Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-03-27
ECLI:NL:RBDHA:2026:6659
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
6,101 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:6659 text/xml public 2026-04-10T09:30:16 2026-03-26 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-03-27 24/9219, 24/9221 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Den Haag Bestuursrecht; Omgevingsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:6659 text/html public 2026-04-07T12:51:25 2026-04-10 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:6659 Rechtbank Den Haag , 27-03-2026 / 24/9219, 24/9221 Invordering dwangsommen. Een belanghebbende kan in beginsel niet met succes gronden naar voren brengen die hij tegen de last onder dwangsom naar voren heeft gebracht of had kunnen brengen. Dat kan slechts in uitzonderlijke gevallen. Van een uitzonderlijk geval is geen sprake. Beroep op vertrouwensbeginsel slaagt niet. Van strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel of het beginsel van fair play is geen sprake. Beroep op het evenredigheidsbeginsel slaagt niet. Hoogte dwangsom. Financiële draagkracht. Het beroep is ongegrond. RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummers: SGR 24/9219 en 24/9221 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 maart 2026 in de zaken tussen [eisers sub 1], eiser 1, uit [woonplaats], [eisers sub 2], eiser 2, uit [woonplaats] [eisers sub 3], eiseres, uit [woonplaats], samen te noemen: eisers (gemachtigde: mr. A.A. Bouman) en het college van burgemeester en wethouders van Noordwijk (gemachtigde: [gemachtigde]). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over twee besluiten van het college om dwangsommen bij eisers in te vorderen. Eisers zijn het daarmee niet eens. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de invorderingsbesluiten. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop SGR 24/9219 2. In het besluit van 14 maart 2024 heeft het college dwangsommen van in totaal € 7.500,- ingevorderd. In het besluit van 15 oktober 2024 (bestreden besluit 1) heeft het college het invorderingsbesluit gehandhaafd. 2.1. Eisers hebben beroep ingesteld tegen bestreden besluit 1. SGR 24/9221 2.2. In het besluit van 14 maart 2024 heeft het college dwangsommen van in totaal € 1.000,- ingevorderd. Met het besluit van 15 oktober 2024 (bestreden besluit 2) heeft het college het invorderingsbesluit gehandhaafd. 2.3. Eisers hebben beroep ingesteld tegen bestreden besluit 2. Beide zaken 2.4. Het college heeft een verweerschrift ingediend. 2.5. De rechtbank heeft op 20 november 2025 de beroepen gevoegd op zitting behandeld, samen met het beroep in zaaknummer SGR 24/8664. In dat beroep zal afzonderlijk uitspraak worden gedaan. 2.6. Aan de zitting hebben deelgenomen: eiser 1, eiser 3, de gemachtigde van eisers en de gemachtigde van het college, bijgestaan door [naam 1]. Beoordeling door de rechtbank Overgangsrecht 3. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.23, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet geldt dat als vóór 1 januari 2024 een last onder dwangsom is opgelegd voor een gepleegde overtreding, op die opgelegde last onder dwangsom en de invordering daarvan het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet van toepassing blijft tot het tijdstip waarop de last volledig is uitgevoerd, de dwangsom volledig is verbeurd en betaald, of de last is opgeheven. 3.1. De lasten onder dwangsom in verband waarmee de invorderingsbesluiten zijn genomen zijn opgelegd op 14 april 2021 en 4 mei 2021. Dat betekent dat in dit geval de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft. De totstandkoming van de besluiten 4. Eisers zijn eigenaar en gebruiker van de [percelen] (de percelen) aan de [adres] te [plaats]. Naar aanleiding van klachten over deze percelen heeft de toezichthouder van het college controles op de percelen uitgevoerd. Deze controles hebben geleid tot het opleggen van de hieronder beschreven lasten onder dwangsom en de invordering daarvan. SGR 24/9219 4.1. In het besluit van 14 april 2021 heeft het college eisers gelast om binnen 3 maanden: het gebruik van de percelen voor de exploitatie van een camping en de verhuur van kampeermiddelen en campers en het hiervoor adverteren op de website “[website]” te staken en gestaakt te houden (last 1); het gebruik van de percelen voor buitenopslag van fietsen, aanhangers en andere niet-agrarische materialen die geen relatie houden met de bestemming te staken en gestaakt te houden, door de fietsen, aanhangers en andere niet-agrarische materialen die geen relatie houden met de bestemming te verwijderen en verwijderd te houden (last 2); de stacaravan te verwijderen en verwijderd te houden (last 3); alle drie de toilet- en douche-units te verwijderen en verwijderd te houden (last 4); de twee zeecontainers te verwijderen en verwijderd te houden (last 5), bij gebreke waarvan zij per overtreding (per week) een dwangsom van € 1.500,- per constatering kunnen verbeuren tot een maximum van € 6.000,-. In totaal kunnen zij € 48.000,- aan dwangsommen verbeuren. 4.2. In de beslissing op bezwaar van 12 december 2022 heeft het college het bezwaar van eisers tegen het besluit van 14 april 2021 gehandhaafd, onder verduidelijking van de daarin opgelegde lasten. Ten aanzien van het strijdig gebruik van de camping buiten het seizoen – dus buiten de periode van 15 maart tot en met 31 oktober – dienen de gebruikers van de percelen die activiteiten te staken en gestaakt te houden (lasten 1 en 2). 4.3. Eiseres heeft tegen het besluit van 12 december 2022 beroep ingesteld en om een voorlopige voorziening verzocht. In de uitspraak van 13 maart 2023 heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. 4.4. Een eerste dwangsom is in het besluit van 9 juni 2023 ingevorderd. 4.5. Op 21 en 22 februari 2024 heeft de toezichthouder van het college een controle op de percelen uitgevoerd. Tijdens die controle is het volgende geconstateerd: - de stacaravan die dient als receptie voor de camping, is aanwezig; - de drie toilet- en douche units zijn nog steeds aanwezig; - er zijn drie (zee)containers aanwezig; - de volgende niet-agrarische materialen zijn aangetroffen: diverse houten planken, pallets en andere houten materialen en aanhangers. 4.6. In het besluit van 14 maart 2024, dat in bestreden besluit 1 is gehandhaafd, heeft het college (voor de tweede maal) dwangsommen ingevorderd, van in totaal € 7.500,-, omdat de dwangsommen ten aanzien van de lasten 2 tot en met 5 van rechtswege zijn verbeurd. Er is geen reden om af te zien van invordering van de dwangsommen. SGR 24/9221 4.7. In het besluit van 4 mei 2021 heeft het college eisers een last onder dwangsom opgelegd. Het college heeft eisers gelast om binnen twee maanden: geschorste voertuigen, waaronder de geschorste voertuigen met kentekens [kenteken 1], [kenteken 2], [kenteken 3], [kenteken 4], [kenteken 5], [kenteken 6], [kenteken 7], [kenteken 8], [kenteken 9], [kenteken 10], [kenteken 11] en [kenteken 12] , die op de percelen worden gestald, te verwijderen en verwijderd te houden; voertuigen die niet in eigendom van eisers zijn, waaronder het voertuig met kenteken [kenteken 13], en die op de percelen worden gestald, te verwijderen en verwijderd te houden; voertuigwrakken, dan wel (onder)delen van voertuigen, waaronder de groene bus, de witte bus, de oranje kever, de rode Audi en de graafmachine die op de percelen worden opgeslagen en/of gestald, te verwijderen en verwijderd te houden, bij gebreke waarvan eisers per overtreding (per voertuig(wrak/onderdeel), per week) een dwangsom van € 500,- per constatering kunnen verbeuren, tot een maximum van € 2.000,- per last. 4.8. In de beslissing op bezwaar van 12 december 2022 heeft het college het besluit van 4 mei 2021 gehandhaafd. 4.9. Eiseres heeft tegen het besluit van 12 december 2022 beroep ingesteld en om een voorlopige voorziening verzocht.
Volledig
In die uitspraak van 13 maart 2023 , heeft de voorzieningenrechter het beroep ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. 4.10. In het besluit van 9 juni 2023 is besloten een eerste dwangsom in te vorderen. 4.11. Op 21 en 22 februari 2024 heeft een toezichthouder van het college een controle uitgevoerd op de percelen. Tijdens die controle is het volgende geconstateerd: er zijn geschorste voertuigen aangetroffen. Het betreft voertuigen met de kentekens [kenteken 2] en [kenteken 1]; er is een voertuig aangetroffen met een gedeeltelijke kentekenplaat. Het is een Volkswagen Polo, die volgens de RDW kentekencheck overeenkomt met het geschorste voertuig [kenteken 5]; er is een voertuigwrak aangetroffen, de oranje kever; er zijn andere voertuigen gestald op de percelen. Deze voertuigen zijn echter niet goed vastgelegd omdat het perceel niet toegankelijk was. 4.12. In het besluit van 14 maart 2024, dat in bestreden besluit 2 is gehandhaafd, zijn verbeurde dwangsommen van twee maal € 500,-, in totaal € 1.000,-, bij eisers ingevorderd, voor het stallen van één geschorst voertuig, met kenteken [kenteken 2] en het opslaan/stallen van één autowrak, de oranje kever. Er is geen reden om af te zien van invordering van de dwangsommen. Ontbreekt in zaak SGR 24/9219 ten onrechte het controlerapport? 5. Eisers voeren aan dat het besluit van 14 maart 2024 ten aanzien van de camping niet het rapport bevat waaruit blijkt van de geconstateerde overtredingen. Bij het besluit was een controlerapport gevoegd dat zag op andere overtredingen. Op dat punt is geen sprake van een deugdelijke en controleerbare vaststelling van relevante feiten en omstandigheden die ten grondslag lag aan het invorderingsbesluit, zodat het college niet bevoegd is om de dwangsom in te vorderen. Eisers stellen het betreffende controlerapport ook in de bezwaarfase niet te hebben ontvangen. 5.1. Het college stelt zich op het standpunt dat weliswaar niet het juiste controlerapport bij het besluit van 14 maart 2024 was gevoegd, maar dat dit controlerapport in de bezwaarfase alsnog aan eisers is overgelegd. Eisers hebben daarvan dan ook kennis kunnen nemen en hebben hierop kunnen reageren. Overigens zijn de geconstateerde overtredingen niet betwist. 5.2. Tussen partijen is niet in geschil dat geen uitvoering is gegeven aan de last onder dwangsom. De inhoud van het in de bezwaarfase alsnog overgelegde constateringsrapport, dat is opgesteld vóór het invorderingsbesluit, is door eisers niet betwist. Voor het oordeel dat aan het invorderingsbesluit geen deugdelijke en controleerbare vaststelling van de relevante feiten en omstandigheden ten grondslag lag, is daarom geen sprake. 5.3. Het betoog van eisers slaagt niet. Was evident geen sprake van overtredingen? 6. In zaak SGR 24/9219 voeren eisers aan dat het op grond van artikel 36.2, aanhef en onder e, van de planregels is toegestaan om maximaal 15 kampeermiddelen te hebben op eigen terrein in de periode van 15 maart tot en met 31 oktober. Het toestaan van kampeermiddelen maakt dat hiervoor voorzieningen nodig zijn. De voorzieningen zijn ook mogelijk op grond van artikel 3.4, onder c, van de planregels. Er mag namelijk maximaal 1.000 m2 worden gebruikt voor de bedrijfswoning. 6.1. Eisers voeren in zaak SGR 24/9221 aan dat de auto met kenteken [kenteken 2] stond op gronden die in gebruik zijn voor de bedrijfswoning en dat de auto daar gelet op artikel 3.4, onder c, van de regels van het [bestemmingsplan] mocht staan. De oranje kever diende als speelvoorziening voor kinderen. Op grond van artikel 22.27 van het Omgevingsplan gemeente Noordwijk is een sport- en speeltoestel anders dan alleen voor particulier gebruik vergunningvrij. Dat is hier het geval. In tegenstelling tot wat het college stelt is de functie die aan een voertuig wordt gegeven en de situering op het perceel wel degelijk van belang en moeten deze worden betrokken bij de vraag of de dwangsom mag worden ingevorderd. Het is immers onredelijk om een dwangsom in te vorderen wanneer een voertuig gewoon op het perceel mag staan. Ook moet gekeken worden naar alle relevante en bijzondere omstandigheden, waarbij wordt verwezen naar de conclusie van staatsraad advocaat-generaal Wattel (Wattel) van 4 april 2018. 6.2. De rechtbank stelt vast dat eisers geen hoger beroep hebben ingesteld tegen de uitspraken van de rechtbank van 13 maart 2023 in de beroepen tegen de dwangsombesluiten, zodat die besluiten in rechte onaantastbaar zijn. 6.3. Op grond van vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling), die mede tot stand is gekomen naar aanleiding van de door eisers genoemde conclusie van Wattel, kan een belanghebbende in de procedure tegen het invorderingsbesluit in beginsel niet met succes gronden naar voren brengen die hij tegen de last onder dwangsom naar voren heeft gebracht of had kunnen brengen. Dit kan slechts in uitzonderlijke gevallen. Een uitzonderlijk geval kan bijvoorbeeld worden aangenomen indien evident is dat er geen overtreding is gepleegd en/of betrokkene geen overtreder is. 6.4. Naar het oordeel van de rechtbank is van een uitzonderlijk geval als bedoeld in overweging 6.3 geen sprake. Wat eisers hebben aangevoerd leidt namelijk niet tot de conclusie dat evident geen sprake is van overtredingen. De voorzieningenrechter heeft in zijn uitspraken van 13 maart 2013 reeds overwogen dat aan de percelen op de verbeelding van het bestemmingsplan geen aanduiding ‘bedrijfswoning’ is toegekend, zodat eisers daaraan geen rechten kunnen ontlenen. Artikel 3.4, onder c, van de planregels, dat bepaalt dat het oppervlak van gronden in gebruik voor de bedrijfswoning inclusief bijbehorende erven en tuinen ten hoogste 1.000 m2 bedraagt, baat eisers dus niet. 6.5. Ook het bepaalde in artikel 36.2, aanhef en onder c, van de planregels baat eisers niet. Daarin is bepaald dat het gedurende de periode van 15 maart tot en met 31 oktober is toegestaan om binnen een bouwvlak maximaal 15 kampeermiddelen te plaatsen en geplaatst te houden. De constateringen die aanleiding gaven tot invordering van de betreffende dwangsom zijn echter gedaan tijdens controles op 21 en 22 februari, dus buiten de in de planregel genoemde periode. 6.6. Voor zover eisers hebben aangevoerd dat de oranje kever op het perceel mag staan omdat het in gebruik is als sport- en speeltoestel en dit gebruik vergunningvrij is, overweegt de rechtbank dat een voertuigwrak niet kan worden aangemerkt als een vergunningvrij sport- of speeltoestel als bedoeld in artikel 2, onderdeel 11, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht. 6.7. Gelet op het bovenstaande dient van de juistheid van beide dwangsombesluiten uit te worden gegaan. Omdat eisers niet tijdig aan de lasten hebben voldaan, was het college bevoegd om tot invordering van de verbeurde dwangsommen over te gaan. 6.8. Het betoog van eisers slaagt niet. Had het college moeten afzien van invordering? 7. Volgens vaste rechtspraak moet aan het belang van de invordering van een verbeurde dwangsom een zwaarwegend gewicht worden toegekend. Een andere opvatting zou afdoen aan het gezag dat moet uitgaan van een besluit tot oplegging van een last onder dwangsom. Steun voor dit uitgangspunt kan worden gevonden in de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 5:37, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Hierin is vermeld dat een adequate handhaving vergt dat opgelegde sancties ook worden geëffectueerd en dus dat verbeurde dwangsommen worden ingevorderd. Alleen in bijzondere omstandigheden kan geheel of gedeeltelijk van invordering worden afgezien. Vertrouwensbeginsel 8. Eisers doen in beide zaken een beroep op het vertrouwensbeginsel. Er zijn diverse gesprekken geweest tussen eisers en [wethouder] en met medewerkers van de gemeente, bijvoorbeeld een beleidsadviseur, en het toenmalig hoofd ruimtelijke ordening, de heer [naam 2]. [wethouder] gaf tijdens het gesprek aan dat hij de door eisers gemelde fouten en onregelmatigheden in de handhavingszaken grondig zou gaan uitzoeken, en dat hij binnen enkele weken antwoord zou geven op vragen van eiseres. Daarna heeft eiseres niets meer gehoord.
Volledig
Later heeft eiseres ook een gesprek gevoerd met mevrouw [naam 3], juriste bij de Omgevingsdienst West-Holland (omgevingsdienst) en mevrouw [naam 4], coördinator ruimtelijke ordening van de gemeente. [naam 4] heeft toegezegd dat de vragen van eiseres intern zouden worden besproken en dat zij een reactie op haar vragen zou ontvangen nadat een nieuwe wethouder zou zijn geïnstalleerd. Naar verwachting zou dat begin januari 2024 het geval zijn. Gelet op wat eerder was besproken en de toezegging dat nog zou worden gereageerd op vragen van eiseres mochten eisers erop vertrouwen dat niet direct een tweede dwangsom zou worden ingevorderd. Sprake is van een toezegging. Dat blijkt uit de e-mails, de schriftelijk door eisers gestelde vragen waarvan [naam 4] heeft laten weten dat dit als poststuk wordt ingeboekt, en de gedragingen van de gemeente en de omgevingsdienst. Die toezegging kan het college worden toegerekend. De toezegging dient te worden nagekomen. Volgens eisers hebben zij pas op 4 april 2024 een schriftelijke reactie gekregen op de gestelde vragen, maar dat is na de invorderingsbesluiten. 8.1. Het college stelt zich op het standpunt dat geen toezegging is gedaan dat niet zou worden overgegaan tot het invorderen van de verbeurde dwangsommen. 8.2. Wie zich beroept op het vertrouwensbeginsel moet aannemelijk maken dat van de kant van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit hij of zij in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of het bestuursorgaan een bepaalde bevoegdheid zou uitoefenen en zo ja hoe. Verder is vereist dat de toezegging, andere uitlating of gedraging aan het bevoegde bestuursorgaan kan worden toegerekend. Dat is het geval als betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht veronderstellen dat degene die de uitlating deed of gedrag verrichtte de opvatting van het bevoegde orgaan vertolkte. 8.3. De rechtbank overweegt dat eisers weliswaar stellen dat sprake is van een toezegging, maar dit niet hebben onderbouwd met stukken waaruit van die toezegging blijkt. Uit de enkele omstandigheid dat het college nog niet had gereageerd op vragen van eiseres, hebben eisers niet het gerechtvaardigd vertrouwen mogen ontlenen dat het college niet over zou gaan tot invordering van de dwangsommen. Eisers verwijzen naar gesprekken met de wethouder en met medewerkers van de gemeente en de omgevingsdienst, maar er zijn geen stukken overgelegd waaruit blijkt wat tijdens die gesprekken is gezegd en of dat is aan te merken als een toezegging dat het college niet over zou gaan tot invordering van de dwangsommen. 8.4. Het betoog van eisers slaagt niet. Zorgvuldigheidsbeginsel, beginsel van fair play 9. Eisers betogen dat sprake is van strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel. Het college had eerst de vragen van eisers moeten beantwoorden, voordat zij de tweede dwangsom ging invorderen, omdat de vragen betrekking hadden op de last onder dwangsom en de vragen niet eerder aan de orde waren geweest in de procedure over de last onder dwangsom. Eisers voeren verder aan dat sprake is van strijd met het fair play beginsel, omdat het college nalatig is geweest in het beantwoorden van de vragen en het geven van duidelijkheid naar eisers toe. 9.1. Het college stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en het fair play beginsel. Het college heeft niet aangegeven dat met invordering zou worden gewacht. 9.2. Zoals de rechtbank reeds heeft overwogen, heeft het college in de door eisers gestelde vragen geen aanleiding hoeven zien om af te zien van invordering van de verbeurde dwangsommen. Van strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel of het beginsel van fair play is daarom geen sprake. 9.3. Het betoog van eisers slaagt niet. Bejegening 10. Eisers betogen dat het college hen onbehoorlijk heeft bejegend. De toezichthouder is namelijk langs gekomen in een T-shirt met opdruk: “Wat je ook wil, het antwoord is NEE”. Ook heeft in februari 2023 een toezichthouder vastgesteld dat geen sprake was van een overtreding bij de verbouwing van de schuur, maar werd wel een last onder dwangsom opgelegd. 10.1. De rechtbank overweegt dat, indien eisers menen dat zij onbehoorlijk zijn bejegend door een medewerker van de gemeente of de omgevingsdienst, zij daarover een klacht kunnen indienen bij die instanties. De wijze van bejegening van deze medewerkers kan – wat daar in dit geval ook van zij – naar het oordeel van de rechtbank niet worden aangemerkt als een bijzondere omstandigheid op grond waarvan het college had moeten afzien van invordering van de verbeurde dwangsommen. Het belang bij adequate handhaving weegt namelijk zwaarder. 10.2. Dit betoog van eisers slaagt niet. Evenredigheidsbeginsel 11. Eisers stellen dat sprake is van strijd met het evenredigheidsbeginsel. Het voertuig met kenteken [kenteken 2] en de oranje kever mogen op het perceel staan. Het is onredelijk een dwangsom in te vorderen voor legale activiteiten. Op grond van artikel 36.2 van de planregels is het toegestaan om maximaal 15 kampeermiddelen te hebben op eigen terrein in de periode van 15 maart tot en met 31 oktober. Het toestaan van kampeermiddelen maakt dat hiervoor voorzieningen nodig zijn. De voorzieningen zijn ook mogelijk op grond van artikel 3.4 van de planregels. Er mag namelijk maximaal 1.000 m2 worden gebruikt voor de bedrijfswoning, aldus eisers. 11.1. De rechtbank heeft reeds overwogen dat dat geen sprake is van een situatie waarin evident geen sprake is van overtredingen en dat het college bevoegd is om tot invordering van de verbeurde dwangsommen over te gaan. Gelet daarop kan het betoog dat het onredelijk is om een dwangsom in te vorderen voor legale activiteiten niet slagen. Het beroep op het evenredigheidsbeginsel slaagt dan ook niet. 11.2. Gelet op het bovenstaande concludeert de rechtbank dat niet gebleken is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het college van invordering had moeten afzien. Hoogte van de dwangsom 12. Eisers merken op dat ten aanzien van de exploitatie van de camping een dwangsom is opgelegd van € 7.500,-. De dwangsommen van de toilet- en douche-unit en zeecontainers waren al volledig verbeurd, zo blijkt uit de brief van 14 maart 2024. Eisers kunnen dan ook niet via een invorderingsbesluit worden verplicht om hiervoor nog een dwangsom te betalen. Volgens eisers zou een dwangsom van twee maal € 1.500,- en dus € 3.000,- moeten worden ingevorderd in plaats van € 7.500,-. 12.1. Het college heeft toegelicht dat in de last onder dwangsom van 14 april 2021 een dwangsom is opgelegd van € 1.500,- per constatering per toilet- en doucheruimte (met een submaximum van € 1.500,- per week per toilet- en doucheruimte) tot een maximum van € 6.000,- per toilet- en doucheruimte. Voor de zeecontainers is een dwangsom opgelegd van € 1.500,- per constatering per zeecontainer (met een submaximum van € 1.500,- per week per zeecontainer) tot een maximum van € 6.000,- per zeecontainer. De dwangsommen met betrekking tot de toilet-en doucheruimtes kunnen dus oplopen tot maximaal € 18.000,- en de dwangsommen met betrekking tot de zeecontainers tot maximaal € 12.000,-. De overtredingen moesten op 14 juli 2021 beëindigd zijn. De eerste dwangsommen zijn bij het besluit van 9 juni 2023 ingevorderd. In het invorderingsbesluit van 9 juni 2023 wordt een bedrag van € 4.500,- ingevorderd voor drie toilet- en douchruimtes die niet verwijderd zijn. Ook wordt een bedrag van € 3.000,- gevorderd voor twee zeecontainers die niet verwijderd zijn. In het invorderingsbesluit van 14 maart 2024 is de tweede dwangsom ingevorderd. Voor de toilet- en douchruimtes is € 1.500,- (in plaats van € 4.500,-) ingevorderd en voor de zeecontainers € 3.000,-. In totaal is bij de besluiten van 9 juni 2023 en 14 maart 2024 een bedrag van € 6.000,- ingevorderd voor de toilet- en doucheruimtes en een bedrag van € 6.000,- voor de zeecontainers. De dwangsommen waren dus nog niet volgelopen en konden met het invorderingsbesluit ingevorderd worden. 12.2. Eisers hebben dit in het verweerschrift weergegeven betoog van het college niet weersproken. Het betoog van eisers slaagt dan ook niet.