Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-03-03
ECLI:NL:RBDHA:2026:7511
Civiel recht; Personen- en familierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,535 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBDHA:2026:7511 text/xml public 2026-04-02T08:12:06 2026-04-02 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-03-03 C/09/699576 / FA RK 26-1477 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Beschikking NL Den Haag Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:7511 text/html public 2026-04-02T07:27:21 2026-04-02 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:7511 Rechtbank Den Haag , 03-03-2026 / C/09/699576 / FA RK 26-1477 Aanvaarding bevoegdheid ex artikel 12 Brussel II ter. Rechtbank DEN HAAG Enkelvoudige kamer Rekestnummer: FA RK 26-1477 Zaaknummer: C/09/699576 Datum beschikking: 3 maart 2026 Aanvaarding bevoegdheid ex artikel 12 Brussel II ter Beschikking op het op 23 januari 2026 ingekomen verzoek van: de RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG OOST-VLAANDEREN in België, afdeling Oudenaarde, sectie familie- en jeugdrechtbank, hierna: de rechtbank Oudenaarde, betreffende de minderjarige: [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2022 te [geboorteplaats] , [land] . Als belanghebbenden worden aangemerkt: [de vader] , de vader, wonende op een voor de rechtbank bekend adres. [de moeder] , de moeder, wonende op een voor de rechtbank onbekend adres. Procedure De rechtbank heeft kennis genomen van de beschikking van de rechtbank Oudenaarde van 20 januari 2026 met daarin het verzoek op grond van artikel 12 van de Verordening Brussel II-ter van 20 november 2023 (Brussel II-ter), door de rechtbank ontvangen via het Bureau Liaisonrechter Internationale Kinderbescherming (BLIK). Feiten De vader en de moeder zijn de ouders van de nu nog minderjarige [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2022 te [geboorteplaats] , België. Bij beschikking van 19 januari 2026 van de Belgische rechtbank is gerechtelijke jeugdhulp bevolen voor [de minderjarige] , namelijk een onder toerzicht stelling van de sociale dienst voor gerechtelijke jeugdhulpverlening mits verblijf in de context van de vader in Nederland. Verzoek De rechtbank Oudenaarde verzoekt de rechtbank Den Haag (Team Familie- en jeugdrecht) om zijn bevoegdheid overeenkomstig artikel 12 Brussel II-ter uit te oefenen. Beoordeling Wettelijk kader Op grond van artikel 12 Brussel II-ter kan – in uitzonderlijke omstandigheden – een ten gronde bevoegd gerecht van een lidstaat op eigen initiatief het gerecht van een andere lidstaat verzoeken om zijn bevoegdheid uit te oefenen, indien de ten gronde bevoegde lidstaat van mening is dat het gerecht van een andere lidstaat waarmee het kind een bijzondere band heeft beter in staat is om de zaak of een specifiek onderdeel daarvan te behandelen en het in het belang van het kind is dat het andere gerecht de zaak verder in behandeling neemt. De vereisten voor aanvaarding Bevoegdheid gerecht De rechtbank Oudenaarde heeft zich bevoegd verklaard om te oordelen in het jeugdbeschermingsdossier van [de minderjarige] . Om die reden is de rechtbank Oudenaarde ook bevoegd een verzoek tot overdracht van bevoegdheid te doen. Een bijzondere band en beter in staat De rechtbank dient vervolgens te beoordelen of het kind een bijzondere band met Nederland heeft. Op grond van artikel 12 lid 4 wordt een kind geacht in de zin van lid 1 van het artikel een bijzondere band met een lidstaat te hebben indien: het kind na het aanhangig maken van een zaak bij het in lid 1 bedoelde gerecht zijn gewone verblijfplaats in die lidstaat heeft verkregen; het kind voordien zijn gewone verblijfplaats in die lidstaat had; het kind onderdaan van die lidstaat is; een van de personen die de ouderlijke verantwoordelijkheid dragen, zijn gewone verblijfplaats in die lidstaat heeft. De rechtbank overweegt als volgt. Uit het verzoek van de rechtbank Oudenaarde is gebleken dat [de minderjarige] sinds 19 januari 2026, zijnde de datum van de beschikking waarin [de minderjarige] onder toezicht is gesteld in de vaderlijke context, bij de vader in Nederland verblijft. Zij is begin februari gestart op school in Nederland. [de minderjarige] heeft bovendien de Nederlandse nationaliteit, net als haar vader. Gelet hierop heeft [de minderjarige] naar het oordeel van de rechtbank een bijzondere band met Nederland en is de Nederlandse rechtbank beter in staat om te oordelen in het jeugdbeschermingsdossier van [de minderjarige] . De aanvaarding Gelet op het voorgaande en het doel dat met het verzoek is beoogd, is de rechtbank van oordeel dat overdracht van de bevoegdheid in het belang van [de minderjarige] is. De rechtbank zal haar bevoegdheid inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid als bedoeld in artikel 12 Brussel II-ter in het belang van [de minderjarige] aanvaarden. De rechtbank merkt hierbij op dat deze beslissing een overdracht van bevoegdheid inhoudt, doch niet een overdracht van de zaak. In de omstandigheid dat er voor [de minderjarige] door de Belgische kinderrechter tot 3 mei 2026 een kinderbeschermingsmaatregel is opgelegd ziet de rechtbank aanleiding een mondelinge behandeling te gelasten om met de raad voor de kinderbescherming en de belanghebbenden te bespreken of, en zo ja op welke wijze, deze kinderbeschermingsmaatregel moet worden omgezet naar een in Nederland uitvoerbare beschermingsmaatregel. Daarnaast zal ter zitting worden besproken wie van de belanghebbende met het gezag is belast en welke andere beslissingen ten aanzien van [de minderjarige] noodzakelijk zijn. Belanghebbenden kunnen tot uiterlijk 10 dagen voorafgaand aan de mondelinge behandeling – via een advocaat – verzoeken indienen die op de zitting besproken zullen worden. Beslissing De rechtbank: aanvaardt de bevoegdheid overeenkomstig artikel 12 Brussel II-ter ter zake van de ouderlijke verantwoordelijkheid over de minderjarige: [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2022 te [geboorteplaats] , België; bepaalt dat een mondelinge behandeling zal plaatsvinden op de zitting van 3 april 2026 om 15.15 uur; gelast de griffier tegen voormelde zitting partijen en de Raad op te roepen. Deze beschikking is gegeven door mr. H.M. Boone, kinderrechter, bijgestaan door mr. M. Meijer als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 3 maart 2026.