Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-02-24
ECLI:NL:RBDHA:2026:6768
Civiel recht; Personen- en familierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,057 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:6768 text/xml public 2026-04-07T15:04:47 2026-03-27 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-02-24 C/09/677458 / FA RK 24-9047 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Beschikking NL Den Haag Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:6768 text/html public 2026-04-07T15:04:23 2026-04-07 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:6768 Rechtbank Den Haag , 24-02-2026 / C/09/677458 / FA RK 24-9047 Echtscheiding met nevenvoorzieningen Rechtbank DEN HAAG Enkelvoudige Kamer Rekestnummer: FA RK 24-9047 Zaaknummer: C/09/677458 Datum beschikking: 24 februari 2026 Scheiding met nevenvoorzieningen Beschikking op het op 13 december 2024 ingekomen verzoek van: [de vrouw] , de vrouw, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat: mr. B. Fresco te Rotterdam. Als belanghebbende wordt aangemerkt: [de man] , de man, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat: mr. M.S. Odink te ’s-Gravenhage. Procedure De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder: het verzoekschrift, met bijlagen; het verweerschrift, tevens zelfstandig verzoekschrift, met bijlage; - het verweer tegen het zelfstandig verzoek; - het F9-formulier van 24 december 2024, met bijlagen, van de zijde van de vrouw; - het F9-formulier van 19 januari 2026, met bijlagen, van de zijde van de vrouw; - het F9-formulier van 19 januari 2026, met bijlagen, van de zijde van de man; - het F9-formulier van 22 januari 2026, met bijlagen, van de zijde van de man. Op 27 januari 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vrouw, bijgestaan door haar advocaat, de man, bijgestaan door zijn advocaat en [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming. Feiten - Partijen zijn met elkaar gehuwd op [datum] 2016 te [plaats 1] . - Zij zijn de ouders van de volgende nog minderjarige kinderen: - [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2018 te [geboorteplaats] , - [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2020 te [geboorteplaats] . - De ouders oefenen het gezamenlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] uit. - Deze rechtbank heeft op 27 november 2024 voorlopige voorzieningen getroffen, inhoudende dat partijen de zorg en opvoeding voor de kinderen voorlopig volgens een overeengekomen schema zullen verdelen, waarbij zij voorlopig gezamenlijk in de echtelijke woning zullen verblijven (birdnesting), onder bepaalde voorwaarden. Verzoek en verweer Het verzoek strekt tot echtscheiding, met nevenvoorzieningen tot: - het nader te overleggen ouderschapsplan in de beschikking op te nemen dan wel daar aan te hechten; - vaststelling van de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de vrouw; - vaststelling van kinderalimentatie van € 158,- per maand per kind, althans een zodanig bedrag als de rechtbank juist acht, bij vooruitbetaling te voldoen; - toedeling aan de vrouw van het huurrecht van de echtelijke woning, een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad. De man voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Bovendien heeft de man zelfstandig verzocht om de echtscheiding uit te spreken, met nevenvoorzieningen tot: - vaststelling van de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 1] bij de man en van [minderjarige 2] bij de vrouw; - vaststelling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , conform het voorstel van de man; - toedeling aan de man van het huurrecht van de echtelijke woning, een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad en kosten rechtens. De vrouw voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Beoordeling Echtscheiding Ontvankelijkheid Op grond van artikel 815, tweede lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), voor zover hier van belang, dient een verzoekschrift tot echtscheiding een ouderschapsplan te bevatten ten aanzien van de minderjarige kinderen over wie partijen al dan niet gezamenlijk het gezag uitoefenen. Door partijen is geen door beide partijen akkoord bevonden ouderschapsplan overgelegd. Nu het ouderschapsplan in de wet geformuleerd is als een processuele eis bij een verzoek tot echtscheiding, heeft de rechtbank de bevoegdheid het verzoek niet-ontvankelijk te verklaren, tenzij er redenen zijn om aan te nemen dat het ouderschapsplan redelijkerwijs niet kan worden overgelegd (artikel 815, zesde lid, Rv). Het is de rechtbank, gelet op de overgelegde stukken en het ter zitting verhandelde, voldoende gebleken dat het op dit moment niet mogelijk is een door beide partijen akkoord bevonden ouderschapsplan over te leggen. De rechtbank stelt vast dat het de ouders niet is gelukt om op alle punten ten aanzien van de kinderen tot overeenstemming te komen. Nu de rechtbank het in het belang van de minderjarige kinderen acht dat de behandeling van het verzoek wordt voortgezet, zal de rechtbank beide partijen ontvangen in hun verzoek tot echtscheiding. Aan de overige wettelijke formaliteiten is voldaan. Inhoudelijke beoordeling Beide partijen stellen dat het huwelijk duurzaam is ontwricht, zodat de daarop steunende, over en weer gedane verzoeken tot echtscheiding als op de wet gegrond voor toewijzing vatbaar zijn. Ouderschapsplan De rechtbank zal het verzoek van de vrouw tot opname in de beschikking van het nader te overleggen ouderschapsplan afwijzen, nu partijen het over de inhoud daarvan niet eens zijn geworden. Zorgregeling Momenteel geven de ouders uitvoering aan een co-ouderschapsregeling, waarbij zij om en om in de echtelijk echtelijke woning voor de kinderen zorgen, de zogenoemde birdnesting-regeling. Uit de stukken en hetgeen op de zitting is besproken is de rechtbank gebleken dat de ouders nog steeds streven naar een gelijkwaardige zorgverdeling en dat zij in staat zijn om de eerder overeengekomen/huidige zorgregeling uit te voeren. De rechtbank zal daarom voor de definitieve zorgregeling aansluiting zoeken bij de huidige (voorlopige) zorgregeling waaraan de ouders al geruime tijd uitvoering hebben gegeven. Het staat partijen vrij om in onderling overleg nieuwe afspraken te maken, . Huurrecht echtelijke woning De vrouw stelt dat het huurrecht van de echtelijke woning aan haar dient te worden toebedeeld, zodat zij met de kinderen in de woning kan blijven wonen en voor de kinderen kan blijven zorgen. De vrouw werkt parttime en beschikt in verhouding over meer tijd voor de verzorging en opvoeding van de kinderen. De vrouw woont al hele leven in [plaats 2] en partijen kregen daarom voorrang bij het vinden van de huurwoning. De sociale omgeving van de vrouw en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is in [plaats 2] . De kinderen gaan daar naar school en hebben daar hun vriendjes en vriendinnetjes. Voorts kan de vrouw een beroep doen op haar ouders, die ook in [plaats 2] wonen, om de kinderen op te vangen, met name als de vrouw vanwege haar ploegendienst vroeg moet beginnen met werken. Ook de broer en zus van de vrouw wonen in [plaats 2] . Het is voor de vrouw niet mogelijk dat zij met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij haar ouders gaat wonen. Het huis van haar ouders is daarvoor niet geschikt. De man voert verweer en stelt dat hij meer belang heeft bij toedeling van het huurrecht van de echtelijke woning. De man kan nergens anders terecht, ook niet bij zijn familie. De vrouw daarentegen kan bij haar ouders, die ook in [plaats 2] wonen, terecht, en de zorgregeling kan dan makkelijk worden voortgezet. De woning van de ouders van de vrouw is groot genoeg en de ouders van de vrouw nemen nu ook al een deel van de zorg voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voor hun rekening. Daarbij verblijft de vrouw sinds de uitspraak voorlopige voorzieningen al regelmatig bij haar ouders. Voorts heeft de man de echtelijke woning nodig voor het voeren van zijn onderneming. De rechtbank overweegt als volgt. Niet in geschil is dat het niet langer mogelijk is voor partijen om samen onder een dak te wonen.
Volledig
Nu het huurrecht van de echtelijke woning slechts aan een van beide partijen kan worden toegekend, dient de rechtbank een belangenafweging te maken. De rechtbank ziet dat beide partijen er groot belang bij hebben om in de echtelijke woning te kunnen blijven. Voorts hebben beide partijen nog geen zicht op alternatieve woonruimte en hebben zij lange tijd, samen met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , in de woning gewoond. De rechtbank kent in de belangenafweging doorslaggevende betekenis toe aan het belang van de vrouw. De rechtbank is van oordeel dat de vrouw sociaal en economisch meer aan de echtelijke woning en de woonplaats is gebonden. De vrouw woont al haar hele leven in [plaats 2] en heeft een sterke binding met deze plaats. Daarnaast heeft de vrouw haar sociale leven en familienetwerk in [plaats 2] . De vrouw doet regelmatig een beroep op haar ouders, die ook in [plaats 2] wonen, voor de opvang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , met name omdat zij in ploegendienst werkt. Voorts heeft de man een hoger inkomen en dus meer financiële mogelijkheden om een andere (huur)woning te betrekken. Ook heeft de man aangegeven dat hij niet perse gebonden is aan [plaats 2] en ook al naar woningen in de omgeving heeft gekeken. Verder is niet gebleken dat de man de werkzaamheden voor zijn onderneming niet in een andere woning kan uitvoeren. Dit brengt de rechtbank tot de slotsom dat het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning aan de vrouw moet worden toegewezen. Hoofdverblijfplaats kinderen De vrouw verzoekt de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij haar te bepalen. De vrouw is de hoofdverzorgster van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , althans zij besteedt verhoudingsgewijs de meeste tijd aan hun opvoeding en verzorging. De man heeft een drukke onderwijsbaan en besteedt ook veel tijd aan zijn eigen onderneming. De man verweert zich in zoverre hiertegen dat hij meent dat op grond van de huidige regeling, waarbij hij een gelijk deel in de verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] heeft, één kind bij de vrouw ( [minderjarige 2] ) en één kind bij de man ( [minderjarige 1] ) zijn hoofdverblijfplaats zal hebben. Op de zitting is gebleken dat partijen het met elkaar eens zijn dat zij uitvoering zullen blijven geven aan de co-ouderschapsregeling. De zorg voor de kinderen wordt dus bij helfte tussen partijen verdeeld. Partijen hebben op de zitting ook aangegeven dat zij begrijpen dat het vaststellen van de hoofdverblijfplaats op zichzelf in feite een administratieve handeling is. De rechtbank acht het in het belang van de kinderen dat zij ingeschreven staan en blijven op het adres van de voormalige echtelijke woning en daarmee dan formeel hun hoofdverblijfplaats bij de vrouw zullen hebben, omdat de echtelijke woning, zoals hiervoor is overwogen aan de vrouw zal worden toebedeeld. Kinderalimentatie De vrouw verzoekt een door de man te betalen kinderalimentatie van € 158,- per maand per kind vast te stellen. De man voert verweer en verzoekt een kinderalimentatie van € 96,- per kind per maand vast te stellen. De hoogte van de kinderalimentatie moet worden afgestemd op de behoefte van de kinderen en op de draagkracht van de ouders. Bij het vaststellen van deze behoefte en draagkracht gebruikt de rechtbank de aanbevelingen van de landelijke Expertgroep van rechters die zijn vastgelegd in het Rapport alimentatienormen. Behoefte De behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is tussen partijen in geschil. De rechtbank zal daarom hierna de behoefte vaststellen. Voor het bepalen van de behoefte van de kinderen moet allereerst het netto besteedbaar inkomen (NBI) van ieder van partijen tijdens hun huwelijk worden bepaald. Nu het verzoek tot echtscheiding op 13 december 2024 is ingediend, zal de rechtbank voor het bepalen van de behoefte van de kinderen uitgaan van de periode 2024-2. Voor de berekening van het NBI van de vrouw gaat de rechtbank uit van een inkomen van € 30.888,- bruto per jaar (gemiddeld € 550,- bruto per week, vermeerderd met 8% vakantietoeslag), conform de door de vrouw overgelegde, en door de man niet weersproken, berekening en loonstroken uit 2024. Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de in de aangehechte berekening opgenomen fiscale heffingskortingen, berekent de rechtbank haar NBI op het moment van het huwelijk op € 2.548,- per maand. Partijen zijn het niet eens over het inkomen van de man. De vrouw schat, bij gebrek aan financiele gegevens van de man, het bruto jaarinkomen van de man in 2024 op € 45.360,-. De man voert verweer en heeft een aangifte inkomstenbelasting 2023 overgelegd waaruit een winst uit onderneming van € 1.598,- en bruto jaarloon uit loondienst van € 37.406,- volgt. Totaal komt dit neer op een bruto jaarloon van € 39.004,-. De man heeft geen gegevens uit 2024 overgelegd. Bij gebrek aan gegevens van de man over 2024, acht de rechtbank het, gelet op de gegevens uit 2023, redelijk om voor 2024 uit te gaan van een geschat inkomen van € 40.000,- bruto per jaar. Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de in de aangehechte berekening opgenomen fiscale heffingskortingen, berekent de rechtbank zijn NBI op het moment van het huwelijk op € 2.758,- per maand. Het netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI) van partijen bedroeg in 2024 dus € 5.515,- per maand (€ 2.548,- ( NBI vrouw) en € 2.758,- ( NBI man)) . Op basis van dit NBGI hadden partijen recht op een kindgebonden budget van € 209,- per maand, zodat de rechtbank daarmee rekening zal houden. Op basis van de tabel eigen aandeel kosten van kinderen 2024, leidt het voorgaande tot een behoefte van € 1.339,- voor twee kinderen, ofwel afgerond € 670,- per maand kind. Geïndexeerd naar 2026 bedraagt deze behoefte € 1.492,- per maand voor twee kinderen, zijnde € 746,- per kind per maand. Draagkracht van de man Partijen zijn het ook niet eens over het huidige inkomen van de man. De vrouw schat, bij gebrek aan gegevens het inkomen van de man op minimaal € 45.000,- bruto per jaar. De man heeft een inkomen als docent en daarnaast genereert hij in een eigen onderneming bijverdiensten met barbecue-cursussen. De man voert verweer en stelt dat, nu sprake is van een beginnende onderneming, met nog hoge kosten, met de beperkte inkomsten uit zijn onderneming nog geen rekening kan worden gehouden. Voorts overlegt de man salarisspecificaties over september, oktober en november 2025, waaruit blijkt dat hij salaris heeft van bruto € 2.862,40 per maand en de man heeft daarbij 0,4 ouderschapsverlof korting. De rechtbank overweegt als volgt. De rechtbank zal conform de stelling van de vrouw uitgaan van een bruto jaarinkomen van € 45.000,- aan de zijde van de man, nu de man deze stelling van de vrouw onvoldoende heeft betwist en daarnaast zijn inkomen onvoldoende met stukken heeft onderbouwd. Hij heeft nagenoeg geen gegevens van zijn onderneming overgelegd en ook heeft hij nagelaten zijn salarisstrook over december 2025 te overleggen. Daarbij heeft hij aangeven dat zijn ouderschapsverlof korting binnenkort zal worden aangepast, maar ook deze stelling heeft de man niet nader met stukken onderbouwd. De rechtbank acht het aannemelijk dat de man dit bedrag met zijn inkomen uit loondienst en zijn werkzaamheden in zijn eigen onderneming kan verdienen. Daarnaast houdt de rechtbank rekening met de algemene heffingskorting, de arbeidskorting en de inkomensafhankelijke combinatiekorting. Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten, berekent de rechtbank het NBI van de man in 2026 op € 3.304,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening. Omdat het NBI van de man hoger is dan € 2.200,-, zal de rechtbank voor de berekening van zijn draagkracht de formule 70% x [NBI – (0,3 x NBI + € 1.365,-)] gebruiken. De draagkracht van de man bedraagt dan: 70% x [ 3.304 – (991,2 + 1.365)] = (afgerond) € 664,- per maand. Draagkracht vrouw Voor de bepaling van de draagkracht van de vrouw gaat de rechtbank, op basis van de door haar overgelegde salarisspecificaties van oktober, november en december 2025, uit van een bruto jaarinkomen van afgerond € 31.466,-.