Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-03-13
ECLI:NL:RBDHA:2026:6880
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,000 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBDHA:2026:6880 text/xml public 2026-03-27T14:46:42 2026-03-27 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-03-13 C/09/701307 / KG ZA 26-266 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Kort geding Mondelinge uitspraak NL Den Haag Civiel recht; Verbintenissenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:6880 text/html public 2026-03-27T14:39:43 2026-03-27 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:6880 Rechtbank Den Haag , 13-03-2026 / C/09/701307 / KG ZA 26-266 Civiel recht, kort geding, verbintenissenrecht Vordering van gedetineerde tot bijwonen uitvaart. Regeling tijdelijk verlaten inrichting (artikel 24). Rechtbank den haag Team handel - voorzieningenrechter zaak- / rolnummer: C/09/701307 / KG ZA 26-266 Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak in kort geding ter zitting van 13 maart 2026 in de zaak van [eiser] te [verblijfplaats] (PI [locatie]), eiser, advocaat mr. R.J.H. van der Wal te Hengelo, tegen: DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Justitie en Veiligheid) te Den Haag, gedaagde, advocaat mr. J.W.M. Jansen te Den Haag. Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘[eiser]’ en ‘de Staat’. Mr. Van der Wal heeft op 13 maart 2026 bij de rechtbank een aanvraag voor een kort geding ingediend. In de aanvraag is vermeld dat mr. Jansen namens de Staat op 13 en 14 maart beschikbaar is voor een zitting. Vanwege de spoedeisendheid van de zaak is de zitting bepaald op 13 maart 2026 om 17.00 uur. De Staat is – op basis van de concept-dagvaarding – vrijwillig verschenen. De zitting heeft via video-verbinding plaatsgevonden. Aanwezig is mr. H.J. Vetter, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. D. de Gelder, griffier. Tevens zijn aanwezig: - mr. Van der Wal (namens [eiser], zelf niet aanwezig); - mr. Jansen namens de Staat, vergezeld van mevrouw [naam] (DJI). Nadat partijen hun standpunten hebben toegelicht, over en weer hebben gereageerd op de standpunten van de wederpartij en vragen van de voorzieningenrechter hebben beantwoord, heeft de voorzieningenrechter de zitting voor korte tijd geschorst. Na hervatting van de zitting heeft de voorzieningenrechter met toepassing van artikel 29a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) mondeling uitspraak gedaan. Deze luidt als volgt. 1 De gronden van de beslissing 1.1. [eiser] is op 23 december 2025 door de rechtbank Overijssel veroordeeld tot een gevangenisstraf van zeven jaar vanwege – kort weergegeven – deelname aan een criminele organisatie die zich bezig hield met de handel in diverse soorten hard- en softdrugs. Hij heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld. [eiser] bevindt zich in voorlopige hechtenis. Bij beschikking van 3 februari 2026 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden is de voorlopige hechtenis van [eiser] verlengd voor de duur van 120 dagen. 1.2. Op [datum 1] 2026 is de moeder van [eiser] overleden. De uitvaart vindt plaats op [datum 2] 2026 bij het uitvaartcentrum te [plaats]. 1.3. Op 10 maart 2026 heeft de advocaat van [eiser] bij de Raadkamer Gevangenhouding van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden een verzoek ingediend tot kortdurende schorsing van de voorlopige hechtenis, zodat [eiser] in de gelegenheid gesteld kan worden om afscheid te nemen van zijn moeder. Het verzoek is afgewezen. Het gerechtshof heeft de advocaat van [eiser] bericht dat gelet op artikel 80 lid 7 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) een verlofverzoek zoals door [eiser] is gedaan, moet worden ingediend bij de directeur van de inrichting waar hij verblijft. Namens [eiser] is het verzoek daarop ingediend bij de directeur van de PI. De Vrijheden Commissie (VC) heeft positief geadviseerd ten aanzien van incidenteel verlof onder begeleiding van DV&O. 1.4. De selectiefunctionaris heeft bij beschikking van 12 maart 2026 namens de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (hierna: de Staatssecretaris) beslist dat op grond van artikel 26 van de Penitentiaire Beginselenwet begeleid verlof voor [eiser] is toegestaan. Dit verlof is toegestaan voor een rouwbezoek aan de moeder van [eiser], maar niet voor het bijwonen van de uitvaart. De selectiefunctionaris heeft in dat verband overwogen dat hij het gezien het ‘strafrestant’ van [eiser] noodzakelijk acht dat [eiser] onder bewaking/begeleiding van DV&O (Dienst Vervoer en Ondersteuning) met incidenteel verlof gaat, zodat het bijwonen van de uitvaart is uitgesloten (artikel 24 Regeling tijdelijk verlaten van de inrichting). 1.5. Op 13 maart 2026 heeft [eiser] afscheid genomen van zijn moeder in het uitvaartcentrum. 1.6. [eiser] vordert in deze procedure – verkort weergegeven – uitvoerbaar bij voorraad, de Staat te gelasten hem in staat te stellen om op [datum 2] 2026 de uitvaart van zijn moeder bij te wonen onder door de voorzieningenrechter te bepalen voorwaarden, althans dat hij in staat wordt gesteld om de afscheidsplechtigheid bij te wonen, met veroordeling van de Staat in de kosten van de procedure. De Staat voert verweer. 1.7. Het gevorderde komt niet voor toewijzing in aanmerking. Daartoe is het volgende redengevend. 1.8. Voor wat betreft het wettelijk kader is het volgende van belang. Op grond van artikel 26 van de Penitentiair beginselenwet (Pbw) geldt dat de minister nadere regels stelt met betrekking tot het verlaten van de inrichting bij wijze van verlof door een gedetineerde. Nadere regels zijn gesteld in de Regeling tijdelijk verlaten van de inrichting (Rtvi). Artikel 24 Rtvi bepaalt dat incidenteel verlof kan worden verleend voor een bezoek in verband met het overlijden van de ouder van de gedetineerde (lid 1). Het bezoek kan bestaan in het bijwonen van de uitvaart, een rouwbezoek dan wel een bezoek aan graf of columbarium (lid 2). Lid 3 bepaalt dat het bijwonen van de uitvaart is uitgesloten indien bewaking is aangewezen. 1.9. [eiser] stelt dat de selectiefunctionaris, die namens de Staatssecretaris op het incidentele verlofverzoek van [eiser] heeft beslist, niet tot de beslissing heeft kunnen komen dat voor zijn (incidentele) rouwverlof begeleiding/bewaking noodzakelijk is, waardoor het bijwonen van de uitvaart van zijn moeder is uitgesloten. [eiser] wijst erop dat de selectiefunctionaris aan zijn beslissing ten grondslag heeft gelegd dat het ‘strafrestant’ van [eiser] in de weg staat aan onbewaakt verlof, maar volgens [eiser] kan er geen sprake zijn van een strafrestant omdat hij nog niet onherroepelijk is veroordeeld. [eiser] verblijft nog in voorlopige hechtenis en daarom geniet hij nog de bescherming van het onschuldvermoeden van artikel 6 lid 2 EVRM. Die situatie kan niet gelijkgesteld worden met een situatie van een veroordeelde met een lang strafrestant, aldus [eiser]. Verder heeft de selectiefunctionaris volgens [eiser] niet gemotiveerd waarom hij heeft afgeweken van het positieve advies van de VC. Het bijwonen van een begrafenis is een fundamenteel onderdeel van het recht op privé- en familieleven als bedoeld in artikel 8 EVRM. Dit recht kan weliswaar worden ingeperkt, maar er heeft geen belangenafweging plaatsgehad en een algemene verwijzing naar zijn ‘strafrestant’ is onvoldoende, zo heeft [eiser] aangevoerd. 1.10. Omdat niet gebleken is dat er voor [eiser] gelet op het spoedeisende karakter van zijn vordering – de begrafenis vindt maandag [datum 2] 2026 plaats – een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang beschikbaar is om de beslissing van de selectiefunctionaris in rechte op zeer korte termijn te laten toetsen, wordt [eiser] ontvangen in zijn vordering bij de voorzieningenrechter. 1.11. De voorzieningenrechter dient de beslissing van de selectiefunctionaris marginaal te toetsen, in die zin dat beoordeeld moet worden of deze in redelijkheid tot zijn besluit heeft kunnen komen dat [eiser] de uitvaart niet mag bijwonen omdat daarvoor bewaking noodzakelijk zou zijn. Dat besluit heeft de selectiefunctionaris naar het oordeel van de voorzieningenrechter in redelijkheid kunnen nemen. Uitgangspunt is dat [eiser] door de rechtbank is veroordeeld tot een langdurige gevangenisstraf.