Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-03-25
ECLI:NL:RBDHA:2026:7252
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
5,734 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:7252 text/xml public 2026-04-01T08:03:33 2026-03-31 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-03-25 NL24.42590 en NL24.42592 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Voorlopige voorziening+bodemzaak NL Amsterdam Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:7252 text/html public 2026-04-01T08:03:01 2026-04-01 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:7252 Rechtbank Den Haag , 25-03-2026 / NL24.42590 en NL24.42592 Beroep gegrond. Vw moet nieuw besluit nemen en nieuwe belangenafweging maken in het kader van artikel 8 EVRM t.a.v. eisers zoon. Geen aparte weging belang van het kind. Rechtbank geeft verweerder mee het kind te horen, gelet op artikel 12 IVRK. Rechtsgevolgen worden in stand gelaten voor zover die zien op afwijzing aanvraag verblijfsdocument EU/EER en beoordeling artikel 8 EVRM t.a.v. eisers stiefkind. RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht zaaknummers: NL24.42590 (beroep) en NL24.42592 (voorlopige voorziening) V-nummer: [V-nummer] uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen [eiser] , eiser (gemachtigde: mr. J. van Bennekom), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. I.E. Lemmers). Samenvatting 1.1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser om afgifte van een verblijfsdocument EU/EER . Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag. 1.2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het bestreden besluit van 2 oktober 2024 niet deugdelijk is gemotiveerd, omdat verweerder in de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM de belangen van de kinderen niet expliciet heeft benoemd en meegewogen. Eiser krijgt dus (deels) gelijk en het beroep is gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Feiten en omstandigheden 2.1. Eiser is geboren op [geboortedag 1] 1985 en heeft de Surinaamse nationaliteit. Hij is opgegroeid in Suriname en is in 2017 naar Nederland gekomen. Eiser heeft een relatie met [persoon 1] . Zij hebben samen een zoon, [persoon 2] . Hij is geboren op [geboortedag 2] 2016 en heeft de Surinaamse nationaliteit. [persoon 1] heeft nog een zoon: [persoon 3] . Hij heeft de Nederlandse nationaliteit en is geboren op [geboortedag 3] 2018. Eiser is niet de biologische vader van [persoon 3] . [persoon 3] is dus zijn stiefkind. Eiser heeft van 2018 tot en met 2022 met [persoon 2] in België gewoond. Daarna zijn zij naar [persoon 1] en [persoon 3] in Nederland gegaan. [persoon 1] en [persoon 2] zijn beide op 11 april 2025 genaturaliseerd. 2.2. Verweerder heeft aan eiser met een besluit van 29 april 2018 een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd. Met een uitspraak van 29 november 2018 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht, het beroep tegen dit besluit ongegrond verklaard. Eiser heeft de Europese Unie sindsdien niet verlaten. Dat betekent dat het terugkeerbesluit en het inreisverbod nog steeds gelden. 2.3. Eiser heeft op 12 oktober 2022 een aanvraag ingediend om afgifte van een verblijfsdocument EU/EER, voor verblijf bij [persoon 3] . 2.4. Met het primaire besluit van 25 juli 2023 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. 2.5. Met het bestreden besluit van 2 oktober 2024 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser niet voldoet aan de voorwaarden van paragraaf B10/2.0 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc). Eiser heeft niet aangetoond dat hij de biologische ouder is van [persoon 3] . Stiefouders kunnen ook verblijfsrecht ontlenen aan het arrest Chavez-Vilchez , maar moeten dan wel voldoen aan alle voorwaarden van paragraaf B10/2.2 van de Vc. Dat is volgens verweerder niet het geval. Eiser heeft niet aangetoond dat hij daadwerkelijke zorg- en opvoedingstaken verricht voor [persoon 3] en ook niet dat er een afhankelijkheidsrelatie bestaat tussen hem en [persoon 3] . Verweerder heeft verder getoetst of eiser verblijfsrecht kan krijgen op grond van artikel 8 van het EVRM. Verweerder vindt dat geen sprake is van familieleven met [persoon 3] . Wel is sprake van familieleven met [persoon 2] en [persoon 1] , maar verweerder heeft de belangen van de Nederlandse staat zwaarder laten wegen dan de belangen van eiser. Ook ten aanzien van het privéleven in het kader van artikel 8 van het EVRM heeft verweerder de belangen van de Nederlandse staat zwaarder laten wegen dan de belangen van eiser. 2.6. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Hij heeft ook de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Verweerder heeft gereageerd met een verweerschrift. 2.7. De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 21 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder deelgenomen. De rechtbank heeft het onderzoek vervolgens gesloten. Beoordeling door de rechtbank Voorwaarden die voortvloeien uit Chavez-Vilchez 3.1. Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte primair Unierecht heeft omgezet in nationale beleidsregels. Volgens eiser zijn de beleidsregels van paragraaf B10/2.2 van de Vc daarom onverbindend. 3.2. Eiser voert verder aan dat uit de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) niet kan worden afgeleid dat voor de toets of sprake is van verblijfsrecht voor een (stief)ouder van een minderjarig Nederlands kind de vereisten zoals bedoeld in paragraaf B10/2.2 moeten worden gehanteerd. Zo wordt in het arrest O. en S. , waaruit volgt dat artikel 20 van het VWEU ook geldt voor samengestelde gezinnen, niet gevraagd naar deze vereisten. Volgens eiser volgt uit dit arrest dat het werkingsgebied van artikel 20 van het VWEU er altijd aan weerstaat dat een derdelands (stief)ouder het verblijf wordt ontzegd. Uit het arrest XU volgt bovendien dat een afhankelijkheidsverhouding vanzelf ontstaat als sprake is van duurzaam samenwonen. 3.3. De rechtbank overweegt als volgt. Volgens vaste rechtspraak van het Hof bestaan er zeer bijzondere situaties waarin aan een onderdaan van een derde land die familielid is van een burger van de Unie een van die Unieburger afgeleid verblijfsrecht moet worden toegekend. Dit is het geval als de Unieburger bij weigering van dit verblijfsrecht feitelijk verplicht is het grondgebied van de Europese Unie te verlaten en hem zo het effectieve genot van de belangrijkste van de aan die status ontleende rechten zou worden ontzegd. Uit het arrest Chavez-Vilchez volgt dat zo’n bijzondere situatie zich voordoet in het geval tussen een familielid uit een derde land en een minderjarig kind dat Unieburger is een daadwerkelijke afhankelijkheidsverhouding bestaat. Dit afgeleide verblijfsrecht vindt zijn grondslag in artikel 20 van het VWEU en vloeit daarmee rechtstreeks voort uit het Unierecht. Uit rechtspraak volgt dat ook stiefouders rechten kunnen ontlenen aan het arrest Chavez-Vilchez als zij daadwerkelijk een ouderschapsrol vervullen. 3.4. Verweerder heeft het beleid, zoals dat gold ten tijde van het bestreden besluit, opgenomen in paragraaf B10/2.2 van de Vc. Daarin staat onder welke voorwaarden de derdelands ouder van een minderjarig Nederlands kind dit afgeleide verblijfsrecht toekomt. Dit is het geval als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan: de vreemdeling moet zijn identiteit en nationaliteit aannemelijk maken door het overleggen van een geldig document voor grensoverschrijding of een geldige identiteitskaart.
Volledig
Als de vreemdeling hieraan niet kan voldoen, moet hij zijn identiteit en nationaliteit ondubbelzinnig aantonen met andere middelen; de vreemdeling heeft een minderjarig kind (dat wil zeggen: beneden de achttien jaar) dat in het bezit is van de Nederlandse nationaliteit; de vreemdeling verricht al dan niet gezamenlijk met de andere ouder daadwerkelijke zorgtaken ten behoeve van het minderjarige kind; en tussen de vreemdeling en het kind bestaat een zodanige afhankelijkheidsverhouding dat het kind gedwongen zou zijn het grondgebied van de Unie te verlaten als aan de vreemdeling een verblijfsrecht wordt geweigerd. Verweerder heeft deze voorwaarden in het bestreden besluit getoetst als cumulatieve voorwaarden en dus gesteld dat aan al deze voorwaarden moet worden voldaan om in aanmerking te komen voor dit verblijfsrecht. 3.5. Op de zitting heeft eiser er op gewezen dat de voorwaarden niet langer cumulatief worden getoetst. De rechtbank begrijpt deze beroepsgrond zo, dat eiser aanvoert dat verweerder in het bestreden besluit de laatste twee vereisten ten onrechte als twee cumulatieve voorwaarden heeft uitgelegd. 3.6. De rechtbank stelt vast dat verweerder conform het beleid heeft getoetst, zoals dat gold ten tijde van het bestreden besluit. In dat beleid waren de voorwaarden ‘daadwerkelijke zorgtaken’ en ‘afhankelijkheidsverhouding’ nog opgenomen als twee afzonderlijke, cumulatieve vereisten. Deze cumulatieve toets is niet langer aan de orde. De Afdeling heeft in een uitspraak van 22 juli 2025 namelijk geoordeeld dat verweerder de in paragraaf B10/2.5 van de Vc genoemde voorwaarden voor dit verblijfsrecht ten onrechte cumulatief uitlegt. Uit de rechtspraak van het Hof blijkt dat de afhankelijkheidsverhouding tussen een minderjarige burger van de Unie en diens familielid uit een derde land (voorwaarde D in het beleid van verweerder) de grondslag vormt voor dit afgeleide verblijfsrecht. Dit aangezien die afhankelijkheid ertoe kan leiden dat de burger van de Unie als gevolg van die weigering gedwongen zal zijn niet alleen het grondgebied van de lidstaat waarvan hij de onderdaan is, maar eveneens het grondgebied van de Unie als geheel te verlaten. Dit brengt met zich dat verweerder niet als dwingende voorwaarde mag stellen dat de ouder meer dan marginale zorg- en/of opvoedingstaken verricht voor het kind (voorwaarde c). Dit neemt volgens de Afdeling echter enerzijds niet weg dat een afhankelijkheidsverhouding doorgaans niet voorstelbaar is als de ouder niet meer dan marginale zorg- en/of opvoedingstaken verricht. Anderzijds is het verrichten van meer dan marginale zorg- en/of opvoedingstaken niet zonder meer voldoende voor het doen ontstaan van een afhankelijkheidsverhouding. Verweerder heeft het beleid inmiddels aangepast en de voorwaarde van ‘daadwerkelijke zorgtaken’ weggehaald. 3.7. Nu verweerder in het bestreden besluit de voorwaarden ten onrechte cumulatief heeft toegepast, komt het besluit voor vernietiging in aanmerking. De rechtbank zal hierna in het kader van finale geschilbeslechting beoordelen of er aanleiding bestaat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. 3.8. De rechtbank volgt eiser niet in zijn standpunt dat uit de rechtspraak van het Hof niet kan worden afgeleid dat voor de toets of sprake is van verblijfsrecht voor een (stief)ouder van een minderjarig Nederlands kind de vereisten, zoals neergelegd in het beleid, moeten worden gehanteerd. Zoals verweerder ook heeft gesteld, volgt uit het arrest O. en S. dat bij de vraag of een derdelander aanspraak heeft op een van artikel 20 van het VWEU afgeleid verblijfsrecht, ter beoordeling staat of er tussen de minderjarige burger van de Unie en zijn derdelander (stief)ouder, sprake is van een afhankelijkheidsverhouding, dat de minderjarige burger van de Unie feitelijk gedwongen wordt het grondgebied van de Europese Unie te verlaten als aan de derdelander (stief)ouder verblijfsrecht wordt ontzegd. In tegenstelling tot wat eiser stelt, is het niet zo dat op basis van dit arrest het werkingsgebied van artikel 20 van het VWEU er altijd aan weerstaat dat een derdelands (stief)ouder het verblijf wordt ontzegd. Eerst moet er getoetst worden in hoeverre er sprake is van een afhankelijkheidsverhouding, zoals ook volgt uit het arrest Chavez-Vilchez. 3.9. Zoals in overweging 3.6 reeds is overwogen, volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 22 juli 2025 dat de centrale vraag bij de toets of een derdelander aanspraak heeft op een van artikel 20 van het VWEU afgeleid verblijfsrecht, is of sprake is van een afhankelijkheidsverhouding. De rechtbank toetst of daar tussen eiser en [persoon 3] sprake van is en zal daarbij de vraag of sprake is van zorg- en opvoedingstaken betrekken. 3.10. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een afhankelijkheidsverhouding tussen hem en [persoon 3] . Eiser heeft die afhankelijkheidsrelatie onvoldoende onderbouwd. Eiser heeft in bezwaar wel een aantal foto’s overgelegd, maar uit die foto’s blijkt niet dat eiser een feitelijke rol heeft als stiefouder. Eisers beroep op het arrest XU, waaruit volgens hem volgt dat een afhankelijkheidsverhouding vanzelf ontstaat als sprake is van duurzaam samenwonen, slaagt niet. De rechtbank is het met verweerder eens dat het feitencomplex in die zaak op belangrijke onderdelen afwijkt van het feitencomplex in de huidige zaak. Eiser heeft bovendien niet aangetoond duurzaam samen te wonen met [persoon 3] . 3.11. Voor zover eiser meent dat uit de rechtspraak van het Hof nog steeds niet duidelijk volgt wat een afhankelijkheidsverhouding precies inhoudt en dat deze ook kan bestaan uit affectie, volgt de rechtbank hem niet. Naar het oordeel van de rechtbank geeft de rechtspraak van het Hof voldoende aanknopingspunten voor de beoordeling of sprake is van een afhankelijkheidsrelatie. Dat eisers afhankelijkheidsverhouding met [persoon 3] zou bestaan uit affectie, heeft hij ook op geen enkele wijze onderbouwd. 3.12. Eiser heeft ook nog aangevoerd dat het onjuist is dat in het bestreden besluit staat dat een aanvraag is gedaan voor verblijf als gemeenschapsonderdaan op basis van artikel 9, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw), omdat is verzocht om toetsing aan het recht van de Europese Unie. De rechtbank volgt dit niet. In het bestreden besluit staat dat eiser een aanvraag heeft gedaan om afgifte van een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vw. Uit dit artikel volgt dat als er rechtmatig verblijf bestaat op grond van artikel 20 van het VWEU, verweerder aan de vreemdeling een document of schriftelijke verklaring verschaft waaruit het rechtmatig verblijf blijkt. Uit het bestreden besluit volgt onverminderd dat verweerder heeft getoetst of aan eiser een verblijfsrecht toekomt op grond van artikel 20 van het VWEU. 3.13. Gelet op het voorgaande, zal de rechtbank de rechtsgevolgen van het bestreden besluit over de vaststelling dat eiser geen recht kan ontlenen aan artikel 20 van het VWEU in stand laten. Dat betekent dat verweerder de aanvraag van eiser om afgifte van een verblijfsdocument EU/EER op goede gronden heeft afgewezen. Inreisverbod 4. Eiser voert aan dat het inreisverbod aan het vorenstaande niet af mag doen, zo leert het arrest K.A . De rechtbank stelt vast, met ook eisers gemachtigde op zitting, dat het inreisverbod geen rol speelt bij de vraag of eiser een verblijfsrecht kan ontlenen aan artikel 20 van het VWEU. Het inreisverbod speelt alleen een rol bij de toets van artikel 8 van het EVRM. Voor zover het nog een beroepsgrond is, slaagt het dus niet. Artikel 7 van het Handvest 5. Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte niet heeft getoetst aan artikel 7 van het Handvest. Volgens eiser biedt dit artikel verdergaande waarborgen dan artikel 8 van het EVRM. De rechtbank volgt eiser niet in dit standpunt. Uit artikel 52, derde lid, van het Handvest volgt namelijk dat voor zover het Handvest rechten bevat die corresponderen met rechten die zijn gegarandeerd door het EVRM, de inhoud en reikwijdte ervan dezelfde zijn als die welke er door het EVRM aan worden toegekend.
Volledig
Volgens de Toelichting bij het Handvest correspondeert artikel 7 van het Handvest met artikel 8 van het EVRM. Artikel 7 van het Handvest biedt dan ook geen verdergaande bescherming aan eiser dan artikel 8 van het EVRM, waardoor de minister niet gehouden was nog een afzonderlijke beoordeling op grond van artikel 7 van het Handvest te maken. Artikel 8 van het EVRM 6.1. De rechtbank stelt vast dat het standpunt van verweerder dat geen sprake is van familieleven tussen eiser en [persoon 3] niet is betwist. Verweerder heeft wel familieleven aangenomen tussen eiser en [persoon 2] en tussen eiser en [persoon 1] . In geschil is of verweerder de belangenafweging in het nadeel van eiser mocht laten uitvallen. 6.2. Eiser voert tegen deze belangenafweging aan dat uit het bestreden besluit niet volgt dat verweerder een aparte weging heeft gemaakt van het belang van het kind. 6.3. De rechtbank overweegt dat het belang van het kind voorop moet staan als het gaat om het maken van een belangenafweging waar minderjarige kinderen bij betrokken zijn. Op de zitting heeft verweerder gesteld dat de belangen van de kinderen zijn meegenomen in het bestreden besluit op pagina’s 7 en 8. De rechtbank ziet dat verweerder op pagina 5 van het bestreden besluit heeft opgemerkt dat de belangen van de aanwezige kinderen betrokken moeten worden bij de beoordeling, maar ziet op pagina’s 7 en 8 niet terug dat de belangen van de kinderen expliciet zijn benoemd en zijn meegenomen. Uit het verslag van de hoorzitting blijkt dat eiser wel heeft aangegeven dat het niet toekennen van zijn verblijfsvergunning een grote impact zal hebben op de kinderen en dat het voor hen hartverscheurend zou zijn. De rechtbank ziet in het bestreden besluit niet terug dat verweerder dit heeft meegenomen. Dat betekent dat de beroepsgrond slaagt. 6.4. Omdat verweerder niet alle belangen in de belangenafweging heeft betrokken is de rechtbank van oordeel dat daarom sprake is van een gebrek in de besluitvorming. Verweerder dient dus een nieuwe belangenafweging te maken en deze feiten en omstandigheden kenbaar te betrekken. 6.5. De rechtbank wijst er in dit verband op dat, zoals op de zitting aan bod is gekomen, [persoon 2] inmiddels ook de Nederlandse nationaliteit heeft gekregen. Dit kan verweerder meenemen in de nieuwe belangenafweging. De rechtbank geeft verweerder ook in overweging, onder verwijzing naar artikel 12 van het IVRK, om [persoon 2] te horen. Hij is namelijk negen jaar en gebleken is dat een kind dan in staat kan zijn om zijn mening te vormen over de voorliggende situatie. Conclusie en gevolgen 7.1. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Zij laat de rechtsgevolgen in stand voor zover die zien op de afwijzing van de aanvraag van eiser om afgifte van een verblijfsdocument EU/EER. Ook laat de rechtbank de rechtsgevolgen in stand voor zover dat ziet op de beoordeling van artikel 8 van het EVRM ten aanzien van [persoon 3] . Wel draagt de rechtbank verweerder op een nieuw besluit te nemen met betrekking tot artikel 8 van het EVRM ten aanzien van [persoon 1] en [persoon 2] , rekening houdend met wat in deze uitspraak is bepaald. Verweerder krijgt hiervoor een termijn van zes weken. 7.2. Omdat de rechtbank nu beslist op het beroep van eiser, is er voor het treffen van de voorlopige voorziening geen reden meer. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening daarom af. 7.3. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiser een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft een beroepschrift en een verzoekschrift ingediend en is op de zitting verschenen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 934,-. Omdat de zaak een gemiddeld gewicht heeft, is op deze waarde de factor 1 toegepast. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 2.802,-. Beslissing De rechtbank, in de zaak geregistreerd onder nummer NL24.42590: verklaart het beroep gegrond; vernietigt het bestreden besluit van 2 oktober 2024; bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven voor zover dat ziet op de weigering tot afgifte van een verblijfsdocument EU/EER en de artikel 8 van het EVRM beoordeling ten aanzien van [persoon 3] ; draagt verweerder op om in het kader van artikel 8 van het EVRM ten aanzien van [persoon 1] en [persoon 2] , met inachtneming van deze uitspraak, binnen zes weken na bekendmaking van deze uitspraak opnieuw op het bezwaar te beslissen; veroordeelt verweerder tot betaling van € 2.802,- aan proceskosten aan eiser; draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 187,- aan eiser te vergoeden. De voorzieningenrechter, in de zaak geregistreerd onder nummer NL24.42592: - wijst het verzoek af. Deze uitspraak is gedaan door mr. V.F.J. Bernt, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. I.G.A. Karregat, griffier. Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Zoals bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. AWB 18/3265. Het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) van 10 mei 2017, ECLI:EU:C:2017:354. Zie het arrest van het Hof van 6 december 2012, O. en S. tegen Maahanmuuttovirasto en Maahanmuuttovirasto tegen L, C-356/11 en C-357/11. Zie het arrest van het Hof van 5 mei 2022, Subdelegacion del Gobierno en Toledo tegen XU, QP, C451-19 en C532-19 (ECLI:EU:C:2022:354). Zie bijvoorbeeld het arrest Ruiz Zambrano van 8 maart 2011 in de zaak C-34/09, ECLI:EU:C:2011:124 en het arrest Dereci e.a. van 15 november 2011 in de zaak C-256/11, ECLI:EU:C:2011:734. Dat staat in Informatiebericht 2023/31, p. 5, met verwijzing naar HvJEU 6 december 2012, C-365/11, ECLI:EU:C:2012:776 (O, S en L). ECLI:NL:RVS:2025:3344. Voorheen B10/2.2 van de Vc. Zie bijvoorbeeld overwegingen 70 en 71 van het arrest Chavez-Vilchez. Arrest van 8 mei 2018, C-82/16, ECLI:EU:C:2018:308. Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Zie het arrest Dereci en de uitspraak van de Afdeling van 24 juli 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1986. Dit volgt uit artikel 3 van het Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK).