Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-03-13
ECLI:NL:RBDHA:2026:6630
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Voorlopige voorziening
1,995 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBDHA:2026:6630 text/xml public 2026-04-02T08:41:06 2026-03-26 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-03-13 AWB 26/2656 Uitspraak Voorlopige voorziening NL Amsterdam Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:6630 text/html public 2026-03-26T11:25:27 2026-04-02 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:6630 Rechtbank Den Haag , 13-03-2026 / AWB 26/2656 Voorlopige voorziening, toegewezen. De minister heeft de LVV-opvang van verzoeker beëindigd. De voorzieningenrechter komt tot het oordeel dat de minister had dienen te onderzoeken wat de gevolgen zijn voor verzoeker, die als kwetsbaar moet worden gezien nu de gemeente Amsterdam hem feitelijk opvang bleef verlenen, indien de opvang wordt beëindigd. Omdat het recente verleden heeft laten zien dat verzoeker het in zijn eentje op straat niet redt, is het namelijk een kwestie van tijd voordat verzoeker weer tijdelijke opvang zal moeten worden geboden om verdere achteruitgang tijdelijk tegen te gaan. Waarna verzoeker weer alleen op straat komt te staan et cetera, et cetera. De voorzieningenrechter ziet de situatie waar verzoeker in verkeert aldus als een vicieuze cirkel, waarbij de vraag zich aandringt of daarmee geen sprake is van een onmenselijke behandeling als bedoeld in artikel 3 van het EVRM. Verzoeker heeft in ieder geval groot belang bij het verlaten van deze cirkel en de voorzieningenrechter stelt vast dat de minister daarin tot op heden geen verantwoordelijkheid neemt. RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht Zaaknummer: AWB 26/2656 [v nummer] uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen [verzoeker] , geboren op [geboortedag] 1997, van Malinese nationaliteit, verzoeker, (gemachtigde: mr. W.G. Fischer), en de minister van Asiel en Migratie, de minister, (gemachtigde: mr. N. Mikolajczyk). Inleiding 1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek van verzoeker om een voorlopige voorziening. Bij brief van 21 oktober 2024 heeft de Regiegroep Ongedocumenteerden Amsterdam verzoeker namens de gemeente Amsterdam medegedeeld dat de deelname aan de pilot Landelijke Vreemdelingenvoorzieningen (LVV) Amsterdam op 25 september 2024 is beëindigd en dat hij de opvang uiterlijk op 4 november 2024 moet verlaten. 1.1. Verzoeker heeft tegen het besluit bezwaar gemaakt. Op dit bezwaar is nog niet beslist. 1.2. Op 25 augustus 2025 is verzoeker in vreemdelingenbewaring genomen en op 5 februari 2026 is hij weer vrijgelaten en teruggekeerd naar Amsterdam. Verzoeker heeft vervolgens opvang gekregen op grond van de koude-regeling in Amsterdam. 1.3. Vervolgens heeft de Regenbooggroep verzoeker op 6 maart 2026 een zogenaamd “overbruggingsbed” aangeboden voor twee weken. Dat bed kan hij beslapen tot 19 maart 2026. 1.4. Op 15 februari 2026 heeft verzoeker de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt dat dat de minister onmiddellijk opvang biedt althans aan de gemeente Amsterdam de kosten vergoedt. 1.5. Op 4 maart 2026 heeft de minister op verzoek van de voorzieningenrechter een verweerschrift ingediend. Verzoeker heeft hier 9 maart 2026 op gereageerd. 1.6. De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, vierde lid, van de Awb uitspraak zonder zitting. Overwegingen Ten aanzien van het griffierecht 2. Verzoeker heeft verzocht om vrijstelling van de verplichting om griffierecht te betalen wegens betalingsonmacht. De voorzieningenrechter wijst dit verzoek toe, zodat verzoeker in deze zaak geen griffierecht hoeft te betalen. Ten aanzien van het verzoek 3. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed dat gelet op de betrokken belangen vereist. 4. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoeker een spoedeisend belang heeft bij de door hem gevraagde voorziening. Verzoeker heeft in zijn reactie op het verweerschrift aangegeven dat hij het zogenaamde “overbruggingsbed” kan beslapen tot 19 maart 2026. Dit betekent dat verzoeker hierna op straat zal belanden. 5. De minister stelt zich op het standpunt dat het bezwaar geen redelijke kans van slagen heeft en het verzoek daarom behoort te worden afgewezen. Verzoeker vertoont vermijdingsgedrag en weigert in gesprek te gaan over terugkeer. Op basis hiervan heeft het LSO het college geadviseerd om de opvang in de LVV gemeente Amsterdam voor verzoeker te beëindigen per 25 september 2024. Hierbij is rekening gehouden met de door verzoeker naar voren gebrachte (medische) klachten. Het besluit tot beëindiging van de deelname aan de LVV berust daarmee op een zorgvuldige individuele beoordeling. 5.1. Verder stelt de minister dat de verwijzing van verzoeker naar de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 22 augustus 2025 niet overeenkomt met onderhavige zaak omdat de gestelde medische problematiek van verzoeker niet is onderbouwd. Wat betreft de gestelde schending van artikel 4 van het Handvest stelt de minister zich op het standpunt dat er geen sprake is van schending van artikel 4 van het Handvest in het geval van verzoeker. In de kern stelt de minister zich op het standpunt dat vaste rechtspraak van het HvJEU en het EHRM is dat op de lidstaten in beginsel geen verplichting rust om woonruimte of medische en sociale voorzieningen aan te bieden aan volwassen vreemdelingen zonder rechtmatig verblijf of recht op rijksopvang. Verder volgt uit onder andere het arrest Changu dat dit artikel slechts wordt geschonden indien sprake is van onverschilligheid van de autoriteiten van een lidstaat ten aanzien van een persoon die volledig afhankelijk is van overheidssteun, die buiten zijn wil en zijn persoonlijke keuzen terecht zou komen in een toestand van verregaande materiële deprivatie. De minister stelt dat daar in het geval van verzoeker geen sprake van is nu de minister zich niet onverschillig heeft gedragen tegenover verzoeker en wordt voldaan aan de minimumvereisten die worden gesteld door het HvJEU en het EHRM. Zo is er het aanbod in de VBL , inclusief de voorwaarde van medewerking aan terugkeer. Daarnaast is er de mogelijkheid om een buitenschuldvergunning aan te vragen, kan worden verzocht om uitstel van vertrek wegens medische redenen (artikel 64 van de Vw ) en voorziet artikel 10 van de Vw in overeenstemming met artikel 14 van de Terugkeerrichtlijn in aanspraak op medisch noodzakelijke zorg. Daarnaast is in het kader van de LVV langdurig onderdak verstrekt en is aan verzoeker medische behandeling aangeboden. De deelname aan de LVV is, rekening houdend met zijn persoonlijke omstandigheden, meermalen verlengd en er is alles aan gedaan om hem te bewegen medewerking te verlenen aan terugkeer. 6. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft het bezwaar een redelijke kans van slagen. Daarbij verwijst de voorzieningenrechter naar de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 26 mei 2025. Van belang is dat het bestreden besluit een belastend besluit is waarvan een belangrijk rechtsgevolg is dat verzoeker de lang genoten opvang in de LVV van de gemeente Amsterdam wordt ontnomen. Het is dan aan de minister om op grond van artikel 3:2 van de Awb actief kennis te vergaren over de relevante feiten en de af te wegen belangen en op grond daarvan te motiveren wat het gevolg is van het besluit voor verzoeker, waarbij onder meer de vraag is of wordt voldaan aan de vereisten van artikel 3 van het EVRM . Daarbij dient de minister alle twijfel weg te nemen over een mogelijke schending van artikel 3 van het EVRM. Met de enkele verwijzing naar het bestaan van de VBL, de mogelijkheid van een aanvraag van een buitenschuldvergunning dan wel artikel 64 van de Vw en de constatering dat het met verzoeker op het moment dat hij in de LVV zat medisch goed (genoeg) ging, heeft de minister zich niet van deze opdracht gekweten.