Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-03-26
ECLI:NL:RBDHA:2026:6807
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
6,077 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:6807 text/xml public 2026-03-31T10:34:49 2026-03-27 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-03-26 NL25.53655 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Arnhem Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:6807 text/html public 2026-03-27T09:11:08 2026-03-30 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:6807 Rechtbank Den Haag , 26-03-2026 / NL25.53655 Asiel, zwaarwegendheid, vaststelling feiten, traumabeleid, uitstel van vertrek, privéleven, beroep gegrond met instandlating rechtsgevolgen. RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: NL25.53655 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 maart 2026 in de zaak tussen [eiser], v-nummer: [nummer], eiser (gemachtigde: mr. E. Derksen), en de minister van Asiel en Migratie (gemachtigde: mr. M.J.C. van der Woning). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag. Het afwijzende besluit houdt ook een terugkeerbesluit in, waarin staat dat eiser Nederland binnen vier weken moet verlaten. Eiser heeft daar geen gronden tegen aangevoerd. De rechtbank bespreekt het terugkeerbesluit daarom niet in deze uitspraak. 1.1. De rechtbank oordeelt dat het beroep gegrond is wegens een motiveringsgebrek, omdat de minister had moeten meenemen dat eiser door het leger met stokken is mishandeld. Toch blijven de rechtsgevolgen in stand, omdat de minister terecht stelt dat de angst voor het leger niet zwaarwegend genoeg is, gezien eiser na het incident nog twee jaar probleemloos in Sri Lanka heeft verbleven. De minister hoefde geen aanvullend onderzoek te doen naar de zwakbegaafdheid van eiser en hield voldoende rekening met zijn cognitieve beperkingen. Ook concludeerde de minister terecht dat terugkeer geen reëel risico op ernstige schade oplevert en dat eiser niet voldoet aan het traumabeleid. Verder is een beoordeling van het privéleven gemaakt en voldoet eiser niet aan de voorwaarden voor uitstel van vertrek om medische redenen. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Eiser heeft op 26 maart 2024 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 29 oktober 2025 deze aanvraag afgewezen als ongegrond. 2.1. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 2.2. De rechtbank heeft het beroep op 15 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. Beoordeling door de rechtbank Het asielrelaas 3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Hij heeft de Sri Lankaanse nationaliteit en behoort tot de Tamil bevolkingsgroep. In 2022 ontstonden er problemen tussen eiser en het Sri Lankaanse leger nadat eiser zijn buurman, die cannabis verhandelde, had aangegeven. Als gevolg hiervan werd eiser door het leger in de gaten gehouden. Hij verbleef een tijd ondergedoken, werd geslagen en beschoten, en verliet daarom op 29 februari 2024 Sri Lanka. Bij terugkeer naar zijn herkomstland vreest eiser voor dezelfde problemen met het leger. Het bestreden besluit 4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven: 1. identiteit, nationaliteit en herkomst; 2. problemen met het Sri Lankaanse leger. 4.1. De minister stelt zich hierover op het standpunt dat beide asielmotieven geloofwaardig zijn. Toch krijgt eiser geen asielvergunning. Dat komt omdat de minister vindt dat eisers vrees voor het Sri Lankaanse leger onvoldoende zwaarwegend is. De minister concludeert daarom dat de asielaanvraag ongegrond is. Heeft de minister alle relevante elementen vastgesteld? 5. Eiser betoogt dat de minister de feiten onjuist heeft vastgesteld. Eiser heeft bij VluchtelingenWerk Nederland (VWN) en in het nader gehoor verklaard, en dit aangevuld in de correcties en aanvullingen, dat hij door het Sri Lankaanse leger met stokken is mishandeld. Daarnaast heeft hij in beroep een signaleringslijst van iMMO overgelegd waarin zijn lichamelijke en psychische klachten zijn gesignaleerd. Ook heeft eiser eerder in de zienswijze foto’s van zijn littekens overgelegd, die in de signaleringslijst worden beschreven. De minister had dit incident moeten betrekken bij het tweede asielmotief (problemen met het Sri Lankaanse leger) of als een afzonderlijk asielmotief moeten beschouwen. Het nalaten hiervan leidt tot een motiveringsgebrek. 5.1. Deze beroepsgrond slaagt. De rechtbank is van oordeel dat eiser terecht aanvoert dat de minister niet alle relevante feiten in het bestreden besluit op de juiste manier heeft betrokken. Eiser heeft in het nader gehoor, in samenhang gezien met de correcties en aanvullingen daarop, verklaard dat hij door het Sri Lankaanse leger is mishandeld met stokken en een gloeiende staaf, waardoor hij littekens en brandwonden op zijn rug, armen en benen heeft opgelopen. In de correcties en aanvullingen is toegelicht door zijn gemachtigde dat eiser meerdere gesprekken heeft gehad bij VWN over de mishandeling met stokken door het leger van Sri Lanka, waarvan hij in de veronderstelling verkeerde dat dit de gehoren betroffen die relevant waren voor de inhoudelijke behandeling van zijn asielaanvraag. De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser ten tijde van het gehoor in de gelegenheid is gesteld om over zijn problemen te verklaren, dat hij hierover niet heeft verklaard en dat de minister niet beschikt over de gesprekken die hij heeft gehad bij VWN. De rechtbank is van oordeel dat op basis van de verklaringen van eiser in het nader gehoor, waar hij het heeft over littekens en verwondingen en over klachten aan zijn lichaam die door het Sri Lankaanse leger zijn veroorzaakt, en de aanvullingen hierop, de minister had moeten vaststellen dat de mishandeling met stokken door het Sri Lankaanse leger een relevant element is en de minister dit had moeten betrekken onder het tweede asielmotief (problemen met het Sri Lankaanse leger). Vervolgens had de minister moeten beoordelen of dit element voldoet aan de voorwaarden voor toekenning van internationale bescherming. Dit heeft de minister nagelaten. Het nalaten hiervan leidt tot een motiveringsgebrek en maakt dat het besluit strijdig is met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Op de zitting heeft de minister toegelicht dat het asielmotief “problemen met het Sri Lankaanse leger” in zijn geheel geloofwaardig is bevonden en dat het daarvoor niet uitmaakt of de minister van een extra incident, zijnde de mishandeling, uitgaat. Het asielmotief is namelijk niet zwaarwegend genoeg omdat eiser na het laatste incident (de schietpartij bij de boot) nog twee jaar in Sri Lanka verbleef. Het toevoegen van het incident van de mishandeling verandert niets hieraan volgens de minister. De rechtbank zal onder punt 8 beoordelen of de minister terecht tot de conclusie is gekomen dat het asielmotief niet zwaarwegend genoeg is en of er aan de hand daarvan aanleiding bestaat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. Had de minister nader onderzoek moeten doen naar de zwakbegaafdheid van eiser? 6. Eiser betoogt dat de minister vanwege concrete aanwijzingen voor zijn zwakbegaafdheid nader onderzoek had moeten doen naar zijn verstandelijke capaciteiten, met speciale aandacht voor zijn taalvaardigheid en begrip van tijdsbepalingen. Het advies van MediFirst bevat aanknopingspunten voor zwakbegaafdheid, omdat daarin staat dat eiser moeite heeft met vragen en dingen niet lijkt te begrijpen. Dit advies vormde een duidelijke aanleiding voor nader onderzoek. In de correcties en aanvulling is daarnaast benoemd dat eiser zwakbegaafd is. Eiser kan vanwege zijn zwakbegaafdheid niet verklaren waarom hij bepaalde jaartallen noemt, zodat aan de door eiser genoemde data geen doorslaggevend gewicht kan worden toegekend.
Volledig
Als referentiekader mocht de minister daarom niet slechts uitgaan van laagbegaafdheid. 6.1. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) volgt dat een MediFirst-advies is aan te merken als een deskundigenadvies. Als de minister een MediFirst-advies aan zijn besluitvorming ten grondslag legt, dient hij zich er op grond van artikel 3:2 van de Awb van te vergewissen dat dit advies - naar wijze van totstandkoming - zorgvuldig en - naar inhoud - inzichtelijk en concludent is. Als aan deze eisen is voldaan, mag de minister bij zijn beoordeling in beginsel van de juistheid van dit advies uitgaan. De vreemdeling kan met een contra-expertise de inhoudelijke juistheid van een MediFirst-advies betwisten. Met stukken van zijn behandelaars kan een vreemdeling de zorgvuldigheid, inzichtelijkheid en concludentie van een deskundig advies aan de orde stellen dan wel concrete aanknopingspunten aanvoeren voor twijfel aan de inhoud daarvan. 6.2. De rechtbank stelt op basis van het dossier vast dat eiser op 21 juli 2025 een gesprek had met een verpleegkundige van MediFirst. In het advies van diezelfde dag meldt MediFirst dat eiser stottert en adviseert om eiser vriendelijk te benaderen en hem voldoende tijd te geven om te antwoorden. Verder blijkt uit het verslag dat eiser moeite heeft met concentratie en sommige vragen en opdrachten mogelijk niet goed begrijpt. Bij verlies van concentratie helpt het hem om een pauze te nemen. Het is daarom belangrijk om vragen in eenvoudige taal te stellen en zo nodig te herhalen of anders te formuleren. 6.3. De beroepsgrond van eiser slaagt niet. De minister heeft geen aanleiding hoeven zien om nader onderzoek te verrichten naar de door eiser gestelde zwakbegaafdheid. Het advies van Medifirst, zoals hiervoor weergegeven, beschrijft duidelijk eisers klachten (stotteren, concentratieproblemen en moeite met vragen en opdrachten) en geeft aanwijzingen hoe de minister hier rekening mee moest houden tijdens het gehoor, zoals een vriendelijke benadering, pauzes, eenvoudige taal en het herhalen of anders formuleren van vragen. De rechtbank vindt dit advies voldoende inzichtelijk en concludent, zoals vereist in het toetsingskader onder 6.1, zodat de minister terecht van de juistheid ervan uitging. Uit het advies blijkt niet dat eiser zwakbegaafd is of niet kan verklaren over jaartallen. Dat eiser in correcties en aanvullingen als zwakbegaafd staat beschreven door zijn gemachtigde, verandert hier niets aan. De minister heeft op de zitting terecht opgemerkt dat de gemachtigde geen medisch deskundige is en dat het aan eiser zelf is om een contra-expertise aan te leveren om het Medifirst-advies te betwisten. De rechtbank voegt daaraan toe dat eiser vrij is een medisch onderzoek te laten uitvoeren door een bevoegde arts of psycholoog, bijvoorbeeld via een intelligentietest. Zolang dat niet is gebeurd, geldt zwakbegaafdheid niet als uitgangspunt en hoeft de minister geen nader onderzoek te verrichten. Heeft de minister voldoende rekening gehouden met de cognitieve beperkingen van eiser? 7. Eiser voert aan dat de minister bij het nader gehoor en de beoordeling van zijn asielrelaas onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn cognitieve beperkingen. Eiser geeft onduidelijke en onbetrouwbare tijdsaanduidingen (over het moment van het geweldsincident en zijn vertrek uit Sri Lanka). 7.1. Deze beroepsgrond slaagt niet. De minister heeft naar het oordeel van de rechtbank zich terecht op het standpunt gesteld dat tijdens het nader gehoor voldoende rekening is gehouden met de beperkingen van eiser. Tijdens het nader gehoor is rekening gehouden met de beperkingen van eiser, zoals deze voortvloeien uit het MediFirst-advies (zoals beschreven onder 6.2). Uit het MediFirst-advies volgt verder niet dat eiser niet kan verklaren over tijdsaanduidingen of jaartallen. Anders dan eiser betoogt blijkt uit het nader gehoor verder ook niet dat sprake is van door hem onduidelijke en onbetrouwbare tijdsaanduidingen of dat de gehoormedewerker hem hierin corrigeert. Uit het nader gehoor blijkt dat eiser uit zichzelf meermaals consistent het jaartal 2022 heeft genoemd waarin het geweldsincident zou hebben plaatsgevonden. Dat duidt erop dat eiser het jaartal 2022 bewust en doelgericht heeft herinnerd. Niet valt in te zien waarom hij dit jaartal zou hebben genoemd als hij daarover niet zeker was, temeer nu eiser ook zelf aangeeft wanneer zijn geheugen hem wél in de steek laat. Het punt van eiser dat uit het nader gehoor volgt dat het incident twee jaar geleden heeft plaatsgevonden, leest de rechtbank, net zoals de minister, zo dat dit ziet op het moment van eisers vertrek uit Sri Lanka en niet op het moment van het incident zelf. Daarbij komt dat eiser consistent verklaart dat zijn vertrek uit Sri Lanka in 2024 was, twee jaar na het laatste incident. Gelet hierop ziet de rechtbank geen aanknopingspunten om het betoog van eiser te volgen dat hij onzeker is over wanneer het incident en zijn vertrek hebben plaatsgevonden. Los daarvan is het onduidelijk hoe eiser bedoelt dat de minister hier in de besluitvorming rekening mee had moeten houden. Heeft de minister ten onrechte eisers vrees voor het Sri Lankaanse leger onvoldoende zwaarwegend geacht? 8. Eiser betoogt dat de minister ten onrechte het standpunt inneemt dat zijn vrees voor het Sri Lankaanse leger onvoldoende zwaarwegend is. Eiser betwist dat hij pas twee jaar na het laatste incident Sri Lanka heeft verlaten. Het laatste incident was een schietpartij bij een boot en eiser is direct hierna per boot naar India gevlucht. Door zijn cognitieve beperkingen kan eiser niet verklaren waarom hij bepaalde jaartallen noemt, waardoor deze datums niet doorslaggevend zijn. De minister blijft desondanks vasthouden aan het jaartal 2022 maar motiveert onvoldoende waarom hij dit doet. Dit jaartal wordt namelijk niet onderbouwd door concrete herinneringen of tijdsaanduidingen van eiser. Het besluit is daarmee onbegrijpelijk gemotiveerd op dit punt. Eiser geeft aan dat de minister verwijst naar openbare bronnen waaruit volgens hem geweld tegen Tamilbevolkingsgroepen zou blijken. Maar volgens eiser laat die informatie niet zien dat het leger willekeurig vissers op het strand beschiet. Voor zover bekend is er geen openbare informatie die zulke incidenten ondersteunt. 8.1. Deze beroepsgrond slaagt niet. De minister heeft terecht geconcludeerd dat de vrees van eiser voor het Sri Lankaanse leger onvoldoende zwaarwegend is. Onder 7.1 heeft de rechtbank geoordeeld dat de minister ervan uit mocht gaan dat het laatste geweldsincident van eiser met het Sri Lankaanse leger in 2022 plaatsvond en dat eiser twee jaar later, in 2024, Sri Lanka verliet. Gelet hierop heeft eiser na het incident langdurig en zonder problemen in Sri Lanka verbleven, wat zijn vrees voor vervolging niet aannemelijk maakt. De minister mocht opmerken dat als het gevaar echt acuut was, eiser eerder zou zijn vertrokken. Ook mocht de minister zich op het standpunt stellen dat het een persoonlijke aanname van eiser is dat de beschieting daadwerkelijk op hem was gericht. Eiser verklaart zelf ook in het nader gehoor dat hij niet zeker weet of specifiek hij werd beschoten. Daarnaast ontbreekt bewijs voor een causaal verband tussen zijn aangifte tegen de buurman, vanwege het verhandelen van cannabis, en de daaropvolgende incidenten. Dat eiser is beschoten, maakt het oordeel over de zwaarwegendheid dus niet anders. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit incident specifiek tegen hem was gericht. De minister is daarom terecht ervan uitgegaan dat de beschieting mogelijk willekeurig was en niet specifiek gericht op eiser. Tot slot wijst openbare informatie op geweld vanwege discriminatie of repressie van Tamilbevolkingsgroepen in het algemeen, maar niet op persoonlijke vervolging zoals eiser heeft aangevoerd. Eiser onderbouwt niet waarom hij een uitzondering vormt op de openbare bronnen. Loopt eiser in Sri Lanka een reëel risico op ernstige schade? 9.
Volledig
Eiser betoogt dat zijn eerdere blootstelling aan vervolging of ernstige schade (of de directe dreiging daarvan) een sterke aanwijzing vormt dat het risico op ernstige schade reëel blijft. Volgens eiser heeft de minister ten onrechte nagelaten te motiveren dat sprake is van wezenlijk gewijzigde omstandigheden die maken dat vervolging of schade zich niet opnieuw zal voordoen. 9.1. Deze beroepsgrond slaagt niet. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser bij terugkeer naar Sri Lanka geen reëel risico loopt op ernstige schade. Het enkele feit dat eiser afkomstig is uit Sri Lanka is daarvoor onvoldoende. Eiser heeft aangegeven dat hij bij terugkeer vreest voor problemen met het leger, maar, gelet op het oordeel onder 8.1, is deze vrees onvoldoende zwaarwegend omdat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij te vrezen heeft voor het Sri Lankaanse leger gelet op de omstandigheid dat hij twee jaar na het laatste incident zonder problemen in Sri Lanka heeft verbleven. Ook heeft hij niet aan kunnen tonen dat de beschieting specifiek op hem was gericht. De minister heeft in de besluitvorming verder gemotiveerd dat uit officieel beschikbare informatie volgt dat de aandacht van de Sri Lankaanse autoriteiten zich de laatste jaren vooral heeft verlegd naar islamitische groeperingen en dat de positie van Tamils is verbeterd. In de meest recente verslagperiode werd meer aandacht besteed aan de rechten van Tamils, is land aan hen teruggeven en zijn meerdere politieke partijen actief die de belangen van de Tamilbevolking vertegenwoordigen. Gelet hierop is voldoende gemotiveerd dat eiser geen reëel risico loopt op ernstige schade bij terugkeer naar Sri Lanka. Voldoet eiser aan de voorwaarden van het traumabeleid? 10. Eiser voert aan dat hij voldoet aan de voorwaarden van het traumabeleid. Hij is mishandeld door het leger en hij is beschoten, waarna hij het land heeft ontvlucht. De minister heeft onvoldoende onderzocht of eiser binnen de referteperiode is gevlucht. Gelet hierop had de minister de asielaanvraag moeten inwilligen, dan wel op grond van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) moeten afwijken van het beleid. 10.1. Deze beroepsgrond slaagt niet. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet voldoet aan de voorwaarden van het traumabeleid. Volgens het beleid geldt onder meer dat het causale verband tussen traumatische gebeurtenis en vertrek wordt aangenomen als de vreemdeling binnen zes maanden na het trauma het land van herkomst verlaat. Bij eiser is dat niet het geval, omdat hij, zoals eerder onder 7.1 overwogen, pas twee jaar na de genoemde gebeurtenissen Sri Lanka heeft verlaten. Daarmee voldoet hij niet aan de termijn van zes maanden, zoals het beleid voorschrijft. Dat eiser het land twee jaar na de traumatische gebeurtenissen heeft verlaten en daarmee niet voldoet aan het traumabeleid, vormt geen bijzondere omstandigheid als bedoeld in artikel 4:84 van de Awb. Eiser heeft niet toegelicht waarom hij niet eerder kon vertrekken. Daardoor is onvoldoende gebleken dat sprake is van bijzondere omstandigheden die afwijking van het beleid rechtvaardigen. Heeft de minister ten onrechte geen beoordeling gemaakt van het recht op respect van privéleven van eiser? 11. Eiser betoogt dat de minister ten onrechte geen beoordeling van het recht op respect van privéleven heeft verricht, zoals bedoeld in artikel 8 van het EVRM. 11.1. Dit betoog slaagt niet. Eiser heeft zijn beroep op artikel 8 van het EVRM over het privéleven in zijn geheel niet onderbouwd. De minister heeft daarom dan ook terecht geen overweging gewijd aan het privéleven in het besluit. Ook in beroep heeft eiser geen nadere onderbouwing gegeven van zijn privéleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. Had de minister uitstel van vertrek om medische redenen moeten geven? 12. Eiser betoogt dat de minister ten onrechte geen uitstel van vertrek om medische redenen heeft gegeven. Daartoe wijst eiser erop dat hij in het nader gehoor uitvoerig heeft verklaard over zijn medische problematiek. In het besluit wordt echter gewezen op het ontbreken van medische documentatie, wat volgens eiser leidt tot een schending van de zorgvuldigheidsplicht. Hij had de kans moeten krijgen dit gebrek te herstellen. Eiser ondergaat momenteel een medische behandeling voor wonden aan zijn gebit en rug. 12.1. De rechtbank begrijpt het betoog van eiser als een verzoek om uitstel van vertrek om medische redenen. De minister heeft in het besluit terecht erop gewezen dat eiser op dit moment niet voldoet aan de voorwaarden daarvoor. Eiser heeft geen medische documenten aangeleverd, waaruit blijkt dat hij in Nederland onder behandeling is, dat hij alleen hier de benodigde zorg kan krijgen, of dat dergelijke zorg in zijn land van herkomst ontbreekt. Ook zijn er geen verklaringen van artsen of zorginstellingen overgelegd die eisers medische situatie ondersteunen. De bewijslast ligt hiervoor bij eiser zelf. De minister heeft daarom geen aanleiding hoeven zien om eiser dit gebrek te laten herstellen. Omdat eiser zijn verzoek onvoldoende heeft onderbouwd bij zijn huidige asielaanvraag, wijst de rechtbank het verzoek om medische redenen af. Het staat eiser vrij om een aanvraag in te dienen voor uitstel van vertrek om medische redenen, waarbij hij dan wel relevante medische stukken moet overleggen van de medische behandeling die hij stelt te ondergaan. Conclusie en gevolgen 13. Gelet op het gebrek onder 5.1 is het beroep gegrond en vernietigt de rechtbank het bestreden besluit. De rechtbank ziet aanleiding om te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. De minister heeft namelijk deugdelijk gemotiveerd waarom de vrees van eiser voor het leger van Sri Lanka onvoldoende zwaarwegend is. Dit betekent dat het beroep weliswaar gegrond is, maar dat eiser inhoudelijk geen gelijk krijgt. De afwijzing van zijn asielaanvraag blijft staan en de minister hoeft geen nieuw besluit te nemen. 14. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 1). Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het bestreden besluit; - bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit geheel in stand blijven; - veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-. Deze uitspraak is gedaan door mr. Y. Yeniay - Cenik, rechter, in aanwezigheid van mr. S.M. Hampsink, griffier. Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Instituut voor mensenrechten en medisch onderzoek. Verslag nader gehoor, pagina 2 en 4. Correcties en aanvullingen van 26 oktober 2025. Correcties en aanvullingen van 26 oktober 2025, pagina 1. Bijvoorbeeld de uitspraak van 30 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1674. Nader gehoor, pagina 9, 10, 11, 13, 14, 18. Verslag nader gehoor, pagina 9. Eiser: ‘‘Dat was ook in 2022, maar de dag en de maand weet ik niet meer. Ik kan niet alles onthouden. ’’ Verslag nader gehoor, pagina 8. Eiser: ‘‘Ik had wel uitgebreider willen vertellen, maar het is wel meer dan 2 jaar geleden gebeurd, dus ik kan me ook nu niet alles herinneren. Als het volgend jaar februari is dan is het 2 jaar geleden’’. Verslag nader gehoor, pagina 13. Gehoormedewerker vraagt aan eiser: ‘‘U werd beschoten in april 2022, waardoor u zich niet meer veilig voelde in Sri Lanka.