Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2026-01-05
ECLI:NL:RBDHA:2026:70
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Haarlem Bestuursrecht zaaknummers: NL25.20578 (beroep) en NL25.20579 (voorlopige voorziening) uitspraak van de meervoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen [eiser/verzoeker] , eiser/verzoeker, hierna: eiser, V-nummer: [nummer] , (gemachtigde: mr. S. Sewnath), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder, (gemachtigde: mr. R.E. van Deijck en mr. J. Kennis). Samenvatting 1. Eiser is afkomstig uit Haïti en is geboren en woonachtig in departement l'Ouest. Hij stelt dat hij twee keer bijna is ontvoerd door gemaskerde en gewapende mannen en dat de algemene situatie in Haïti zo slecht is dat hij louter vanwege zijn aanwezigheid daar een reëel risico loopt op ernstige schade. Verweerder vindt de twee bijna-ontvoeringen niet geloofwaardig en meent dat in Haïti sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld. Eiser moet dan aannemelijk maken dat hij wegens persoonlijke omstandigheden een verhoogd risico loopt om in Haïti slachtoffer te worden van willekeurig geweld. Dat heeft hij volgens verweerder niet gedaan. 1.2 De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het besluit van verweerder klopt en het beroep ongegrond is. Verweerder heeft kunnen vinden dat de bijna-ontvoeringen ongeloofwaardig zijn, onder meer omdat eiser hier tegenstrijdige verklaringen over heeft afgelegd. Verweerder heeft deugdelijk aan de hand van landeninformatie gemotiveerd waarom sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld en waarom de persoonlijke omstandigheden niet genoeg zijn voor de conclusie dat eiser een verhoogd risico in Haïti loopt. Verweerder heeft de asielaanvraag als kennelijk ongegrond mogen afwijzen omdat eiser op een vals visum heeft gereisd. Het terugkeerbesluit en het inreisverbod vindt de rechtbank ook rechtmatig. Procesverloop 2. Eiser heeft op 1 september 2023 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 28 april 2025 deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als kennelijk ongegrond. Verweerder heeft daarbij tevens bepaald dat eiser Nederland direct moet verlaten en hem een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd. 2.1 Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening. 2.2 De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 2 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser, zijn gemachtigde, [tolk] als tolk en de gemachtigden van verweerder deelgenomen. 2.3 Bij sluiting van het onderzoek op zitting heeft de rechtbank meegedeeld binnen zes weken uitspraak te doen. De rechtbank heeft deze termijn niet gehaald en partijen bericht zes weken later uitspraak te doen. Beoordeling door de rechtbank Inleiding 3. Eiser stelt de Haïtiaanse nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [datum] 1992. Hij is geboren in Gressier en is nadien woonachtig geweest in Port-au-Prince , beide in departement l'Ouest. Hij heeft gewerkt als veeverzorger. Hij heeft op 1 september 2023 asiel aangevraagd. Hieraan legt hij het volgende ten grondslag. Op 28 december 2022 werd eiser bijna ontvoerd door gemaskerde en gewapende mannen in een SUV. Eiser rende meteen weg. Eiser kon aan de mannen ontsnappen. De mannen losten schoten. Hij vermoedt dat de mannen horen bij de bende Krazé Barié. Eiser heeft daarna in zijn eigen huis verbleven. Op 27 mei 2023 is wederom een poging gedaan om eiser te ontvoeren. Eiser kon toen weer aan de mannen ontsnappen. Op 28 mei 2023 is eiser verhuisd naar zijn neef en nicht om een veiliger onderkomen te vinden. Op 30 augustus 2023 heeft hij Haïti verlaten. Bij terugkeer vreest eiser om opgepakt te worden door de gemaskerde mannen. Hij vreest dan voor zijn leven. Eiser had in het verleden stukken land en die zijn eerder door de bendes gestolen. Eiser heeft geen aangifte gedaan omdat het onrustig was in het land, wegen geblokkeerd waren en Dit is ongerijmd, omdat het erg onrustig was op de straten en het was een roerige periode. Bovendien was eiser al 30 jaar, dus begrijpt verweerder niet waarom zijn neef mee zou moeten om hem te begeleiden naar de school. Eiser voert hierover aan dat het in Haïtiaanse context gebruikelijk is dat familieleden -ongeacht de leeftijd- elkaar bij een dergelijke gelegenheid ondersteunen. De keuze voor de ontmoetingsplek was bij een kerk en daarom was het daar druk. Er is geen sprake van een bewuste risicokeuze, maar van een alledaagse, sociaal ingebedde handeling. III. Verweerder heeft vraagtekens geplaatst bij de omstandigheid dat eiser na de gestelde bijna-ontvoering op 28 december 2022 geen contact had opgenomen met zijn neef. Eiser was op zijn neef aan het wachten toen hij werd benaderd door de bendeleden. Eiser is gevlucht, maar heeft geen contact opgenomen met zijn neef om te vragen of hij veilig was. Eiser voert aan dat hij heeft verklaard dat hij na het voorval direct naar huis was gerend, zijn familie had gebeld en vervolgens in paniek is ondergedoken. Bij acute dreiging en angst is het niet ongebruikelijk dat contact met naasten tijdelijk wordt verbroken. Dit gedrag is in lijn met bekende stress- en vluchtreacties. Eiser handelde uit paniek en wist niet wat zijn neef verder was overkomen. Het ontbreken van nadien hernieuwd contact met eisers neef is het gevolg van angst, onzekerheid en zelfbescherming. IV. Verweerder heeft de verklaringen over de tweede poging van ontvoering op 27 mei 2023 ongerijmd geacht, met name over het bezoek aan zijn nicht en de auto. In dit verband erkent eiser dat bij de verklaringen sprake is geweest van verwarring. Dat komt door stress, tijdsdruk en moeite om de gebeurtenissen in chronologische volgorde te plaatsen. Detailverlies of verwarring ten aanzien van de SUV/pick-up, die bij de eerste gestelde ontvoeringspoging betrokken was, is hierdoor ook te verklaren. Eiser dacht dat het ging om een groot, donker, voertuig. V. Verweerder heeft tegengeworpen dat eiser geen aangiften van de pogingen tot ontvoering bij de politie heeft gedaan. Eiser heeft naar aanleiding daarvan gemotiveerd uiteengezet dat hij geen aangifte heeft gedaan in zijn directe woonomgeving omdat de politiebureaus in zijn directe woonomgeving zijn vernietigd of gesloten. Dit wordt bevestigd door de openbare bronnen. Gelet op de gebrekkige aanwezigheid en functionering van de politie, de reële dreiging van represailles en de maatschappelijke context waarin sprake is van structurele straffeloosheid, is het nalaten van het doen van aangifte niet ongeloofwaardig. VI. Verweerder heeft tegengeworpen dat de verklaring van eiser dat hij voor zijn vertrek de luchthaven kon bereiken, in strijd is met zijn eerdere gestelde handelswijze en verklaringen. Eiser stelt naar aanleiding hiervan dat hij via smalle wegen op een motorfiets naar de luchthaven is gereden. De reguliere wegen waren inderdaad geblokkeerd. Deze verklaring is consistent met wat bekend is over de situatie in Port-au-Prince . VII. Verweerder acht het bevreemdend dat eiser niet beschikt over diepgaande informatie over de criminele groepering die hem zou hebben bedreigd. Eiser heeft echter verklaard dat het ging om gemaskerde, gewapende mannen die duidelijk herkenbaar waren als niet behorend tot de politie en dat zij behoorden tot de bende Krazé Baryé, onder leiding van Witelhomme Innocent - een naam die hij wist te noemen. Eiser heeft daarnaast aangegeven dat deze groep actief was in zijn woonwijk en aldaar aanzienlijke controle uitoefende. Navraag doen naar de groeperingen is zeer riskant. 5.2 De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het asielrelaas van eiser ongeloofwaardig is. Dit wordt als volgt toegelicht. 5.2.1 De beroepsgronden van eiser zijn voor een deel gebaseerd op eisers persoonlijke achtergrond en referentiekader, zoals zijn beperkte opleiding, psychologische factoren naar aanleiding van trauma’s en stre 6.2 Uit het Arrest X en Y van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 9 november 2023 en de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 17 juli 2024 volgt dat ook bij een mindere mate van willekeurig geweld sprake kan zijn van een reëel risico op ernstige schade ten gevolge van willekeurig geweld in het kader van een gewapend conflict, indien de betreffende vreemdeling met individuele elementen aannemelijk kan maken dat hij een verhoogd risico daarop loopt. Dit is de zogenaamde ‘minder uitzonderlijke situatie’ en hierbij geldt een glijdende schaal: hoe meer willekeurig geweld er plaatsvindt, hoe minder individuele elementen nodig zijn om een risico op ernstige schade aan te nemen. Uit de uitspraak van de Afdeling blijkt dat daarbij geen drempel geldt voor de mate van willekeurig geweld. Bij individuele elementen kan bijvoorbeeld gedacht worden aan leeftijd, gezondheidstoestand of handicap. De bewijslast voor deze individuele elementen ligt bij de vreemdeling. Als aan deze bewijslast voldaan is, is verweerder gehouden om het verhoogde risico op ernstige schade wegens willekeurig geweld gemotiveerd te beoordelen. Verweerder is verplicht om de individuele situatie en persoonlijke omstandigheden van de vreemdelingen daarbij te betrekken. 6.3 Uit het arrest CF en DN van het Hof van 10 juni 2021 leidt de rechtbank af dat vaststelling van het aantal burgerslachtoffers in verhouding tot de omvang van de bevolking van een land of een regio een criterium kan zijn waarmee wordt aangetoond dat er sprake is van een uitzonderlijk niveau van willekeurig geweld, waarbij eenieder een reëel risico loopt op ernstige schade. Uit datzelfde arrest volgt ook dat dit niet het enige criterium kan zijn en dat bij de beoordeling of sprake is van een uitzonderlijk niveau tevens rekening kan worden gehouden met de volgende elementen: de intensiteit van de gewapende confrontaties; het organisatieniveau van de betrokken strijdkrachten en de duur van het conflict; de geografische omvang van de situatie van willekeurig geweld; de daadwerkelijke bestemming van de vreemdeling in het geval van terugkeer; het eventueel opzettelijke geweld dat door de strijdende partijen wordt uitgeoefend tegen burgers; de aanwezigheid van een veiligheidsstructuur; en de actor van vervolging zoals bedoeld in artikel 6 van de Kwalificatierichtlijn. Beoordeling algemene veiligheidssituatie 7. De rechtbank stelt allereerst vast dat niet in geschil is dat eiser afkomstig is uit het departement l'Ouest. Verweerder bestrijdt niet dat voor dat departement geldt dat sprake is van een binnenlands gewapend conflict en dat sprake is van willekeurig geweld doordat gewapende bendes in dat departement actief zijn. Tussen partijen is slechts in geschil welke gradatie van willekeurig geweld aan de orde is. 7.1 Eiser stelt dat gradatie a aan de orde is, namelijk een uitzonderlijk niveau van willekeurig geweld. Eiser verwijst ter onderbouwing van zijn stelling naar een aantal bronnen, onder meer naar een rapport van de UNHCR van 20 maart 2024 en Amnesty International . De UNHCR concludeert in zijn rapport dat de situatie in Haïti gekenmerkt wordt door ernstige verstoring van de openbare orde, verregaande territoriale controle door gewapende criminele bendes, een fundamenteel tekortschietende bescherming door de staat en een humanitaire crisis van uitzonderlijke omvang. De UNHCR stelt dat personen afkomstig uit Haïti in aanmerking kunnen komen voor internationale bescherming, dan wel subsidiaire bescherming op grond van artikel 15, onder c van de Kwalificatierichtlijn. Zowel de UNHCR als de Human Rights Watch waarschuwen voor de afwezigheid van een functionerende staat, waarbij zelfs kinderen door gewapende bendes worden ingezet en medische voorzieningen volledig zijn weggevallen. Er wordt melding gemaakt van wijdverspreide en ernstige mensenrechtenschendingen door gewapende criminele groeperingen, waaronder seksueel geweld, ontvoeringen, bui Desondanks vindt verweerder dat er sprake is van aanwezigheid van enige veiligheidsstructuur, omdat er gewerkt wordt aan het opbouwen en versterken van het leger en een ondersteuningsmissie van de VN. In die ondersteuningsmissie zijn inmiddels ongeveer 1000 Keniaanse politieagenten naar Haïti gestuurd. Dit aantal moet uiteindelijk groeien naar 2500. Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat dit aantal inmiddels wordt uitgebreid naar 5000 politieagenten. 7.3 De rechtbank is van oordeel dat verweerder de elementen en criteria uit het arrest CF en DN , overeenkomstig paragraaf C5/3.3.3.2 van de Vc, bij zijn beoordeling heeft betrokken. Daarmee heeft verweerder een zorgvuldig onderzoek verricht naar de situatie in Haïti. De elementen en criteria komen voldoende in het voornemen en het verweerschrift naar voren. Dit wordt als volgt toegelicht. 7.3.1 Verweerder heeft bij de beoordeling betrokken dat het willekeurig geweld afkomstig is van criminele bendes die zich steeds meer richten op de plaatselijke bevolking en dat sprake is van het opzettelijk doden, verwonden en het toepassen van seksueel geweld tegen burgers met als doel het territorium uit te breiden. Ook heeft verweerder bij de beoordeling betrokken dat sprake is van geweld van de zijde van een aantal criminele bendes, die zowel de overheid als elkaar onderling bestrijden, dat van enige organisatie aan de zijde van de criminele bendes geen sprake lijkt te zijn en dat sinds 2021 sprake is van een toename van bendes die actief zijn in Haïti. 7.3.2 Verweerder heeft daarbij verder betrokken dat het geweld met name plaatsvindt in departement l’Ouest en de in dat departement gelegen hoofdstad Port-au-Prince en voorsteden daarvan, als ook in departement Artibonite. Het geweld komt dus met name voor in een beperkt aantal delen van Haïti. 7.3.3 Verweerder heeft ook acht geslagen op de eventuele aanwezigheid van een veiligheidsstructuur. De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat uit de landeninformatie blijkt dat hoewel de autoriteiten niet in staat zijn om adequaat te reageren op het bendegeweld en de criminaliteit, er tegelijkertijd niet kan worden gesteld dat in Haïti in het geheel geen sprake is van een basale veiligheidsstructuur. Verweerder heeft onderbouwd dat het budget van de politie verhoogd is en dat er gewerkt wordt aan het opbouwen en versterken van de veiligheidsstructuur. Eiser heeft niet weersproken dat het leger in 2024 1500 soldaten had, dat het aantal politieagenten van de VN-ondersteuningsmissie wordt uitgebreid van 1000 naar 5000 en dat er begin 2025 150 soldaten uit Guatemala zijn aangekomen. Jamaica, de Bahama’s en Belize hebben personeel toegezegd. 7.3.4 Verweerder heeft ook het aantal burgerslachtoffers en ontheemden in verhouding tot de omvang van de bevolking van Haïti in het algemeen en de plaats van herkomst van eiser, in het bijzonder departement l'Ouest, in de beoordeling betrokken. De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat, zelfs als wordt uitgegaan van de in vergelijking met de door verweerder gehanteerde cijfers van ACLED en de hogere cijfers van de VN, nog steeds niet kan worden gezegd dat iedereen een reëel risico loopt op ernstige schade. Het aantal dodelijke slachtoffers dat de VN noemt ligt dichtbij het aantal waarvan de meervoudige kamer in haar uitspraak van 16 november 2023 is uitgegaan. De rechtbank ging toen uit van 2.493 doden in de eerste 7,5 maand in 2023; de VN spreekt nu van 2.652 doden in eerste halfjaar 2024, 2.949 in het tweede halfjaar 2024 en 2.680 in het eerste halfjaar 2025. Daarbij betrekt de rechtbank dat bronnen van elkaar verschillen wat betreft concrete cijfers en dat niet duidelijk is welke bronnen het bij het juiste eind hebben. De rechtbank stelt echter vast dat veel slachtoffers behoren tot de strijdende partijen zelf. In de bijlage bij het verweerschrift zet verweerder namelijk op inzichtelijke wijze aan de hand van de ACLED cijfers uiteen dat in de meeste gevallen de gevechten plaatsvonden tussen Pas bij vertrek werd hem duidelijk dat het visum ongeldig was. 9.1 Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser zelf zijn paspoort heeft afgegeven aan een onbekende tussenpersoon, die na betaling van $ 6.000,- ‘al deze dingen’ in zijn paspoort zette. Dit heeft eiser verklaard in het aanmeldgehoor . 9.2. De rechtbank volgt verweerder. Eisers verklaringen wijzen erop dat eiser bewust was van de valse informatie in zijn paspoort. Bovendien wordt er in beroep aangevoerd dat hem pas bij vertrek duidelijk werd gemaakt dat het visum ongeldig is. Dit betekent dat hij voor zijn vertrek kennis had van de ongeldigheid van zijn visum. Eiser heeft desondanks, dus willens en wetens, met het reisdocument gereisd. De asielaanvraag is daarom terecht afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw. De beroepsgrond slaagt niet. Het terugkeerbesluit en het arrest Ararat 10. Eiser voert aan dat verweerder geen geactualiseerde beoordeling heeft gemaakt van het risico op refoulement omdat hij in het besluit geen nadere motivering geeft in aanvulling op het voornemen. Dit is in strijd met het arrest Ararat. Verweerder heeft bepaald dat eiser Nederland direct moet verlaten, ondanks het feit dat het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag nog aanhangig is. Dit leidt ertoe dat eiser Nederland moet verlaten zonder dat de rechter zich heeft kunnen uitlaten over het risico op ernstige schade bij terugkeer. 10.1 Verweerder stelt zich op het standpunt dat er geen sprake is van een impliciete herleving van een eerder besluit. Er is immers slechts een voornemen en geen eerder besluit. Verweerder stelt dat hij in het bestreden besluit uitgebreid heeft gemotiveerd dat hij bij uitzetting naar Haïti geen risico loopt op een behandeling in strijd met het non-refoulementbeginsel. 10.2 De rechtbank overweegt als volgt. Uit het arrest Ararat volgt dat verweerder op grond van artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn , gelezen in het licht van artikel 4 en artikel 19, tweede lid, van het Handvest , verplicht is om vóór de uitvoering van het terugkeerbesluit een geactualiseerde refoulementbeoordeling te maken. Een dergelijke beoordeling moet onderscheiden en autonoom zijn ten opzichte van de refoulementbeoordeling die de nationale autoriteit ten tijde van de vaststelling van het terugkeerbesluit heeft verricht. Ook moet de geactualiseerde refoulementbeoordeling de nationale autoriteit in staat stellen om zich ervan te vergewissen dat er geen zwaarwegende en op feiten berustende gronden bestaan om aan te nemen dat de betrokken derdelander bij terugkeer naar zijn land van herkomst een reëel risico loopt op de doodstraf, folteringen of onmenselijke of vernederende behandelingen. Hierbij moet de nationale autoriteit rekening houden met elke wijziging van de omstandigheden en met alle nieuwe elementen die de betrokken derdelander aanvoert. 10.3 De rechtbank is van oordeel dat met het voornemen en het bestreden besluit verweerder al getoetst heeft of sprake is van een risico op refoulement. Nu de rechtbank van oordeel is dat niet aannemelijk is geworden dat eiser bij terugkeer een reëel risico loopt op ernstige schade, is terugkeer naar Haïti niet in strijd met het beginsel van non-refoulement. Dat eiser gedurende zijn asielberoep Nederland moet verlaten is feitelijk onjuist omdat hij, zo blijkt uit het bestreden besluit, de behandeling van zijn ingediende verzoek om een voorlopige voorziening met zaaknummer NL25.20579 in Nederland mag afwachten. Eiser hoefde Nederland dus nog niet te verlaten. De beroepsgrond slaagt niet. Inreisverbod 11. Eiser voert aan dat het inreisverbod van twee jaar onzorgvuldig is gemotiveerd en disproportioneel is. 11.1 Omdat de aanvraag als kennelijk ongegrond is afgewezen kon verweerder op grond van artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a van de Vw een inreisverbod opleggen. Verweerder kan hier gelet op artikel 66a, achtste lid, van de Vw om humanitaire of andere redenen van afzien. Voor