Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-03-31
ECLI:NL:RBDHA:2026:7303
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Vereenvoudigde behandeling
807 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBDHA:2026:7303 text/xml public 2026-03-31T15:20:09 2026-03-31 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-03-31 NL26.5709 Uitspraak Vereenvoudigde behandeling NL Groningen Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:7303 text/html public 2026-03-31T15:19:31 2026-03-31 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:7303 Rechtbank Den Haag , 31-03-2026 / NL26.5709 bnt, asiel RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummer: NL26.5709 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam], eiser, V-nummer: [nummer], (gemachtigde: mr. G.J. van Kammen), en de minister van Asiel en Migratie, de minister. Inleiding 1. In een eerdere procedure heeft deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, het beroep van eiser tegen het niet tijdig nemen van een besluit gegrond verklaard. In deze uitspraak is bepaald dat de minister binnen een termijn van zestien weken alsnog een besluit moet nemen op de asielaanvraag. Daarin heeft de rechtbank ook bepaald dat als de minister niet op tijd een besluit neemt, hij een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag dat de beslistermijn wordt overschreden, met een maximum van € 15.000,-. 1.1. Deze uitspraak gaat over het tweede beroep dat eiser heeft ingediend, omdat de minister niet op tijd zou hebben beslist op de asielaanvraag. 1.2. De rechtbank doet uitspraak zonder zitting. Beoordeling door de rechtbank Is het beroep ontvankelijk en kennelijk gegrond? 2. Voorafgaand aan het instellen van een beroep tegen het niet tijdig beslissen moet eiser de minister door middel van een ingebrekestelling laten weten dat hij binnen twee weken alsnog op de aanvraag moet beslissen. Bij een tweede beroep tegen het niet tijdig beslissen op dezelfde aanvraag is een nieuwe ingebrekestelling echter niet nodig. 3. In de uitspraak van 2 februari 2026 heeft de rechtbank de minister een beslistermijn opgelegd van zestien weken. Deze termijn verloopt pas op 25 mei 2026. Het tweede beroep is op 2 februari 2026 ingediend, zodat dit beroep prematuur is ingediend. Conclusie en gevolgen 4. Het beroep is kennelijk niet-ontvankelijk. 5. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door mr. T.F. Bruinenberg, rechter, in aanwezigheid van A.S. van der Veen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl. Deze uitspraak is bekendgemaakt op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Artikel 6:12, aanhef en onder b, en artikel 6:12, tweede lid, van de Awb. Vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, zie bijvoorbeeld ECLI:NL:RVS:2019:673. NL25.60309