Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-03-27
ECLI:NL:RBDHA:2026:7141
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,590 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBDHA:2026:7141 text/xml public 2026-04-10T12:07:32 2026-03-30 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-03-27 NL26.11952 en NL26.11953 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Voorlopige voorziening NL Den Haag Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:7141 text/html public 2026-04-10T12:07:20 2026-04-10 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:7141 Rechtbank Den Haag , 27-03-2026 / NL26.11952 en NL26.11953 standaardvoornemen, individuele beoordeling, arrest C.K. RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummers: NL26.11952 en NL26.11953 uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen [eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser/verzoeker (hierna: eiser) (gemachtigde: mr. N. van Bremen), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder. Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De voorzieningenrechter beoordeelt in deze uitspraak het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 3 maart 2026 niet in behandeling genomen, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag. Beoordeling door de rechtbank Geen zitting 2. De rechtbank houdt in deze zaak geen zitting. Het beroep is namelijk kennelijk ongegrond. Hieronder legt de rechtbank dit uit. Waar gaat deze zaak over? 3. Eiser stelt de Algerijnse nationaliteit te hebben en op [geboortedatum] 1988 te zijn geboren. Verweerder heeft de asielaanvraag niet in behandeling genomen, omdat Duitsland verantwoordelijk zou zijn voor de behandeling daarvan. Wat vindt eiser in beroep? 4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en stelt dat verweerder niet had mogen volstaan met standaardverwijzingen. Volgens eiser is daarmee het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd. Eiser verwijst hierbij naar de uitspraken van de rechtbank Den Haag. Eiser stelt dat verweerder een individuele beoordeling moest maken van het risico op onmenselijke behandeling, gelet op het suïciderisico en de kwetsbaarheid van eiser. Eiser verwijst in dit verband naar het arrest C.K. Tot slot stelt eiser dat verweerder niet mag tegenwerpen dat eiser geen documenten heeft overgelegd als zijn psychische toestand dit belemmert. Eiser verwijst hierbij naar de door de rechtbank Den Haag gestelde prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie. Wat is het oordeel van de rechtbank? 5. Naar het oordeel van de rechtbank maakt het standaardvoornemen niet dat verweerder het besluit onzorgvuldig heeft voorbereid of onvoldoende is gemotiveerd. Onder verwijzing naar jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 11 april 2025 , oordeelt de rechtbank dat een standaardvoornemen wel aan de daartoe gestelde vereisten kan voldoen. De door eiser aangedragen bezwaren tegen de overdracht naar Duitsland en zijn persoonlijke omstandigheden zijn door verweerder in het bestreden besluit betrokken. De verwijzing naar de uitspraken van de rechtbank Den Haag maakt het niet anders te oordelen. De beroepsgrond slaagt niet. 6. Wat betreft het beroep op het arrest C.K., is de rechtbank van oordeel dat er vanuit mag worden gegaan dat de medische voorzieningen in Duitsland vergelijkbaar zijn met die in Nederland. Hiermee moet Duitsland in staat worden geacht de medische klachten van eiser te kunnen behandelen en dat eiser na aankomst in Duitsland toegang heeft tot de nodige behandeling. De rechtbank overweegt verder dat eiser geen medische documenten of ander bewijs heeft overgelegd, waaruit de conclusie kan worden getrokken dat de medische situatie van eiser aanzienlijk en onomkeerbaar zal verslechteren door de overdracht aan Duitsland. Het door eiser gestelde suïciderisico is gebaseerd op zijn eigen verklaringen en niet op een medische verklaring. De persoonlijke beleving van eiser is niet doorslaggevend bij het inschatten van de gevolgen van een overdracht op de medische situatie van eiser. Het beroep op het arrest C.K. slaagt daarom niet. De verwijzing naar de door eiser aangehaalde uitspraken gaat niet op, nu deze zien op andere – niet met deze zaak vergelijkbare – situaties. Ten aanzien van de verwijzing naar de door de rechtbank Den Haag gestelde prejudiciële vragen aan het Hof, ziet de rechtbank geen aanleiding anders te oordelen. Conclusie en gevolgen 7. De beroepsgronden slagen niet. De rechtbank twijfelt hier niet over. Daarom is het beroep kennelijk ongegrond. 8. Nu er uitspraak is gedaan in het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit , wordt het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard. 9. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. De voorzieningenrechter verklaart het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Holleman, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van M. Ramdihal, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak op het beroep, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open. Zie artikel 8:54, eerste lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Zie de uitspraken van rechtbank Den Haag van 17 februari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:3076, 13 januari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:2174, 16 oktober 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:19565 en 26 november 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:23938. Arrest van het Europees Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) van 16 februari 2017 in de zaak C.K. tegen Slovenië (ECLI:EU:C: 2017:127). Zie de uitspraken van de Afdeling van 11 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1642 en 23 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4348. Op grond van artikel 8:81 en 8:83, derde lid, van de Awb.