Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-01-24
ECLI:NL:RBDHA:2026:7230
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Voorlopige voorziening+bodemzaak
3,096 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:7230 text/xml public 2026-04-02T11:27:30 2026-03-31 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-01-24 NL25.46839 en NL25.46840 Uitspraak Voorlopige voorziening+bodemzaak NL Amsterdam Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:7230 text/html public 2026-03-31T09:32:39 2026-04-02 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:7230 Rechtbank Den Haag , 24-01-2026 / NL25.46839 en NL25.46840 Asiel, Gülenbeweging, Turkije, de rechtbank is van oordeel dat verweerder zich zonder nader onderzoek naar de overgelegde stukken en de nieuwe standpunten van eiser, niet op het standpunt kan stellen dat eiser geen reëel risico loopt op ernstige schade bij terugkeer naar Turkije. Nieuw ingebrachte stukken ter zitting. Verweerder heeft ervoor gekozen niet op de zitting te verschijnen, documenten moeten in samenhang worden beoordeeld. Beroep gegrond. RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht Zaaknummers: NL25.46839 (beroep) NL25.46840 (voorlopige voorziening) V-nummer: [V-nummer] uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen [eiser] , eiser/verzoeker (hierna eiser) (gemachtigde: mr. A.C.J. Letmaath), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder. Procesverloop 1. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 24 september 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond. 1.1. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Daarnaast heeft eiser verzocht om een voorlopige voorziening ertoe strekkende niet te worden uitgezet totdat op zijn beroep is beslist. 1.2. De rechtbank/voorzieningenrechter (hierna rechtbank) heeft het beroep en het verzoek op 13 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en E. Taskin als tolk in de Turkse taal. Verweerder heeft voorafgaand aan de zitting laten weten dat hij zich niet zou laten vertegenwoordigen. Eiser heeft op de zitting nieuwe stukken aan de rechtbank getoond, die hij wilde overleggen. De rechtbank heeft eiser laten weten dat hij deze stukken nog diezelfde dag aan het digitale dossier moest toevoegen. Dat heeft eiser gedaan. Beoordeling door de rechtbank 2. De rechtbank beoordeelt het beroep aan de hand van de argumenten die daartoe zijn aangevoerd, de beroepsgronden. 3. De rechtbank verklaart het beroep gegrond, dat betekent dat eiser gelijk krijgt. Hierna zal zij verder toelichten hoe zij tot dat oordeel is gekomen en welke gevolgen dat oordeel heeft. Het asielrelaas 4. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Hij stelt van Turkse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedag] 1997. Eiser is daarnaast betrokken geweest bij de Gülenbeweging. Eiser heeft onderwijs gevolgd op een Gülenschool, heeft gewoond in Gülenhuizen, heeft jongeren begeleid en huiswerkbegeleiding gegeven. Hij heeft voor die beweging in [plaats 1] gewerkt, onder andere op een school. In 2020 is hij teruggekomen naar Turkije, daarna heeft hij geen activiteiten voor de beweging meer verricht. Op 5 december 2023 heeft hij van een vriend in [plaats 1] gehoord dat twee anderen daar aangifte tegen hem hebben gedaan op het Turkse consulaat. Op 7 december 2023 is eiser daarom vertrokken uit Turkije. Een maand na zijn vertrek is de politie naar eiser op zoek gegaan en bij zijn ouders thuis langsgekomen. Het bestreden besluit 5. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen: identiteit, nationaliteit en herkomst; en problemen vanwege de betrokkenheid bij de Gülenbeweging. 5.1. Verweerder stelt zich – samengevat – op het standpunt dat de nationaliteit en herkomst geloofwaardig zijn. Eisers identiteit en problemen vanwege zijn betrokkenheid bij de Gülenbeweging zijn niet geloofwaardig. Verweerder stelt zich hierover op het standpunt dat eiser geen objectieve documenten ter identificatie heeft overgelegd. Eiser heeft zich van zijn identificerende documenten ontdaan zonder dat sprake was van dwang en hij heeft daarover wisselend verklaard. Zijn identiteit wordt daarom niet geloofwaardig geacht. Verder gelooft verweerder wel dat eiser betrokken is geweest bij de Gülenbeweging, maar hij stelt zich op het standpunt dat eiser enkel marginale werkzaamheden heeft verricht voor de Gülenbeweging en dat niet is gebleken dat hij hierdoor een reëel risico zal lopen op vervolging of ernstige schade. Verweerder concludeert daarom dat de asielaanvraag kennelijk ongegrond is. De gronden van beroep Identiteit 6. Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte de kopie van zijn paspoort niet heeft meegewogen. Eiser wijst op het arrest L.H. van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) . 6.1. In het bestreden besluit heeft verweerder overwogen dat aan de kopie verminderde waarde wordt gehecht omdat deze niet op echtheid gecontroleerd kan worden. Uit deze motivering blijkt echter niet welke waarde verweerder dan aan de kopie van het paspoort heeft toegekend. Dat blijkt ook niet uit de overweging in het bestreden besluit, waar staat dat de kopie in combinatie met eisers wisselende verklaringen over hoe hij zich van zijn identificerende documenten heeft ontdaan, maakt dat zijn identiteit niet geloofwaardig wordt geacht. Verweerder heeft daarmee niet kenbaar gemotiveerd welke bewijswaarde de kopie van het paspoort heeft. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder het bestreden besluit op dit punt onvoldoende heeft gemotiveerd. 6.2. Daar komt bij dat eiser in beroep een uittreksel van het bevolkingsregister (nufus-kaart) heeft overgelegd. De rechtbank betrekt dit document bij de beoordeling, ook al is het pas in beroep ingediend . Verweerder heeft ervoor gekozen niet op de zitting te verschijnen en heeft hierop dus niet gereageerd. Verweerder zal dit document, in samenhang met de kopie van het paspoort, moeten betrekken bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van eisers identiteit. Problemen als gevolg van betrokkenheid bij de Gülenbeweging 7. Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte heeft aangenomen dat hij slechts marginale werkzaamheden heeft verricht voor de Gülenbeweging en dat de problemen die hij heeft ondervonden niet geloofwaardig zijn. Eiser voert aan dat het feit dat hij voor de Gülenbeweging naar Afrika mocht gaan op een speciale missie al aantoont dat hij een prominent persoon was. Eiser was in Afrika als functionaris verantwoordelijk voor het maken en uitvoeren van beleid van de beweging. De Turkse autoriteiten maken zelf onderscheid naar de mate van betrokkenheid bij de beweging. Eiser valt onder het vijfde niveau van betrokkenheid, maar in elk geval onder het derde niveau, te weten personen die de ideologie omarmen en uitdragen in hun omgeving. Deze categorie moet volgens het Turkse Constitutioneel Hof strafrechtelijk vervolgd worden . Eiser voert in beroep ook nog aan dat hij een abonnement heeft gehad op kranten en tijdschriften die gelieerd zijn aan de Gülenbeweging ( [krant 1] en [krant 2] ) en dat hij een bankrekening heeft gehad bij de [bedrijf] , die ook gelieerd is aan Gülen. Eiser is ook in Nederland betrokken bij de Gülenbeweging in [plaats 2] . Aldus heeft eiser zijn betrokkenheid bij de Gülenbeweging nader onderbouwd. Ter onderbouwing heeft eiser in beroep nieuwe stukken overgelegd, onder andere zijn arbeidsovereenkomst als bestuurder van de school in [plaats 1] , gedateerd 6 september 2017, een briefje van de politie van 25 augustus 2025 en een proces-verbaal van de politie van 29 augustus 2025. 7.1. Verweerder heeft in het bestreden besluit overwogen dat eiser geen prominente of leidinggevende rol heeft vervuld binnen de Gülenbeweging. Uit zijn verklaring volgt alleen dat hij onderwijs heeft gevolgd en vrijwilligerswerk heeft verricht. Hij heeft in [plaats 1] niet als leerkracht gewerkt, maar alleen twee leerlingen gesponsord. Hij was daar kleinhandelaar en is later een automontagebedrijf gestart. In 2020 is hij teruggekeerd naar Turkije, daarna is hij niet meer actief is geweest voor de beweging.
Volledig
Volgens verweerder behoort eiser tot het tweede, dus een na laagste, niveau. Eisers rol wordt dus ook door de Turkse autoriteiten zelf als marginaal beschouwd. 7.2. Verder vindt verweerder eisers verklaringen over de melding die in [plaats 1] zou zijn gedaan summier. Tot slot heeft verweerder overwogen dat eiser alleen maar vermoedt dat de politie naar hem op zoek is vanwege zijn betrokkenheid bij de Gülenbeweging. 7.3. De rechtbank overweegt dat eiser met de in beroep overgelegde stukken zijn betrokkenheid bij de Gülenbeweging, zijn rol binnen de Gülenbeweging en de bezoeken van de politie nader heeft onderbouwd. De rechtbank betrekt deze nieuwe stukken bij de beoordeling. Verweerder heeft hierop echter niet gereageerd omdat hij niet op zitting is verschenen. Het is aan verweerder om die stukken te beoordelen. Daarbij moet verweerder ook de omstandigheden betrekken die eiser in beroep heeft aangevoerd, zoals zijn abonnementen, bankrekening en betrokkenheid bij de Gülenbeweging in Nederland. 7.4. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder zich zonder nader onderzoek naar de overgelegde stukken en de nieuwe standpunten van eiser, niet op het standpunt kan stellen dat eiser geen reëel risico loopt op ernstige schade bij terugkeer naar Turkije. Verweerder moet opnieuw een beoordeling maken. Conclusie en gevolgen 8. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser ten onrechte afgewezen als kennelijk ongegrond. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig is voorbereid en onvoldoende is gemotiveerd. Daarmee is het besluit in strijd is met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb . De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. Verweerder moet de door eiser in beroep overgelegde stukken onderzoeken en daarna een nieuw besluit nemen . De rechtbank geeft hiervoor zes weken. 9. Nu het beroep gegrond is bestaat er geen aanleiding om de gevraagde voorziening te treffen. De rechtbank wijst dat verzoek dan ook af. 10. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 2.802,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift en een verweerschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Beslissing De rechtbank in de zaak geregistreerd onder nummer NL25.46839: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het bestreden besluit van 24 september 2025; - draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak; De voorzieningenrechter in de zaak geregistreerd onder nummer NL25.46840: - wijst het verzoek af. De rechtbank/voorzieningenrechter in beide zaken: - veroordeelt verweerder tot betaling van € 2.802,- aan proceskosten aan eiser. Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Schaberg, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. E. Waal, griffier. Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen het oordeel op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open. Op grond van artikel 31, eerste lid, Vw en artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Arrest van 10 juni 2021, zaaknummer C-921/19. Op grond van artikel 83 lid 1, aanhef en onder a, van de Vw 2000. Algemeen Ambtsbericht Turkije 2021, p. 39. Algemeen Ambtsbericht Turkije 2021, p. 40. Gelet op de ex nunc toetsing van het bestreden besluit. Algemene wet bestuursrecht. Op grond van artikel 72, vierde lid, van de Awb.