Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2026-03-13
ECLI:NL:RBDHA:2026:7427
RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 26/1785 uitspraak van de voorzieningenrechter van 13 maart 2026 in de zaak tussen [verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker (gemachtigde: mr. dr. A.G. Awesta) en de burgemeester van Den Haag, verweerder (gemachtigden: mr. S. Buvelot en mr. S. El Boustati). Inleiding 1. Deze uitspraak heeft betrekking op het verzoek om een voorlopige voorziening tegen een beperking die verweerder aan een demonstratie heeft opgelegd op grond van de Wet openbare manifestaties (Wom). 1.1. Verweerder heeft bij besluit van 27 februari 2026 bepaald dat bij een door verzoeker aangemelde demonstratie geen gebruik mag worden gemaakt van brandbare goederen. Hiertegen heeft verzoeker bezwaar gemaakt. 1.2. Verzoeker heeft de rechtbank gevraagd om een voorlopige voorziening. 1.3. De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 5 maart 2026. Daarbij verschenen verzoeker met zijn gemachtigde en de gemachtigden van verweerder. 1.4. Het onderzoek ter zitting is geschorst om partijen de gelegenheid te geven op 6 maart 2026 de plaatselijke situatie te bekijken in aanwezigheid van een Kiwa-inspecteur en eventueel tot afspraken te komen. 1.5. Partijen hebben geen overeenstemming bereikt en hebben uitspraak gevraagd. Procesverloop Aanleiding voor het verzoek 2. Op 28 januari 2026 heeft verzoeker een demonstratie aangemeld. Verzoeker wil met ongeveer 10 deelnemers een statische sit-in demonstratie houden tegen het bewind in Iran. De aangegeven locatie is het atrium van het rijkskantoorgebouw aan de Rijnstraat 8. Bij de demonstratie wordt een samenstel van goederen gebruikt. In de aanmelding wordt melding gemaakt van de aanwezigheid van vlaggen, een tent, foto’s en banners. Deze demonstratie is gefaciliteerd door verweerder. 2.1. Verzoeker heeft op 7 februari 2026 opnieuw een melding gedaan met als doel de demonstratie tot 31 maart 2026 op dezelfde wijze voort zetten. 3. Het Rijksvastgoedbedrijf heeft verweerder op 19 februari 2026 ingelicht over de bevindingen van het certificeringsbureau Kiwa. De inspecteur van Kiwa heeft vastgesteld dat geen certificering voor de sprinklerinstallatie van het rijkskantoorgebouw kan worden verstrekt, vanwege de aanwezigheid van een tent met brandbare spullen bij de demonstratie in het atrium. Een samenstel van brandbare goederen op minder dan 10 meter afstand is namelijk strijdig met de brandveiligheidsnormen uit het Uitgangspuntendocument brandveiligheidseisen (“het UPD”) dat voor het gebouw is afgegeven. 4. Met het bestreden besluit van 27 februari 2026 heeft verweerder een beperking opgelegd op grond van een risico voor de veiligheid en gezondheid van demonstranten, omstanders en aanwezigen binnen het gebouw. Verweerder heeft beslist dat het gebruik van brandbare goederen niet is toegestaan binnen een afstand van 10 meter tot het rijkskantoorgebouw. 5. Verzoeker heeft de tent en de elektrische apparatuur moeten verwijderen. 6. Verzoeker heeft op 1 maart 2026 bezwaar gemaakt tegen het bestreden besluit. Op 2 maart 2026 heeft hij de voorzieningenrechter gevraagd om hangende het bezwaar een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek 7. Volgens verzoeker moet het bestreden besluit worden geschorst, omdat verweerder zich op ongeoorloofde wijze in het demonstratierecht mengt en daarmee de demonstratie onmogelijk maakt. Hiermee handelt verweerder onder meer in strijd met artikel 11 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en artikel 9 van de Grondwet. Het besluit is onrechtmatig en verder in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Ontwikkelingen na de zitting 8. Op 6 maart 2026 heeft de inspecteur van Kiwa de brandveiligheid van de situatie van de demonstratielocatie opnieuw beoordeeld. Deze situatie is vastgelegd in foto’s. De conclusie is dat de opslag van de goederen, in het kader van de brandveiligheid, op 6 maart 2026 voldoende is. Alhoewel ook de geconstateerde situatie strikt gen