Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-03-09
ECLI:NL:RBDHA:2026:7214
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Voorlopige voorziening
1,775 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBDHA:2026:7214 text/xml public 2026-04-02T09:22:06 2026-03-31 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-03-09 NL25.62352 Uitspraak Voorlopige voorziening NL Amsterdam Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:7214 text/html public 2026-03-31T08:44:55 2026-04-02 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:7214 Rechtbank Den Haag , 09-03-2026 / NL25.62352 Verzoek om een voorlopige voorziening, verzoek toegewezen, de minister heeft zich niet verzet tegen de toewijzing van het verzoek om een voorlopige voorziening voor zover dat is gericht op het voorkomen van uitzetting van verzoekster hangende haar bezwaar. Omdat verzoekster hierdoor feitelijk in Nederland mag blijven en de verdere behandeling van haar aanvraag af mag wachten, is de voorzieningenrechter van oordeel dat de minister gehouden is om verzoekster tegelijkertijd ook opvang aan te bieden. RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht Zaaknummer: NL25.62352 [v nummer] uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen [verzoeker] , geboren op [geboortedag] 1974, van Eritrese nationaliteit, verzoekster, (gemachtigde: mr. L.I. Siers), en de minister van Asiel en Migratie, de minister, (gemachtigde: mr. Ch.R. Vink). Inleiding 1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek van verzoekster om een voorlopige voorziening. Verzoekster heeft op 9 oktober 2025 een aanvraag ingediend voor uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Vw . Deze aanvraag is bij besluit van 3 november 2025 afgewezen. 1.1. Verzoekster heeft tegen het besluit bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt dat zij haar bezwaar tegen de afwijzing van haar aanvraag in Nederland en in de opvang van het COA mag afwachten. 1.2. Op 3 maart 2026 heeft verzoekster de voorzieningenrechter verzocht om met spoed op haar verzoek om een voorlopige voorziening te beslissen omdat het COA heeft meegedeeld dat haar recht op verstrekkingen op grond van de Rva op 10 maart 2026 zal worden beëindigd. Dit betekent ook dat verzoekster op deze datum de COA-locatie moet verlaten. 1.3. Op 5 maart 2026 heeft de minister op verzoek van de voorzieningenrechter een verweerschrift ingediend. 1.4. De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, vierde lid, van de Awb uitspraak zonder zitting. Beoordeling door de voorzieningenrechter Ten aanzien van het griffierecht 2. De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoekster is vrijgesteld van het betalen van griffierecht. Ten aanzien van het verzoek 3. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed dat gelet op de betrokken belangen vereist. 4. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoekster een spoedeisend belang heeft bij de door haar gevraagde voorziening. Bij brief van 3 maart 2026 heeft het COA verzoekster meegedeeld dat haar recht op verstrekkingen op grond van de Rva op 10 maart 2026 zal worden beëindigd. Dit betekent ook dat verzoekster op deze datum de COA-locatie moet verlaten. 5. De minister heeft in het verweerschrift meegedeeld zich niet te verzetten tegen toewijzing van het verzoek om een voorlopige voorziening voor zover dat is gericht op het voorkomen van uitzetting van verzoekster hangende haar bezwaar gezien het feit dat de minister bij brief van 3 maart 2026 het BMA heeft verzocht om nader advies uit te brengen. Mede onder verwijzing naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg van 12 april 2023 stelt de minister zich verder op het standpunt dat het verzoek om de Rva-verstrekkingen te continueren moet worden afgewezen omdat de op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb vereiste materiële connexiteit met het bezwaarschrift daarvoor ontbreekt. Het bezwaar van 3 november 2025 is immers gericht tegen de afwijzing van het verlenen van uitstel van vertrek en niet tegen het beëindigen van de Rva-verstrekkingen. 6. Verzoekster voert aan dat haar bezwaar een redelijke kans van slagen heeft omdat uit de informatie van de behandelaars alsmede het BMA zelf blijkt dat thans zeer wel mogelijk aanleiding bestaat voor de conclusie dat zij bij het uitblijven van medische behandeling wel in een medische noodsituatie terecht zal komen en/of niet in staat is te reizen. In dat geval voldoet verzoekster aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 64 van het Vw. 7. Omdat de minister gelet op het verweerschrift zich niet verzet tegen de toewijzing van het verzoek om een voorlopige voorziening voor zover dat is gericht op het voorkomen van uitzetting van verzoekster hangende haar bezwaar, ziet de voorzieningenrechter aanleiding om het verzoek om een voorlopige voorziening toe te wijzen. Omdat verzoekster hierdoor feitelijk in Nederland mag blijven en de verdere behandeling van haar aanvraag af mag wachten, is de voorzieningenrechter van oordeel dat de minister gehouden is om verzoekster tegelijkertijd ook opvang aan te bieden. De voorzieningenrechter is van oordeel dat beiden onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. Dit betekent dat zij niet uit de opvanglocatie van het COA kan worden gezet tot op het bezwaar is beslist. De verwijzing van de minister naar voornoemde uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg van 12 april 2023 doet hier niet aan af. Conclusie en gevolgen 8. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe, in de zin dat verzoekster haar bezwaar tegen de afwijzing van haar aanvraag in Nederland mag afwachten. Ook moet verzoekster toegang verkrijgen tot de eerder door het COA aan haar verleende verstrekkingen, waaronder de opvang in een locatie van het COA, en deze moeten worden voortgezet tot vier weken nadat op het bezwaar is beslist. 9. De voorzieningenrechter veroordeelt de minister in de door verzoekster gemaakte proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 934,- omdat de gemachtigde van verzoekster een verzoekschrift heeft ingediend. Beslissing De voorzieningenrechter: - wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe; - bepaalt dat verzoekster haar bezwaar tegen de afwijzing van haar aanvraag in Nederland mag afwachten, en toegang moet verkrijgen tot de eerder aan haar verleende verstrekkingen, waaronder de opvang in een locatie van het COA, en dat deze moet worden voortgezet tot vier weken nadat op het bezwaar is beslist; en, - veroordeelt de minister tot betaling van € 934,- aan proceskosten aan verzoekster. Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H.G. Odink, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. K. Mertens, griffier De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open. Vreemdelingenwet 2000. Centraal Orgaan opvang asielzoekers. Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005. Algemene wet bestuursrecht. Bureau Medische Advisering. ECLI:NL:RBDHA:2023:5447.