Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-03-25
ECLI:NL:RBDHA:2026:7254
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,048 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:7254 text/xml public 2026-04-01T08:00:33 2026-03-31 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-03-25 NL25.22467 en NL24.34043 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Voorlopige voorziening+bodemzaak NL Amsterdam Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:7254 text/html public 2026-04-01T08:00:10 2026-04-01 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:7254 Rechtbank Den Haag , 25-03-2026 / NL25.22467 en NL24.34043 Beroep tegen het intrekkingsbesluit ongegrond. Beroep tegen het ingetrokken bestreden besluit niet-ontvankelijk. Intrekking van het bestreden besluit is geen misbruik van recht. De rechtbank begrijpt dat verweerder, gelet op de omstandigheden en de veranderlijke situatie m.b.t. de oorlog in het Midden-Oosten, meer tijd nodig heeft om een zorgvuldige beslissing te nemen. Beroep tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar gegrond. Verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht zaaknummers: NL25.22467 (beroep) en NL24.34043 (voorlopige voorziening) V-nummer: [V-nummer] uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen [eiser] , eiser (gemachtigde: mr. J. Werner), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. J.G.R. Becker). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het verzoek van eiser om de intrekking van het bestreden besluit van 18 april 2025 te vernietigen. De rechtbank beoordeelt ook het beroep van eiser tegen het niet tijdig beslissen op zijn bezwaar, nadat verweerder de beslissing op zijn bezwaar heeft ingetrokken. De voorzieningenrechter beoordeelt het verzoek van eiser om een voorlopige voorziening te treffen. Feiten en omstandigheden 2.1. Eiser heeft op 27 februari 2024 een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor het verblijfsdoel ‘familie en gezin’ aangevraagd, voor verblijf bij zijn partner [persoon 1] , tevens referente in deze zaak. 2.2. Met het primaire besluit van 29 augustus 2024 heeft verweerder de aanvraag om een verblijfsvergunning afgewezen. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser geen geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) heeft en dat eiser niet in aanmerking komt voor vrijstelling van het mvv-vereiste wegens medische redenen, artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) dan wel de hardheidsclausule. 2.3. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Hij heeft tevens de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. 2.4. Met het bestreden besluit van 18 april 2025 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Verweerder heeft zich onverminderd op het standpunt gesteld dat eiser geen geldige mvv heeft en niet in aanmerking komt voor vrijstelling van de mvv op medische gronden. Verweerder heeft geen nieuw advies opgevraagd bij het Bureau Medische Advisering, omdat eiser geen nieuwe medische stukken heeft overgelegd. Verweerder heeft aangenomen dat sprake is van familieleven in de zin van artikel 8 EVRM tussen eiser en referente, maar heeft de belangenafweging in dat kader in het nadeel van eiser laten uitvallen. Ook de belangenafweging van privéleven in de zin van artikel 8 EVRM valt in het nadeel van eiser uit. Daarom geeft artikel 8 van het EVRM geen aanleiding om eiser vrij te stellen van het mvv-vereiste. Verweerder heeft zich ten slotte op het standpunt gesteld dat eisers beroep op de hardheidsclausule niet slaagt. Er zijn geen bijzondere en persoonlijke omstandigheden en de omstandigheden die er zijn, zijn al beoordeeld in de asielprocedures met de besluiten van 9 februari 2017 en 2 februari 2021. Verweerder heeft getoetst aan artikel 17 van de Gezinsherenigingsrichtlijn, maar heeft geen reden gezien om de belangenafweging op grond van die richtlijn in het voordeel van eiser te laten uitvallen. 2.5. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Omdat verweerder heeft beslist op het bezwaar hangende het verzoek om een voorlopige voorziening, is dat verzoek hangende bezwaar ‘omgeklapt’ naar een verzoek hangende beroep. Verweerder heeft gereageerd met een verweerschrift. 2.6. De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 19 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser, de gemachtigde van eiser, referente, Z. Hamawandi (tolk in de Arabisch-Irakese taal), [persoon 2] (juridisch trajectbegeleider van eiser en referente) en de gemachtigde van verweerder deelgenomen. 2.7. Op de zitting heeft de gemachtigde van eiser er op gewezen dat ten tijde van de zitting geen mvv kan worden aangevraagd in Irak. Op de website van het Ministerie van Buitenlandse Zaken staat dat deze nu moet worden aangevraagd in Iran, Jordanië, Libanon en Turkije. 2.8. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting geschorst, zodat verweerder het voorgaande kan nagaan en kan bezien welke gevolgen dit heeft voor eisers beroep op de hardheidsclausule en artikel 8 van het EVRM. De rechtbank heeft verweerder verzocht om in dit kader ook de beroepsgrond van eiser mee te nemen dat, gelet op het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel en in het kader van de hardheidsclausule, het niet evenredig is om vast te houden aan het vereiste dat eiser in een ander land dan Irak de mvv-procedure moet doorlopen. De rechtbank heeft verweerder een termijn gegeven van vier weken om te reageren. Die termijn zou aflopen op 19 maart 2026. 2.9. Verweerder heeft op 11 maart 2026 meegedeeld het bestreden besluit van 18 april 2025 in te trekken. Verweerder heeft daarbij meegedeeld de proceskosten tot een bedrag van € 1.868,- en het griffierecht van € 194,- aan eiser te vergoeden. 2.10. Eiser heeft op 12 maart 2026 gereageerd op het intrekkingsbesluit. Verweerder heeft op 13 maart 2026 gereageerd op de reactie van eiser. 2.11. Nu eiser in zijn reactie van 12 maart 2026 (subsidiair) heeft verzocht om het omklappen van het beroep naar een beroep niet tijdig beslissen, doet de rechtbank uitspraak op dat beroep zonder een nadere zitting te houden. Verweerder heeft in de reactie van 13 maart 2026 laten weten akkoord te zijn met het omklappen van het beroep naar een beroep niet tijdig beslissen. De rechtbank gaat er daarom van uit dat verweerder akkoord is met het doen van een uitspraak zonder een nadere zitting te houden. Beoordeling door de rechtbank Vernietiging van het intrekkingsbesluit 3.1. Eiser heeft de rechtbank primair verzocht het intrekkingsbesluit te vernietigen en de zaak verder te beoordelen op grond van de beroepsgronden. Volgens eiser is het intrekken van het besluit door verweerder een vorm van misbruik van bevoegdheid, omdat verweerder hiermee op onrechtmatige wijze tracht meer tijd voor zichzelf te creëren en verweerder zich zo probeert te onttrekken aan de bestaande rechterlijke regie. 3.2. De rechtbank stelt allereerst vast dat het beroep tegen het bestreden besluit van rechtswege ook betrekking heeft op het intrekkingsbesluit op grond van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). 3.3. De rechtbank volgt eiser niet in zijn standpunt dat het intrekken van het besluit door verweerder een vorm van misbruik van bevoegdheid is. De rechtbank kan de overwegingen van verweerder om het besluit in te trekken en een nieuw besluit te nemen begrijpen. Verweerder heeft hierover meegedeeld dat er meer onderzoek nodig is naar de (on)mogelijkheid voor eiser om in Irak en/of de buurlanden een mvv aan te vragen. Daarbij moeten de verklaringen van eiser, referente en [persoon 2] en de overige op de zitting besproken gronden worden betrokken in de beoordeling. Verweerder neemt ook mee dat er recent oorlog is uitgebroken tussen Israël, de VS en Iran en dat deze oorlog ook escaleert naar een aantal omliggende buurlanden. Het is verweerder niet haalbaar gebleken om binnen de door de rechtbank gegeven termijn van vier weken een vervangend besluit te nemen. De rechtbank begrijpt dat verweerder, gelet op alle omstandigheden en de veranderlijke situatie in het Midden-Oosten, meer tijd nodig heeft om een zorgvuldige beslissing te nemen.
Volledig
De rechtbank zal daarom niet overgaan tot vernietiging van het intrekkingsbesluit. Het beroep tegen het intrekkingsbesluit van 11 maart 2026 is daarmee ongegrond. 3.4. De rechtbank stelt vast dat eiser zijn beroep tegen het bestreden besluit niet heeft ingetrokken. De rechtbank moet daar dus ook over oordelen. Omdat het bestreden besluit door verweerder echter is ingetrokken en de rechtbank niet overgaat tot vernietiging van het intrekkingsbesluit, is het beroep tegen het bestreden besluit niet-ontvankelijk. Eiser heeft immers geen belang meer bij een beoordeling van de rechtmatigheid van dat besluit. Verweerder zal een nieuwe beslissing nemen. Verzoek om een voorlopige voorziening 4. Omdat verweerder een nieuwe beslissing moet nemen, ziet de rechtbank geen reden voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening daarom af. Beroep niet tijdig beslissen 5.1. Eiser verzoekt de rechtbank subsidiair om de zaak om te zetten naar een beroep tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar door verweerder. 5.2. De rechtbank ziet reden om het beroep van eiser aan te merken als een beroep tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar van eiser. Verweerder heeft meegedeeld zich hier niet tegen te verzetten. Door het bestreden besluit in te trekken, zonder een nieuw besluit op het bezwaar van eiser te nemen, heeft verweerder niet beslist binnen de wettelijke termijn voor het nemen van een beslissing op bezwaar. Eiser heeft verweerder weliswaar niet in gebreke gesteld, maar omdat verweerder wist dat na het intrekken van het bestreden besluit de situatie zou ontstaan dat op het bezwaar van eiser niet tijdig is beslist, was het niet redelijk om van eiser te vragen dat hij verweerder eerst in gebreke stelde. Het beroep tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar van eiser is daarom gegrond. 5.3. Als het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit gegrond is en het bestuursorgaan nog geen nieuw besluit heeft bekendgemaakt, bepaalt de rechtbank dat het bestuursorgaan binnen twee weken na de dag waarop de uitspraak wordt verzonden alsnog een nieuw besluit moet bekendmaken. Dat volgt uit artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb. Volgens het derde lid van dat artikel kan de rechtbank in bijzondere gevallen een andere termijn bepalen. Uit vaste rechtspraak volgt dat die termijn niet onnodig lang mag zijn, maar ook niet onrealistisch kort. 5.4. De rechtbank heeft verweerder in de schorsingsbeslissing van 19 februari 2026 een termijn van vier weken gegeven om een nieuw besluit te nemen. Gebleken is dat deze termijn voor verweerder niet haalbaar is. Eiser heeft de rechtbank verzocht de termijn te bepalen op acht weken na de datum van de zitting van 19 februari 2026. Die termijn zou aflopen op 16 april 2026. Dat betekent dat verweerder, vanaf de dag van deze uitspraak, na de schorsingsbeslissing nog ongeveer vier weken extra krijgt om te beslissen. De rechtbank vindt deze termijn niet onnodig lang en ook niet onrealistisch kort voor verweerder om zorgvuldig een nieuw besluit te nemen, gelet op de al gegeven termijn van vier weken in de schorsingsbeslissing van 19 februari 2026. De rechtbank draagt verweerder daarom op om binnen acht weken na de datum van de zitting van 19 februari 2026, dus op uiterlijk 16 april 2026, een nieuw besluit op het bezwaar van eiser te nemen en bekend te maken. 5.5. De rechtbank verbindt aan de opgelegde beslistermijn een dwangsom voor iedere dag dat het bestuursorgaan in gebreke blijft de uitspraak na te leven. De rechtbank bepaalt in deze zaak dat verweerder een dwangsom moet betalen als hij de gestelde beslistermijn van zestien weken overschrijdt. De rechtbank stelt de hoogte van deze dwangsom vast op € 100,- per dag, met een maximum van € 15.000,-. 5.6. De rechtbank geeft verweerder ten slotte mee dat, als het verweerder mede door de huidige complexe oorlogssituatie in het Midden-Oosten niet lukt om binnen de gestelde termijn een nieuwe beslissing te nemen op het bezwaar van eiser, het wellicht de overweging waard kan zijn om aan eiser de verzochte verblijfsvergunning te verlenen. Gelet op de uit de stukken naar voren komende kwetsbaarheid van zowel eiser als referente, het tijdsverloop in deze zaak en de onzekerheid waarin eiser en referente al een tijd verkeren, zou dat in deze zaak wellicht een passende oplossing kunnen zijn. Conclusie en gevolgen 6.1. Het beroep tegen het ingetrokken bestreden besluit van 18 april 2025 is niet-ontvankelijk. Het beroep tegen het intrekkingsbesluit van 11 maart 2026 is ongegrond. Het beroep tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar is gegrond. Verweerder krijgt de onder 5.4 genoemde termijn om alsnog een besluit te nemen. 6.2. Omdat het beroep tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar gegrond is moet verweerder het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding voor zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Verweerder heeft in het intrekkingsbesluit al toegezegd de proceskosten aan eiser te zullen vergoeden tot een bedrag van € 1.868,-. De rechtbank kent eiser ook nog 1 punt toe voor de aanvullende reactie van 12 maart 2026 met daarin het (subsidiaire) verzoek om het beroep om te klappen naar een beroep niet tijdig beslissen, met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 0.5. De rechtbank gaat uit van een wegingsfactor 0,5, omdat de reactie is aangemerkt als een beroep niet tijdig beslissen en het dan alleen of in ieder geval hoofdzakelijk gaat over de vraag of de beslistermijn is verstreken. Verweerder moet dan nog een bedrag van € 467 aan proceskosten aan eiser betalen. Voor zover verweerder het toegezegde bedrag van € 1.868 nog niet heeft uitgekeerd aan eiser, veroordeelt de rechtbank verweerder tot betaling van ook deze proceskosten aan eiser. Beslissing De rechtbank, in de zaak geregistreerd onder zaaknummer NL25.22467: verklaart het beroep niet-ontvankelijk, voor zover dat gericht is tegen het ingetrokken bestreden besluit van 18 april 2025; verklaart het beroep ongegrond, voor zover dat gericht is tegen het intrekkingsbesluit van 11 maart 2026; verklaart het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op het bezwaar van eiser gegrond; draagt verweerder op binnen acht weken na de datum van de zitting van 19 februari 2026 (dus op uiterlijk 16 april 2026) alsnog een besluit op bezwaar bekend te maken; - bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-; bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 194,- aan eiser moet vergoeden; veroordeelt verweerder tot betaling van € 467,- aan proceskosten aan eiser; veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser, voor zover verweerder dit bedrag nog niet heeft uitgekeerd aan eiser. De voorzieningenrechter, in de zaak geregistreerd onder zaaknummer NL24.34043: - wijst het verzoek af. Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J.M. Baldinger, rechter, in aanwezigheid van mr.I.G.A. Karregat, griffier. Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Zie artikel 6:12, derde lid, van de Awb en de uitspraak van de Afdeling van 20 april 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1120. Zie de uitspraken van de Afdeling van 8 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1560 en 20 oktober 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2348. Op grond van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb.