Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-03-18
ECLI:NL:RBDHA:2026:7146
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Voorlopige voorziening
621 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBDHA:2026:7146 text/xml public 2026-03-30T13:01:32 2026-03-30 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-03-18 NL25.22880 Uitspraak Voorlopige voorziening NL Utrecht Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:7146 text/html public 2026-03-30T13:01:17 2026-03-30 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:7146 Rechtbank Den Haag , 18-03-2026 / NL25.22880 Plakvovo RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL25.22880 uitspraak van de voorzieningenrechter van 18 maart in de zaak tussen [verzoekster] , V-nummer: [V-nummer] , verzoekster (gemachtigde: mr. C.T.W. van Dijk), en de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: E.M.G. Walraven). Inleiding 1. Verzoekster heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘verblijf als familie- of gezinslid bij referent’. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 26 april 2026 afgewezen. Met het bestreden besluit van 23 april 2025 op het bezwaar van verzoekster is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Verzoekster heeft hiertegen beroep ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. 1.1. De voorzieningenrechter heeft het verzoek, samen met het beroep (NL25.22877), op 11 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, referent, de gemachtigde van verzoekster, I.A. Hofmann als tolk en de gemachtigde van de minister. Beoordeling door de voorzieningenrechter 2. Bij uitspraak van vandaag heeft de rechtbank uitspraak gedaan op het beroep. Een voorlopige voorziening is daarom niet meer nodig. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. 2.1 De voorzieningenrechter ziet, gelet op de inhoud van de uitspraak op het beroep, aanleiding te bepalen dat verzoekers een vergoeding krijgen van hun proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. De vergoeding bedraagt € 934,- omdat de gemachtigde een verzoekschrift heeft ingediend. Beslissing De voorzieningenrechter: - wijst het verzoek om voorlopige voorziening af; - veroordeelt de minister tot betaling van een bedrag van € 934,- aan proceskosten aan verzoekster. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Janssen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S.J. Bootsma, griffier. Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 18 maart 2026 Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.