringen van hem hadden mogen worden verwacht over zijn homoseksuele geaardheid. 8.4. Verweerder heeft tot slot bij de geloofwaardigheidsbeoordeling van eisers homoseksuele geaardheid mogen betrekken dat eiser in grote lijnen niet als geloofwaardig wordt beschouwd.
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:7619 text/xml public 2026-04-14T09:11:50 2026-04-02 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-03-11 NL26.2744 en NL26.2745 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Voorlopige voorziening NL Den Haag Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:7619 text/html public 2026-04-14T09:11:26 2026-04-14 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:7619 Rechtbank Den Haag , 11-03-2026 / NL26.2744 en NL26.2745 Asielaanvraag; Algerije; Beroep ongegrond; Verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen; Verweerder mocht eisers homoseksualiteit ongeloofwaardig vinden; Verweerder heeft voldoende gemotiveerd dat eiser geen reëel risico op ernstige schade loopt; Verweerder mocht de aanvraag afwijzen als kennelijk ongegrond. RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummers: NL26.2744 (beroep) en NL26.2745 (voorlopige voorziening) uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen [eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser/verzoeker (hierna: eiser) (gemachtigde: mr. N. Birrou), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag en beoordeelt de voorzieningenrechter zijn verzoek om een voorlopige voorziening. 1.1. Eiser heeft op 6 januari 2026 een opvolgende aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 15 januari 2026 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond. 1.2. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 1.3. Eiser heeft gereageerd op het verweerschrift. 1.4. Op 9 maart 2026 heeft de rechtbank, met instemming van de partijen, het onderzoek gesloten zonder dat een zitting plaatsvindt. Beoordeling door de rechtbank Geen zitting 2. Bij brief van 27 januari 2026 heeft de gemachtigde van eiser verzocht om de zitting achterwege te laten en de zaken inhoudelijk op de stukken af te doen. Bij brief van 12 februari 2026 heeft verweerder hiermee ingestemd. Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank besloten een zitting achterwege te laten. Waar gaat deze zaak over? De vorige asielaanvraag 3. Eiser heeft de Algerijnse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1995. Eiser heeft op 16 juni 2025 een eerste asielaanvraag ingediend. Deze aanvraag is bij besluit van 2 juli 2025 afgewezen. De rechtbank heeft het hiertegen gerichte beroep ongegrond verklaard. De huidige opvolgende asielaanvraag 4. Op 6 januari 2026 heeft eiser een tweede asielaanvraag ingediend, waarbij hij zich beroept op zijn homoseksuele geaardheid. Het bestreden besluit 5. Het asielrelaas bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven: Eisers identiteit, nationaliteit en herkomst; Eisers homoseksualiteit. 5.1. Verweerder vindt eisers identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig, omdat de Algerijnse autoriteiten een laissez-passer hebben afgegeven. Verweerder vindt eisers homoseksualiteit niet geloofwaardig, omdat zijn verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen en hij in grote lijnen niet als geloofwaardig kan worden beschouwd. Verweerder vindt verder dat eiser bij terugkeer naar Algerije geen gegronde vrees voor vervolging heeft en geen reëel risico loopt op ernstige schade als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw. Wat vindt eiser in beroep? 6. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert – kort samengevat – het volgende aan. Eiser voert allereerst aan dat verweerder een beoordelingskader heeft gehanteerd dat onvoldoende rekening houdt met de specifieke context waarin LHBTI-asielrelazen tot stand komen, zeker wanneer sprake is van langdurige detentie, psychische belasting en afkomst uit een land waar homoseksualiteit strafbaar en sociaal onaanvaardbaar is. Verder voert eiser aan dat artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vw ten onrechte is toegepast. Verweerder heeft namelijk niet gespecificeerd welke verklaringen innerlijk tegenstrijdig of ongeloofwaardig zijn en waarom deze niet mede kunnen worden verklaard door de detentie- en stresscontext waarin zij zijn afgelegd. Daarnaast stelt eiser dat verweerder heeft nagelaten een zelfstandige en actuele toets aan artikel 3 van het EVRM te verrichten. Tot slot voert eiser aan dat, gelet op de aard en inhoud van de zaak, verweerder niet had mogen kiezen voor een kennelijk ongegrond afdoening. Wat is het oordeel van de rechtbank? 7. De rechtbank beoordeelt of verweerder eisers asielaanvraag kon afwijzen als kennelijk ongegrond. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen. Mocht verweerder eisers homoseksualiteit ongeloofwaardig vinden? 8. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de homoseksuele geaardheid van eiser ongeloofwaardig heeft kunnen vinden en overweegt hiertoe als volgt 8.1. Verweerder heeft zich allereerst op het standpunt kunnen stellen dat eisers verklaringen geen aannemelijk en samenhangend geheel vormen. Verweerder heeft kunnen tegenwerpen dat eiser met zijn verklaringen geen inzicht heeft gegeven in hoe het voor hem was om erachter te komen dat hij op mannen valt. De enkele verklaring dat hij een gevoel van angst had toen hij doorkreeg dat zijn volledige aandacht naar mannen ging omdat dat in Algerije taboe is, heeft verweerder onvoldoende overtuigend kunnen vinden. Daarbij heeft verweerder er niet ten onrechte op gewezen dat eiser voornamelijk verklaart over seksuele handelingen. Eiser heeft verder verklaard dat hij een dubbelleven leidde, omdat hij ook verloofd was. Verweerder heeft kunnen tegenwerpen dat eiser vervolgens geen inzicht kan geven in hoe hij hier mee omging en hoe het voor hem was om een dubbelleven te leiden. Aan eiser is namelijk gevraagd hoe hij zich voelde als hij thuiskwam na een afspraak met een man. Eiser heeft daarop verklaard dat hij zich hetzelfde voelde als een man die teruggaat naar zijn vrouw. Als gevraagd wordt om een nadere toelichting, antwoordt eiser dat hij alles wat hij heerlijk en fijn vindt buiten de deur deed en dat als hij thuiskwam hij een gevoel van voldoening had. Verweerder heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat voorgaande verklaringen geen inzicht geven in het gevoelsleven van eiser. 8.2. Verweerder heeft ook terecht tegengeworpen dat eiser tegenstrijdig heeft verklaard over zijn homoseksuele geaardheid. Zo heeft eiser enerzijds verklaard dat hij al op jonge leeftijd trots was om homoseksueel te zijn en blij was met zichzelf , en anderzijds dat hij vanwege zijn ‘Algerijnse mentaliteit’ zijn homoseksualiteit niet eerder durfde te melden bij verweerder. Eisers stelling dat verweerder niet heeft gespecifieerd welke verklaringen innerlijk tegenstrijdig of ongeloofwaardig zijn, volgt de rechtbank gelet op het voorgaande niet. 8.3. Eisers betoog dat verweerder een beoordelingskader heeft gehanteerd dat onvoldoende rekening houdt met de specifieke context waarin LHBTI-asielrelazen tot stand komen, volgt de rechtbank niet. De rechtbank overweegt dat eiser niet heeft onderbouwd dat hij vanwege zijn detentie, psychische belasting en afkomst uit een land waar homoseksualiteit strafbaar en sociaal onaanvaardbaar is, niet in staat zou zijn om verklaringen af te leggen over zijn gevoelens, emoties en gedachten. Eiser heeft ook niet onderbouwd op welke manier hier meer rekening mee had moeten worden gehouden en op welke concrete punten verweerder daarin tekort is geschoten. Verweerder heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat, ondanks dat eiser last heeft van spanningsklachten en verminderde concentratie vanwege zijn verblijf in detentie, inzichtelijkere verklaringen van hem hadden mogen worden verwacht over zijn homoseksuele geaardheid. 8.4. Verweerder heeft tot slot bij de geloofwaardigheidsbeoordeling van eisers homoseksuele geaardheid mogen betrekken dat eiser in grote lijnen niet als geloofwaardig wordt beschouwd.
Volledig
Verweerder heeft daarbij kunnen betrekken dat eiser pas een dag voor zijn geplande uitzetting naar Algerije zijn opvolgende asielaanvraag heeft ingediend en daar geen verschoonbare verklaring voor heeft. Dit wordt ook niet betwist in de beroepsgronden. Mocht verweerder vinden dat eiser geen reëel risico op ernstige schade loopt? 9. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich voldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij een terugkeer naar Algerije een reëel risico op ernstige schade loopt. Eisers betoog dat verweerder geen zelfstandige en actuele toets aan artikel 3 van het EVRM heeft verricht, volgt de rechtbank niet. Dat verweerder, zoals eiser stelt, had moeten toetsen of eiser bij terugkeer het risico loopt dat hij wordt gezien of behandeld als homoseksueel, volgt de rechtbank evenmin. Verweerder heeft er terecht op gewezen dat er geen indicaties zijn dat eiser bij een terugkeer naar Algerije gezien wordt als homoseksueel en daardoor problemen zou kunnen ondervinden. De uitspraak van de hoogste bestuursrechter , waarnaar eiser verwijst, leidt niet tot een ander oordeel. Mocht verweerder de aanvraag afwijzen als kennelijk ongegrond? 10. Naar het oordeel van de rechtbank mocht verweerder eisers aanvraag afwijzen als kennelijk ongegrond, alleen al omdat de aanvraag een opvolgende aanvraag is die niet niet-ontvankelijk is verklaard. Eiser heeft in beroep niet aangevoerd dat verweerder deze grondslag ten onrechte heeft toegepast. Eisers betoog dat zijn aanvraag niet als kennelijk ongegrond kan worden afgedaan omdat de zaak zich daar niet voor leent, volgt de rechtbank niet. Dat eiser in grensdetentie verblijft en er sprake is van een opvolgende asielaanvraag met een LHBTI-asielmotief, maakt immers niet dat zijn asielaanvraag niet kennelijk ongegrond kan worden verklaard. Conclusie en gevolgen 11. De rechtbank komt tot de conclusie dat verweerder de aanvraag van eiser terecht kennelijk ongegrond heeft verklaard. Het beroep is ongegrond. 12. Omdat op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af. 13. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M.A. Vinken, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. S.M.H. van der Velden, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open. Artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder d, f en g, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Uitspraak van de rechtbank van Den Haag, zittingsplaats Haarlem, 8 september 2025, ECLI:NL:RBNHO:2025:10429. Artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c en e, van de Vw 2000. Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Gehoor opvolgende aanvraag van 8 januari 2026, p. 7. Gehoor opvolgende aanvraag van 8 januari 2026, p. 9. Gehoor opvolgende aanvraag van 8 januari 2026, p. 3 en 4. Gehoor opvolgende aanvraag van 8 januari 2026, p. 16 en 17. Gehoor opvolgende aanvraag van 8 januari 2026, p. 17. Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 23 januari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:329
Volledig
Verweerder heeft daarbij kunnen betrekken dat eiser pas een dag voor zijn geplande uitzetting naar Algerije zijn opvolgende asielaanvraag heeft ingediend en daar geen verschoonbare verklaring voor heeft. Dit wordt ook niet betwist in de beroepsgronden. Mocht verweerder vinden dat eiser geen reëel risico op ernstige schade loopt? 9. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich voldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij een terugkeer naar Algerije een reëel risico op ernstige schade loopt. Eisers betoog dat verweerder geen zelfstandige en actuele toets aan artikel 3 van het EVRM heeft verricht, volgt de rechtbank niet. Dat verweerder, zoals eiser stelt, had moeten toetsen of eiser bij terugkeer het risico loopt dat hij wordt gezien of behandeld als homoseksueel, volgt de rechtbank evenmin. Verweerder heeft er terecht op gewezen dat er geen indicaties zijn dat eiser bij een terugkeer naar Algerije gezien wordt als homoseksueel en daardoor problemen zou kunnen ondervinden. De uitspraak van de hoogste bestuursrechter , waarnaar eiser verwijst, leidt niet tot een ander oordeel. Mocht verweerder de aanvraag afwijzen als kennelijk ongegrond? 10. Naar het oordeel van de rechtbank mocht verweerder eisers aanvraag afwijzen als kennelijk ongegrond, alleen al omdat de aanvraag een opvolgende aanvraag is die niet niet-ontvankelijk is verklaard. Eiser heeft in beroep niet aangevoerd dat verweerder deze grondslag ten onrechte heeft toegepast. Eisers betoog dat zijn aanvraag niet als kennelijk ongegrond kan worden afgedaan omdat de zaak zich daar niet voor leent, volgt de rechtbank niet. Dat eiser in grensdetentie verblijft en er sprake is van een opvolgende asielaanvraag met een LHBTI-asielmotief, maakt immers niet dat zijn asielaanvraag niet kennelijk ongegrond kan worden verklaard. Conclusie en gevolgen 11. De rechtbank komt tot de conclusie dat verweerder de aanvraag van eiser terecht kennelijk ongegrond heeft verklaard. Het beroep is ongegrond. 12. Omdat op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af. 13. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M.A. Vinken, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. S.M.H. van der Velden, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open. Artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder d, f en g, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Uitspraak van de rechtbank van Den Haag, zittingsplaats Haarlem, 8 september 2025, ECLI:NL:RBNHO:2025:10429. Artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c en e, van de Vw 2000. Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Gehoor opvolgende aanvraag van 8 januari 2026, p. 7. Gehoor opvolgende aanvraag van 8 januari 2026, p. 9. Gehoor opvolgende aanvraag van 8 januari 2026, p. 3 en 4. Gehoor opvolgende aanvraag van 8 januari 2026, p. 16 en 17. Gehoor opvolgende aanvraag van 8 januari 2026, p. 17. Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 23 januari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:329