Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-04-01
ECLI:NL:RBDHA:2026:7562
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,980 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBDHA:2026:7562 text/xml public 2026-04-03T09:00:22 2026-04-02 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-04-01 NL25.43288 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Middelburg Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:7562 text/html public 2026-04-02T11:23:47 2026-04-03 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:7562 Rechtbank Den Haag , 01-04-2026 / NL25.43288 Niet voldaan aan voorwaarden [arrest]. Belangenafweging 8 EVRM in het nadeel van eiser. RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL25.43288 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , eiser V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. J.W. van de Wege), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. E.N. Spijkerman). Procesverloop Met een besluit van 18 november 2024 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot afgifte van een verblijfsdocument EU/EER afgewezen. Met een besluit van 15 augustus 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder het tegen het primaire besluit gerichte bezwaar ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft het beroep op 11 maart 2026 in Breda op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, [persoon] als tolk en de gemachtigde van verweerder. Overwegingen 1. Eiser is geboren op [geboortedag] 1991 en heeft de Syrische nationaliteit. Hij wil in Nederland verblijven bij zijn partner en minderjarige zoon, die beiden de Nederlandse nationaliteit hebben. Daarom heeft hij op 28 november 2023 een aanvraag ingediend voor een verblijfsdocument EU voor verblijf als verzorgende ouder van een Nederlands minderjarig kind. 2. Met het primaire besluit heeft verweerder de aanvraag afgewezen. In het kader van zijn bezwaar tegen dit besluit is eiser op 24 maart 2025 gehoord. Met het bestreden besluit heeft verweerder de afwijzing van de aanvraag gehandhaafd. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser niet voldoet aan de voorwaarden voor verblijfsrecht op grond van het arrest [arrest] . Eiser heeft namelijk verblijfsrecht in Duitsland, zodat zijn zoon niet gedwongen wordt het grondgebied van de EU te verlaten als het verblijfsdocument niet wordt afgegeven. De belangenafweging die verweerder heeft gemaakt in het kader van artikel 8 van het EVRM , valt in het nadeel van eiser uit. 3. Eiser heeft tegen het bestreden besluit aangevoerd dat aan hem een afgeleid verblijfsrecht moet worden verleend. Ook stelt hij dat de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM in zijn voordeel dient uit te vallen. Hij verwacht snel werk te hebben als hij een verblijfsdocument heeft, zodat hij geen beroep hoeft te doen op de openbare kas. Verder is van belang dat eiser in gezinsverband leeft met zijn kind, zijn partner, en de twee andere kinderen van zijn partner. Die twee kinderen hebben een omgangsregeling met hun vader, van hem mag niet verwacht worden dat hij hiervoor op en neer reist naar Duitsland. Ook is het voor hem niet mogelijk zijn kinderen elke dag te zien als zij in Duitsland wonen, terwijl in het ouderschapsplan staat dat hij ze elke dag zou mogen zien. Eiser overlegt een verklaring van de vader waaruit blijkt dat hij geen toestemming geeft voor de verhuizing van zijn kinderen naar Duitsland. De rechtbank oordeelt als volgt. [arrest] 4. Het arrest [arrest] beperkt zich tot de vraag of een kind gedwongen zou zijn het grondgebied van de EU te verlaten als aan zijn derdelander ouder een verblijfsrecht wordt geweigerd. Dat is hier niet aan de orde. Eiser heeft verblijfsrecht in Duitsland. Dat betekent dat zijn zoon niet gedwongen wordt om de EU te verlaten als hij eiser naar Duitsland zou moeten volgen. Ook ter zitting heeft eiser niet kunnen uitleggen waarom hij toch in aanmerking zou komen voor een afgeleid verblijfsrecht als bedoeld in dit arrest. Verweerder heeft dan ook terecht geconcludeerd dat eiser niet voldoet aan de voorwaarden van het arrest [arrest] . Artikel 8 van het EVRM 5. Verweerder heeft aangenomen dat tussen eiser, zijn partner en zijn minderjarige zoon sprake is van een beschermwaardig gezinsleven. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt in dat geval dat artikel 8 van het EVRM verweerder ertoe verplicht om alle relevante gegevens en belangen van het individuele geval kenbaar af te wegen tegen het algemene belang van het economisch welzijn van de Nederlandse staat. De rechter moet toetsen of verweerder dit heeft gedaan en, als dit het geval is, of hij zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat die afweging heeft geresulteerd in een ‘fair balance’ tussen enerzijds het belang van de vreemdeling bij de uitoefening van het privéleven en familie- en gezinsleven hier te lande en anderzijds het algemeen belang van de Nederlandse samenleving bij het voeren van een restrictief toelatingsbeleid. Dat betekent dat de rechter vol toetst of verweerder alle relevante belangen heeft betrokken en dat de toetsing door de rechter van de weging van de belangen enigszins terughoudend moet zijn. 6. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder alle relevante feiten en omstandigheden bij de belangenafweging betrokken. In zijn op basis daarvan uitgevoerde belangenafweging heeft verweerder het belang van eiser om gezins- of privéleven in Nederland uit te oefenen niet ten onrechte minder zwaar laten wegen dan het algemeen belang van de Nederlandse staat bij het voeren van een restrictief toelatingsbeleid. Daarbij is van belang dat het onzeker is of eiser werk zal vinden in Nederland. Daarnaast woonde eiser sinds 2016 in Duitsland, heeft hij daar familie wonen en spreekt hij de taal. Hij is veel korter in Nederland (sinds 2024) en spreekt de taal niet. Verder is de oudste zoon van eisers partner meerderjarig, zodat het ouderschapsplan niet meer geldt en hij geen toestemming van zijn vader nodig heeft voor een verhuizing naar Duitsland. Dat uitvoering van het ouderschapsplan of omgang met de nog minderjarige dochter van eisers partner niet mogelijk is als zij in Duitsland verblijft, is niet onderbouwd. Hierbij is ook van belang dat uit vaste jurisprudentie van het EHRM volgt dat in een situatie waarin de betrokkenen zich ervan bewust waren dat de verblijfsstatus van één van hen vanaf het begin precair was, zoals bij eiser het geval is, een weigering tot verblijf slechts onder uitzonderlijke omstandigheden leidt tot een schending van artikel 8 van het EVRM. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat van dergelijke omstandigheden niet is gebleken. Conclusie en gevolgen 7. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan op 1 april 2026 door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. A.J.J. Sterks, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. De uitspraak is bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) van 10 mei 2017 in de zaak C-133/15, (ECLI:EU:C:2017:354). Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Bijvoorbeeld de uitspraak van 25 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2485. Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Onder meer het arrest van 28 juni 2011, nr. 55597/09, [naam] tegen Noorwegen.