Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-02-26
ECLI:NL:RBDHA:2026:6995
Civiel recht; Personen- en familierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,042 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:6995 text/xml public 2026-04-09T11:46:22 2026-03-29 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-02-26 C/09/696693 / FA RK 25-9793 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Voorlopige voorziening Beschikking NL Den Haag Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:6995 text/html public 2026-04-09T11:46:10 2026-04-09 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:6995 Rechtbank Den Haag , 26-02-2026 / C/09/696693 / FA RK 25-9793 Voorlopige voorzieningen. Uitsluitend gebruik woning en toevertrouwing oudste kind aan man. Toevertrouwing jongste kind aan vrouw wanneer zelfstandige woonruimte. Voorlopige zorgregeling en kinderalimentatie. Afwijzing voorlopige partneralimentatie. Rechtbank DEN HAAG Enkelvoudige kamer Rekestnummer: FA RK 25-9793 Zaaknummer: C/09/696693 Datum beschikking: 26 februari 2026 Voorlopige voorzieningen Beschikking op het op 24 december 2025 ingekomen verzoek van: [de vrouw] , de vrouw, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat: mr. P. Celikkal in ’s-Gravenhage. Als belanghebbende wordt aangemerkt: [de man] , de man, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat: mr. A.K. Tosun in Rotterdam. Procedure De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder: het verzoekschrift, met bijlagen, namens de vrouw; het bericht van 9 januari 2026, met bijlage, namens de vrouw; het verweerschrift, met zelfstandige verzoeken en met bijlagen, namens de man; het bericht van 2 februari 2026, met bijlage, namens de vrouw; het verweer op de zelfstandige verzoeken, namens de vrouw; het bericht van 4 februari 2026, met bijlage, namens de vrouw. Op 5 februari 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vrouw met haar advocaat, de man met zijn advocaat en [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming. Feiten De vrouw en de man zijn gehuwd op 6 augustus 1998 in Turkije. Zij zijn de ouders van de volgende nu nog minderjarige kinderen: [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2008 in [geboorteplaats] ; [de minderjarige 2] (roepnaam: [de minderjarige 2] ), geboren op [geboortedatum 2] 2012 in [geboorteplaats] . De ouders zijn gezamenlijk met het gezag over de kinderen belast. Volgens de Basisregistratie Personen hebben de vrouw, de man en de kinderen in ieder geval de Nederlandse nationaliteit. Verzoek en verweer Het verzoek van de vrouw strekt ertoe dat: (naar de rechtbank begrijpt) de man gerechtigd zal zijn tot het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning aan de [adres] ; primair: [de minderjarige 2] aan de vrouw wordt toevertrouwd c.q. het voorlopig hoofdverblijf van [de minderjarige 2] bij de vrouw wordt vastgesteld; subsidiair: [de minderjarige 2] aan de vrouw wordt toevertrouwd zodra zij een eigen woonruimte heeft; samenhangend met het subsidiaire verzoek een regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken ten aanzien van [de minderjarige 2] wordt vastgesteld waarbij [de minderjarige 2] minimaal drie keer per week voor minimaal twee uur omgang met de vrouw heeft; een door de man aan de vrouw te betalen voorlopige kinderalimentatie van € 650,- per maand voor [de minderjarige 2] wordt vastgesteld; een door de man aan de vrouw te betalen voorlopige partneralimentatie van € 1.700,- per maand netto wordt vastgesteld, voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad. De man voert verweer tegen de verzochte voorlopige kinderalimentatie en partneralimentatie, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Daarnaast verzoekt de man zelfstandig te bepalen dat: de man gerechtigd zal zijn tot het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning aan de [adres] , met inbegrip van de inboedel, met het bevel dat de vrouw die woning dient te verlaten en verder niet mag betreden; [de minderjarige 1] aan de man wordt toevertrouwd; een zorgregeling wordt vastgesteld waarbij [de minderjarige 2] elke week van zaterdag 10.00 uur tot zondag 18.30 uur bij de man is, althans een beslissing te nemen die de rechtbank in justitie juist acht, voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad en kosten rechtens. De vrouw voert verweer tegen de zelfstandig verzochte zorgregeling met [de minderjarige 2] , welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Beoordeling Rechtsmacht en toepasselijk recht In deze voorlopige voorzieningenprocedure heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht en wordt Nederlands recht toegepast. Uitsluitend gebruik echtelijke woning De vrouw en de man zijn het erover eens dat het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning aan de man toekomt. De rechtbank zal conform deze overeenstemming van partijen beslissen. Het verzoek om te bepalen dat dit uitsluitend gebruik ‘met inbegrip van de inboedel’ is, zal de rechtbank bij gebrek aan belang afwijzen. Bij toewijzing van het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning aan een partij is die partij ook uitsluitend gerechtigd tot de tot die woning behorende inboedelgoederen. Toevertrouwing [de minderjarige 1] De vrouw en de man zijn het erover eens dat [de minderjarige 1] aan de man wordt toevertrouwd, conform de feitelijke situatie. [de minderjarige 1] heeft in haar gesprek met de rechter ook aangegeven dat zij bij de man wil blijven wonen. De rechtbank zal, nu zij dat ook in het belang van [de minderjarige 1] acht, haar aan de man toevertrouwen. Toevertrouwing [de minderjarige 2] Uit de stukken en dat wat op de zitting is besproken is de rechtbank het volgende gebleken. Op 29 oktober 2025 is de vrouw vertrokken uit de echtelijke woning. Zij heeft eerst in een crisisopvang verbleven en heeft inmiddels een studio tot haar beschikking. Deze woonsituatie is tijdelijk en de vrouw heeft urgentie voor een zelfstandige woning aangevraagd. [de minderjarige 2] heeft autismespectrumstoornis en een licht verstandelijke beperking. [de minderjarige 2] verblijft nu bij de man en wordt zowel door hem als door [de minderjarige 1] en een inmiddels meerderjarige dochter van partijen verzorgd. [de minderjarige 2] gaat naar het bijzonder onderwijs en werd voorheen met een taxibusje gehaald en gebracht. Deze service is in november 2025 gestopt, omdat de chauffeur te vaak voor een dichte deur had gestaan. De vader brengt [de minderjarige 2] sindsdien naar school en één van zijn zussen haalt hem op. De rechtbank overweegt als volgt. [de minderjarige 2] is een kwetsbaar kind vanwege zijn persoonlijkheidsproblematiek. De rechtbank begrijpt de wens van de vrouw om [de minderjarige 2] aan haar toevertrouwd te krijgen, maar acht het gelet op zijn autismespectrumstoornis niet in zijn belang om nu eerst te moeten verhuizen naar de studio van de vrouw en vervolgens opnieuw te moeten verhuizen wanneer de vrouw een definitieve woonruimte toegewezen krijgt. Daarbij acht de rechtbank een verblijf in een studio ook niet wenselijk voor [de minderjarige 2] . Hij is bekend in de echtelijke woning, waar hij nu verblijft en waar hij goed wordt verzorgd door de man en zijn twee oudere zussen, die hem ook al (deels) verzorgden toen de vrouw nog onderdeel uitmaakte van het gezin. De rechtbank acht het in het belang van [de minderjarige 2] dat deze situatie voorlopig voortduurt, zodat de rechtbank het primaire verzoek van de vrouw zal afwijzen. Zodra de vrouw een definitieve woonruimte heeft op een goede reisafstand van de school van [de minderjarige 2] en het vervoer daarvoor is geregeld, zal de rechtbank [de minderjarige 2] vanaf dat moment aan de vrouw toevertrouwen. Op de zitting heeft de man aangegeven dat hij het daarmee eens is en de rechtbank acht dat ook in het belang van [de minderjarige 2] . Voorlopige zorgregeling met [de minderjarige 2] Op dit moment heeft de vrouw contact met [de minderjarige 2] op zijn school, één of twee keer per week. De vrouw regelt dit in overleg met de school. De rechtbank acht het in het belang van [de minderjarige 2] dat hij een structurelere basis heeft voor contact met de vrouw.
Volledig
Zolang [de minderjarige 2] bij de man woont en totdat de vrouw geschikte zelfstandige woonruimte heeft, zal de rechtbank daarom vaststellen dat er iedere week op zaterdag of zondag omgang tussen [de minderjarige 2] en de vrouw is van 10.00 uur tot 15.00 uur. De rechtbank weet niet of deze tijden praktisch uitkomen in verband met mogelijke andere verplichtingen. Het staat de ouders vrij om in onderling overleg de tijden aan te passen, wanneer zij ook afspreken op welke weekenddag de omgang plaats zal vinden. De rechtbank gaat er verder vanuit dat het de ouders lukt om samen afspraken te maken over het halen en brengen en de locatie van de overdracht, wat in ieder geval niet bij de woning van de vrouw zal zijn. Daarvoor is het belangrijk dat de man op zijn telefoon de vrouw deblokkeert. Vanaf het moment dat [de minderjarige 2] aan de vrouw wordt toevertrouwd zal de rechtbank een voorlopige zorgregeling met de man vaststellen. Daarbij begrijpt de rechtbank de wens van de vrouw om ook soms in het weekend tijd met [de minderjarige 2] te kunnen doorbrengen. De rechtbank zal daarom vaststellen dat [de minderjarige 2] bij de man zal zijn in de ene week van vrijdag uit school tot maandag naar school en in de andere week van vrijdag uit school tot zaterdag na het avondeten. Voorlopige kinderalimentatie Bij de vaststelling van de voorlopige kinderalimentatie en de berekening neemt de rechtbank de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie opgenomen in het Rapport Alimentatienormen (het rapport) als uitgangspunt. De rechtbank rondt hierna in haar berekening de bedragen telkens af op hele euro's. Ingangsdatum Aangezien [de minderjarige 2] op dit moment nog bij de man verblijft, zal de rechtbank in redelijkheid vaststellen dat de voorlopige kinderalimentatie in zal gaan vanaf het moment dat [de minderjarige 2] aan de vrouw wordt toevertrouwd. Behoefte Voor het bepalen van de behoefte moet allereerst het netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI) van partijen ten tijde van hun uiteengaan worden bepaald. Het NBGI bestaat uit het netto besteedbaar inkomen (NBI) van partijen samen, eventueel inclusief kindgebonden budget. De vrouw en de man zijn in de tweede helft van 2025 feitelijk uit elkaar gegaan, zodat de rechtbank zal rekenen met de tarieven van 2025-II. Aan de zijde van de vrouw gaat de rechtbank, net als de man in zijn berekening heeft gedaan, uit van een inkomen van € 0,- per maand. Het NBI van de vrouw komt daarmee ook neer op € 0,- per maand. Vast is komen te staan dat de man een ondernemer is van drie bedrijven; een juwelierszaak, een taxibedrijf en een autorijschool. Vanwege het fluctuerende inkomen van ondernemers is het gebruikelijk om met de gemiddelde winst uit onderneming over drie jaar te rekenen. De rechtbank volgt het standpunt van de man dat de cijfers over 2025 nog niet beschikbaar zijn, aangezien het ook gebruikelijk is dat de jaarcijfers niet direct aan het einde van het jaar beschikbaar zijn. Uit de overgelegde IB-aangiften, aanslagen en jaarrekeningen van 2022-2024 blijkt dat de man in die periode een gemiddelde winst uit onderneming had van € 37.819,- bruto per jaar (€ 46.566,- bruto in 2022, € 31.368,- bruto in 2023 en € 35.522,- bruto in 2024). Rekening houdend met de zelfstandigenaftrek, de MKB-winstvrijstelling, de algemene heffingskorting en de arbeidskorting berekent de rechtbank het NBI van de man ten tijde van het uiteengaan van partijen op € 2.795,- per maand. Voor de berekening van dit bedrag verwijst de rechtbank naar de berekening die aan deze beschikking is gehecht. Uitgaande van de hiervoor genoemde gegevens bedroeg het NBGI van partijen ten tijde van het uiteengaan € 2.795,- per maand. Conform de aanbevelingen uit het rapport 2025 moet bij het NBGI worden opgeteld het kindgebonden budget waar de ouders ten tijde van de samenleving recht op hadden. De ouders hadden gezien hun inkomen recht op een kindgebonden budget van € 555,- per maand. Hun NBGI komt daarmee uit op € 3.350,- per maand. Gelet op dit NBGI bedraagt de behoefte van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] op basis van de tabel eigen aandeel kosten van kinderen 2025 voor twee kinderen uit het rapport € 736,- per maand. Geïndexeerd naar 2026 bedraagt de behoefte van de kinderen € 770,- per maand, te weten € 385,- per maand per kind. Draagkracht De behoefte van de kinderen moet door de ouders worden opgebracht naar rato van hun beider draagkracht. De financiële draagkracht van de ouders moet conform de aanbevelingen uit het rapport 2026 in beginsel worden vastgesteld aan de hand van de formule 70% x [NBI - (0,3 x NBI + 1.365)]. Voor de lagere inkomens (beneden een NBI van € 2.200,-) zijn vaste bedragen per categorie van toepassing. Draagkracht vrouw Bij de berekening van de financiële draagkracht van de vrouw gaat de rechtbank uit van een bijstandsuitkering van € 16.824,- netto per jaar, zoals door de man is gesteld en door de vrouw niet is betwist. Rekening houdend met de algemene heffingskorting en het kindgebonden budget voor één kind ( [de minderjarige 2] ) berekent de rechtbank het NBI van de vrouw op € 1.962,- per maand. Voor de berekening van dit bedrag verwijst de rechtbank naar de berekening die aan deze beschikking is gehecht. Bij een NBI onder € 2.200,- per maand wordt de draagkracht bepaald op een vast bedrag uit de draagkrachttabel, afhankelijk van de hoogte van het NBI. Aangezien het NBI van de vrouw tussen de € 1.950,- en € 2.000,- per maand ligt, zal de rechtbank met toepassing van de draagkrachttabel (2026) een draagkracht van € 50,- per maand (voor twee kinderen) voor de vrouw in aanmerking nemen. Draagkracht man Bij de berekening van de financiële draagkracht van de vader gaat de rechtbank, net als bij de berekening van de behoefte, uit van een gemiddelde winst uit onderneming van € 37.819,- bruto per jaar. De rechtbank houdt geen rekening met het kindgebonden budget voor [de minderjarige 1] , omdat zij in mei 2026 meerderjarig wordt. De voorlopige kinderalimentatie die in deze beschikking wordt vastgesteld zal met name zien op de periode daarna, waarin de man geen recht meer heeft op het kindgebonden budget. Rekening houdend met de zelfstandigenaftrek, de MKB-winstvrijstelling, de algemene heffingskorting en de arbeidskorting berekent de rechtbank het NBI van de man op € 2.779,- per maand. Voor de berekening van dit bedrag verwijst de rechtbank naar de berekening die aan deze beschikking is gehecht. In deze voorlopige voorzieningenprocedure ziet de rechtbank geen aanleiding om af te wijken van het woonbudget. De draagkracht van de man bedraagt volgens de formule € 406,- per maand, te weten 70% x [2.779 - (0,3 x 2.779 + 1.365)]. Conclusie Op de door de man te betalen bijdrage dient in beginsel een zorgkorting in mindering te worden gebracht. De zorgkorting bedraagt een percentage van de behoefte, welk percentage afhankelijk is van de hoeveelheid omgang of zorg. Gelet op de vast te stellen voorlopige zorgregeling tussen de man en [de minderjarige 2] ziet de rechtbank aanleiding om rekening te houden met een zorgkorting van 25%. Het bedrag aan zorgkorting bedraagt € 96,- per maand (25% van € 385,-). Op de regel dat de zorgkorting de bijdrage van de man vermindert wordt een uitzondering gemaakt in het geval dat de gezamenlijke draagkracht van partijen onvoldoende is om in de behoefte van de kinderen te voorzien. Indien er een tekort aan draagkracht bestaat, komt de helft van dit tekort in mindering op de zorgkorting. In dit geval leidt dit tot de volgende conclusie. De gezamenlijke draagkracht van partijen bedraagt (€ 50,- + € 406,- =) € 456,- per maand ten opzichte van een totale behoefte van de kinderen van € 770,- per maand. Aangezien de vrouw alleen ten aanzien van [de minderjarige 2] een bedrag aan voorlopige kinderalimentatie verzoekt, ziet de rechtbank aanleiding om de draagkracht van beide partijen voor het doel van deze berekening te halveren. De rechtbank gaat daarom uit van een gezamenlijke draagkracht van partijen voor [de minderjarige 2] van (€ 25,- + € 203,- =) € 228,- per maand ten opzichte van de behoefte van [de minderjarige 2] van € 385,- per maand. Het tekort aan draagkracht bedraagt € 157,- per maand.