Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2026-01-09
ECLI:NL:RBDHA:2026:723
Rechtbank den haag Team handel - voorzieningenrechter zaak- / rolnummer: C/09/694644 / KG ZA 25-1132 Vonnis in kort geding van 9 januari 2026 in de zaak van [eiser] verblijvende in de PI [plaats] , eiser, advocaat mr. S.L.T.A. Scheepers te Venlo, tegen: DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Justitie en Veiligheid) te Den Haag, gedaagde, advocaat mr. M. Beekes te Den Haag. Partijen worden hierna ‘ [eiser] ’ en ‘de Staat’ genoemd. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 24 november 2025, met producties 1 tot en met 10; - de producties 1 tot en met 6 van de Staat; - de aanvullende producties 11 en 12 van [eiser] ; - de akte eiswijziging van [eiser] . 1.2. Op 23 december 2025 is de mondelinge behandeling in deze zaak gehouden. Partijen hebben hun standpunten toegelicht, mede aan de hand van een pleitnota. Tijdens de zitting is vonnis bepaald op vandaag. 2 De feiten Op grond van de stukken en op grond van wat er tijdens de zitting is besproken, wordt in dit geding van het volgende uitgegaan. 2.1. [eiser] is op 29 juni 2017 door het gerechtshof Amsterdam veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf in het ‘ [proces] ’. 2.2. Op 1 maart 2017 is het Besluit houdende de instelling van een Adviescollege levenslanggestraften (Besluit ACL) in werking getreden. Het Besluit ACL voorziet in een regeling, waarbij uiterlijk 25 jaar na het begin van de detentie van een levenslanggestrafte door het daarvoor aangestelde Adviescollege levenslanggestraften (het Adviescollege) een advies wordt uitgebracht over het aanbieden van re-integratieactiviteiten aan levenslanggestraften, bestaande uit activiteiten, inclusief verlof, die de gedetineerde in aanvulling op de resocialisatieactiviteiten in staat stellen om te werken aan de voorbereiding op een mogelijke terugkeer in de samenleving. 2.3. Op 10 oktober 2022 is [eiser] in het kader van de procedure van het Adviescollege uitgenodigd voor een zogenoemd ‘Murray-onderzoek’: een Pro Justitia onderzoek dat sinds 2020 wordt uitgevoerd door het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie (NIFP). Bij het Murray-onderzoek wordt door een psychiater en een psycholoog onderzocht of bij de levenslanggestrafte sprake is van een ziekelijke stoornis en/of gebrekkige ontwikkeling van de geestesvermogens die leidt tot een (hoog) recidiverisico dat gevolgen heeft tot eventuele toelating van de levenslanggestrafte tot de re-integratiefase. Als dat het geval is, wordt onderzocht of succesvolle behandeling tot verlaging van het recidiverisico mogelijk is. 2.4. [eiser] heeft ingestemd met het instellen van dit onderzoek, onder de voorwaarde dat (i) de gesprekken met de gedragsdeskundigen auditief worden opgenomen en (ii) [eiser] tijdens het onderzoek kan beschikken over het dossier in de strafzaak tegen hem. 2.5. Bij brief van 30 januari 2023 heeft de directeur van de Divisie Individuele Zaken van de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) namens de minister voor Rechtsbescherming op dat verzoek van [eiser] gereageerd. In deze brief staat, voor zover nu relevant, het volgende: “Bij brief van 10 oktober 2022 hebben wij u uitgenodigd voor deelname aan het Murray-onderzoek en u verzocht ons te laten weten of u hiermee instemt (zie bijlage). (…) In reactie op onze uitnodiging heeft u een drietal voorwaarden gesteld, te weten: 1. U wenst dat uw gesprekken met de onderzoekers worden opgenomen; 2. U wenst, in het kader van het onderzoek, te beschikken over uw strafdossier; 3. U wenst meer duidelijkheid over de uitvoering van het onderzoek. 1. Voorwaarde: opnemen gesprekken onderzoekers. Uw vraag heb ik besproken met het NIFP. Het NIFP heeft mij laten weten dat gesprekken in dergelijke onderzoeken niet worden opgenomen. Omdat een ieder zich vrij moet voelen tijdens het gesprek, is het conflicterend met de aard van het onderzoek om opnames te maken. Aan de door u gestelde voorwaarde kan dus niet worden voldaan. 2. Voorwaarde: te beschikken over uw strafdossier Met dez 3.2. Volgens [eiser] handelt de Staat onrechtmatig en in strijd met artikel 3 EVRM door te weigeren zijn strafdossier ter beschikking te stellen c.q. raadpleegbaar te maken. Ten eerste heeft zowel de DJI, de directeur van de PI als de advocaat van de Staat toegezegd dat het complete strafdossier ter beschikking wordt gesteld met het oog op het Murray-onderzoek en het opstellen van een gratieverzoek. Door te weigeren het strafdossier ter beschikking te stellen, komt de Staat die toezegging niet na. Ook ontneemt de Staat [eiser] daarmee de mogelijkheid om effectief gebruik te maken van het Murray-onderzoek en het op effectieve wijze opstellen van een gratieverzoek, met als gevolg dat inbreuk wordt gemaakt op zijn recht op het kunnen verkrijgen van verlof/kunnen aanvragen van gratie. De Staat biedt daarmee geen adequaat zicht op vrijlating en dat is in strijd met artikel 3 EVRM. [eiser] heeft verder een spoedeisend belang bij zijn vorderingen, omdat het Murray-onderzoek inmiddels van start is gegaan en hij nog steeds niet over zijn strafdossier beschikt. 3.3. De Staat voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken. 4 De beoordeling van het geschil 4.1. [eiser] stelt dat de Staat moet worden veroordeeld om zijn strafdossier (tijdelijk) ter beschikking te stellen althans om toe te staan dat [eiser] een SD-kaart met een afschrift van het strafdossier in de PI invoert. De voorzieningenrechter wijst de vorderingen van [eiser] af en zal dat oordeel hieronder toelichten. 4.2. Op de zitting heeft [eiser] verklaard dat hij over het strafdossier wenst te kunnen beschikken in het kader van het onder 2.3. genoemde Murray-onderzoek en de voorzieningenrechter zal dat dan ook als uitgangspunt nemen bij de beoordeling. 4.3. Zoals de Staat terecht heeft opgemerkt, bestaat geen wettelijke grondslag voor het verstrekken van het strafdossier aan [eiser] in het kader van het Murray-onderzoek. Het gaat hier om het verstrekken van strafvorderlijke gegevens waarop de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (Wjsg) van toepassing is. De Wjsg kent echter geen recht van [eiser] als veroordeelde op verstrekking van het strafdossier. Uit de artikelen 39e en 39f Wjsg volgt dat het verstrekken van strafvorderlijke gegevens noodzakelijk moet zijn met het oog op een zwaarwegend algemeen belang en alleen mogelijk is aan de in artikel 39e Wjsg genoemde personen of instanties, of aan personen of instanties op één van de in artikel 39f Wjsg genoemde gronden. [eiser] is geen persoon in de zin van artikel 39e Wjsg en niet gesteld of gebleken is dat het Murray-onderzoek past binnen één van de in artikel 39f Wjsg genoemde gronden. Voor verstrekking van het strafdossier aan [eiser] bestaat dus geen wettelijke basis. 4.4. [eiser] stelt dat zowel de DJI, de directeur van de PI als de advocaat van de Staat heeft toegezegd dat hij de beschikking krijgt over zijn complete strafdossier en dat de Staat die (aan hem toe te rekenen) toezegging moet nakomen. Aan [eiser] kan worden toegegeven dat in de door de DJI – namens de minister voor Rechtsbescherming – gestuurde brief van 30 januari 2023 de mededeling bevat dat ermee wordt ingestemd dat [eiser] gedurende het Murray-onderzoek over het strafdossier zal kunnen beschikken. [eiser] had zich naar het oordeel van de voorzieningenrechter moeten realiseren dat het strafdossier feitelijk door het OM moet worden verstrekt en (dus) uitsluitend het OM kan bepalen of het, gezien de moeite die het kost om het uiterst omvangrijke strafdossier ter beschikking te stellen, reëel en haalbaar is om aan deze wens van [eiser] te voldoen. De inwilliging van de wens van [eiser] in de brief van 30 januari 2023 kan in zoverre niet als een bindende toezegging worden gezien op grond waarvan het OM het strafdossier aan [eiser] moet verstrekken, mede omdat uit die brief niet blijkt dat de instemmende verklaring mede namens het OM werd overgebracht. 4.5. [eiser] heeft onvoldoende onderbouwd welk concreet belang hij heeft bij de verstr