Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-01-22
ECLI:NL:RBDHA:2026:7110
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,203 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBDHA:2026:7110 text/xml public 2026-03-30T10:20:32 2026-03-30 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-01-22 NL26.1361 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Utrecht Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:7110 text/html public 2026-03-30T10:20:00 2026-03-30 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:7110 Rechtbank Den Haag , 22-01-2026 / NL26.1361 Vervolgberoep bewaring, de voortduring van de maatregel van bewaring, ongegrond. uitspraak RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL26.1361 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , eiser V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. M.S. Yap) en de Minister van Asiel en Migratie , (gemachtigde: L. Hartog). Procesverloop De minister heeft op 21 september 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste, aanhef en onder a van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort. Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding. De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd. De minister heeft vervolgens een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft. Overwegingen Eiser stelt van Algerijnse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 2000. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan. 3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 4 november 2025 (in de zaak NL25.50505) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek. 4. Eiser stelt dat er geen sprake is van enig zicht op afgifte van de laissez-passer (lp) binnen korte termijn en daarmee evenmin zicht op uitzetting, alsook dat de minister onvoldoende voortvarend handelt. Hierbij wordt verwezen naar dat er enkel vertrekgesprekken met eiser zijn gevoerd en dat de minister enkel schriftelijk rappelleert naar de Algerijnse autoriteiten. Eiser voert aan dat enkel het schriftelijk te rappelleren de minister onvoldoende voortvarend handelt. 5. In wat eiser aanvoert, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat de minister onvoldoende voortvarend handelt of dat het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn ontbreekt. 6. Wat betreft het zicht op uitzetting overweegt de rechtbank dat volgens vaste rechtspraak zicht op uitzetting naar Algerije niet ontbreekt.1 De rechtbank ziet ook geen reden om aan te nemen dat dit in het geval van eiser anders is. Uit de vertrekgesprekken (25 november 2025 en 23 december 2025) volgt verder ook niet dat eiser actief meewerkt aan zijn terugkeer en uitzetting naar Algerije. De enkele verklaring in het vertrekgesprek van 23 december 2025 dat hij bereid is om mee te werken als er een lp wordt afgegeven, maar tot die tijd geen stappen kan ondernemen omdat hij geen contact heeft met zijn familie in Algerije, is hiertoe onvoldoende. 7. Verder is het de rechtbank niet gebleken dat de minister sinds de vorige uitspraak van 4 november 2025 onvoldoende voortvarend heeft gehandeld. De minister heeft meermalen, als laatste op 8 januari 2026, bij de Algerijnse autoriteiten gerappelleerd en daarnaast ook meerdere vertrekgesprekken met eiser gevoerd. 8. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe zij gehouden is, is de rechtbank van oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek niet op enig moment onrechtmatig was. 9. Het beroep is ongegrond en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen. 10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep ongegrond; wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. den Dulk, rechter, in aanwezigheid van mr. J.B. Thépass, griffier. 1. Zie hiervoor de uitspraak van 27 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:722. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 22 januari 2026 Documentcode: [Documentcode] Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.