Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-03-27
ECLI:NL:RBDHA:2026:7217
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
937 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBDHA:2026:7217 text/xml public 2026-03-31T17:00:33 2026-03-31 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-03-27 NL26.5784 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Arnhem Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:7217 text/html public 2026-03-31T10:29:32 2026-03-31 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:7217 Rechtbank Den Haag , 27-03-2026 / NL26.5784 Buiten zitting, eiser MOB, geen procesbelang, niet-ontvankelijk. RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: NL26.5784 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 maart 2026 in de zaak tussen [eiser], v-nummer: [nummer], eiser, en de minister van Asiel en Migratie. Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 28 januari 2026 niet in behandeling genomen, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. 1.1. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting. Beoordeling door de rechtbank Heeft eiser procesbelang? 2. De rechtbank beantwoordt allereerst ambtshalve de vraag of eiser procesbelang heeft bij het beroep. De minister heeft op 9 februari 2026 meegedeeld dat eiser volgens meldingen van de vreemdelingenpolitie en het Centraal Orgaan opvang asielzoekers op 5 februari 2026 met onbekende bestemming is vertrokken. Op 6 februari 2026 heeft de gemachtigde van eiser, mr. M.J. Paffen, meegedeeld geen contact meer te hebben met eiser. Tevens heeft de gemachtigde aangegeven zich te onttrekken. 2.1. Uit vaste rechtspraak volgt dat, als de vreemdeling met onbekende bestemming vertrekt zonder aan de minister te laten weten waar hij verblijft, er in beginsel van dient te worden uitgegaan dat hij kennelijk geen prijs meer stelt op de door hem gezochte bescherming in Nederland. Dit is slechts anders als een vreemdeling laat weten dat hij contact met zijn gemachtigde onderhoudt en dus nog prijs stelt op deze bescherming. Dit houdt in dat de gemachtigde weet dat de vreemdeling nog in Nederland verblijft, waar hij verblijft en met de vreemdeling contact heeft over de verdere voortgang van de procedure en de keuzes die in dit kader moeten worden gemaakt. 2.2. Gezien de hiervoor genoemde omstandigheden en gezien de informatie van de gemachtigde van eiser neemt de rechtbank aan dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken en dat hij geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk gezochte bescherming in Nederland. Eiser heeft daarom geen rechtens te beschermen belang meer bij een beoordeling van de rechtmatigheid van het bestreden besluit. 3. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk. Conclusie en gevolgen 4. Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt dus de zaak niet inhoudelijk. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door mr. W. Loof, rechter, in aanwezigheid van mr. T.M.T. Brandsma, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over verzet Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden. Zie bijvoorbeeld ABRvS 22 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:579.