Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2026-01-16
ECLI:NL:RBDHA:2026:659
Rechtbank den haag Team handel - voorzieningenrechter zaak- / rolnummer: C/09/694609 / KG ZA 25-1129 Vonnis in kort geding van 16 januari 2026 in de zaak van [eiser] , thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [locatie] , te [plaats] , eiser, advocaat mr. T.E. Korff te Amsterdam, tegen: DE STAAT DER NEDERLANDEN (DE MINISTER VAN VEILIGHEID EN JUSTITIE) te Den Haag, gedaagde, advocaat mr. C.M. Bitter te Den Haag. Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘ [eiser] ’ en ‘de Staat’. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 10 december 2025, met producties 1 tot en met 10; - de conclusie van antwoord, met producties 1 tot en met 7. 1.2. De mondelinge behandeling is gehouden op 18 december 2025. Tijdens de mondelinge behandeling hebben de advocaten van partijen het woord gevoerd aan de hand van pleitaantekeningen. Deze maken deel uit van het dossier. 1.3. De datum voor het wijzen van vonnis is nader bepaald op vandaag. 2 De feiten Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan. 2.1. Bij vonnis van 15 juli 2022 is [eiser] door de correctionele rechtbank in Brussel veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van negen jaar vanwege drugsgerelateerde strafbare feiten en het als leider deelnemen aan een criminele organisatie. Aanvankelijk was [eiser] voor die feiten gedetineerd in Nederland, maar op verzoek van de Belgische autoriteiten is de tenuitvoerlegging van de straf door België overgenomen. 2.2. Op 22 december 2023 heeft de Minister voor Rechtsbescherming overeenkomstig artikel 2:12 van de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties (WETS) beslist dat de aan [eiser] opgelegde gevangenisstraf in Nederland ten uitvoer kan worden gelegd. In die beslissing is onder meer vermeld: 2.3. Op 18 januari 2024 is [eiser] overgebracht naar Nederland om zijn gevangenisstraf verder te ondergaan. De datum van zijn voorwaardelijke invrijheidstelling (hierna ‘(de) VI’) is in beginsel 26 mei 2028. 2.4. In een e-mailbericht van 3 juni 2024 heeft [eiser] via zijn advocaat de Minister van Justitie en Veiligheid, hierna ‘de minister’, verzocht om gebruik te maken van de in artikel 6:2:10 lid 4 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) geregelde bevoegdheid om in het geval van de tenuitvoerlegging van een in het buitenland opgelegde vrijheidsstraf in Nederland te bepalen dat de VI op een eerder tijdstip kan plaatsvinden. Aan dat verzoek heeft [eiser] ten grondslag gelegd dat als de tenuitvoerlegging van zijn gevangenisstraf niet aan Nederland was overgedragen, hij in België op 25 mei 2024 voor VI in aanmerking zou zijn gekomen. Dit verzoek is bij beslissing van 18 juli 2024 afgewezen, samengevat omdat het moment waarop wordt beslist over de erkenning en overname van de tenuitvoerlegging van een straf ook het geëigende moment is om te beoordelen of er reden is om gebruik te maken van de afwijkingsbevoegdheid van artikel 6:2:10 lid 4 Sv, terwijl overigens de gratieprocedure een voldoende vangnet biedt om het risico van strafverzwaring in concrete gevallen tegen te gaan. 2.5. [eiser] heeft door middel van een op 22 juli 2024 ondertekend gratieformulier en een schriftelijke toelichting van zijn advocaat van 23 juli 2024 een gratieverzoek ingediend. Dit verzoek is op 3 oktober 2024 aangevuld met een in opdracht van [eiser] door een forensisch maatschappelijk werker opgesteld “Voorlichtingsrapport ter ondersteuning verzoek om Gratie” van 30 september 2024 (hierna ‘het voorlichtingsrapport’). In dit rapport wordt nader ingegaan op de persoonlijke omstandigheden van [eiser] en wordt geadviseerd om [eiser] in aanmerking te laten komen voor gratie. Vervolgens is het gratieverzoek op 14 januari 2025 aangevuld met schriftelijke bewijsstukken met betrekking tot de nakoming van een door [eiser] in België getroffen betalingsregeling. 2.6. Naar aanleiding van het gratieverzoek van [eiser] is advies ingewon Verder biedt de gratieprocedure geen voldoende vangnet om het risico op strafverzwaring tegen te gaan, omdat die procedure structurele gebreken kent en minder waarborgen biedt dan de procedure voor de Belgische Strafuitvoeringsrechtbank (Surb). Ten slotte handelt de Staat in strijd met bepalingen in het Handvest van de EU, omdat sprake is van een ongerechtvaardigd onderscheid tussen Belgische en Nederlandse onderdanen bij de tenuitvoerlegging van Belgische straffen en omdat de straf van [eiser] feitelijk veel zwaarder uitvalt dan de Belgische strafrechter bij het opleggen ervan voor ogen heeft gehad. 3.3. De Staat voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken. 4 De beoordeling van het geschil 4.1. Tussen partijen is in geschil of er aanleiding bestaat om de Staat te verplichten om [eiser] in vrijheid te stellen en ten gunste van hem te beslissen op het verzoek om toepassing van artikel 6:2:10 lid 4 Sv, althans om nader onderzoek te doen met betrekking tot de vraag of voortzetting van de gevangenisstraf van [eiser] leidt tot een strafverzwaring. 4.2. De tenuitvoerlegging van straffen wordt op grond van artikel 17 lid 1 van het Kaderbesluit 2008/909/JBZ van de Raad van 27 november 2008 (het Kaderbesluit) beheerst door het recht van de tenuitvoerleggingsstaat. In artikel 17 lid 4 van het Kaderbesluit is vastgelegd dat een lidstaat kan bepalen dat in de beslissing tot vervroegde of voorwaardelijke invrijheidstelling tevens rekening kan worden gehouden met de door de beslissingsstaat aangegeven bepalingen van nationaal recht op grond waarvan de gevonniste persoon op een bepaald tijdstip recht heeft op voorwaardelijke invrijheidstelling. Als een in het buitenland opgelegde vrijheidsstraf overeenkomstig de WETS in Nederland ten uitvoer wordt gelegd, wordt de regeling van de VI toegepast zoals neergelegd in artikel 6:2:10 lid 1 tot en met 3 Sv. Dit betekent dat op de situatie van [eiser] in beginsel de Nederlandse VI-regeling van toepassing is, die voorziet in de mogelijkheid van voorwaardelijke invrijheidstelling na het ondergaan van twee derde van de straf. 4.3. Op grond van artikel 6:2:10 lid 4 onder a Sv kan de Minister echter bepalen dat de VI op een eerder tijdstip kan plaatsvinden. Voor gebruikmaking van die bevoegdheid moet met voldoende mate van zekerheid vaststaan dat in de beslissingsstaat op een eerdere datum toepassing zou zijn gegeven aan een regeling die strekt tot vervroegde of voorwaardelijke invrijheidstelling. Daarmee wordt voorkomen dat de aan de veroordeelde opgelegde straf wordt verzwaard, in die zin dat de veroordeelde als gevolg van de tenuitvoerlegging van de in het buitenland opgelegde straf in Nederland feitelijk een groter deel van die straf moet ondergaan dan wanneer deze straf in de beslissingsstaat ten uitvoer zou zijn gelegd. 4.4. In het geval van [eiser] heeft de Minister voor Rechtsbescherming bij de beslissing over de overname van de tenuitvoerlegging van het Belgische vonnis geoordeeld dat de toekenning van VI bij voortzetting van de tenuitvoerlegging van de aan [eiser] opgelegde straf in België niet met een grote mate van waarschijnlijkheid vast staat, zodat geen aanleiding wordt gezien voor de toepassing van de Belgische VI-regeling (zie hiervoor in 2.2.). Voor die situatie geldt dat wanneer zich nadien feiten en omstandigheden voordoen op grond waarvan kan worden vastgesteld dat onverkorte tenuitvoerlegging van de straf leidt tot een strafverzwaring als hiervoor bedoeld, de minister (alsnog) toepassing kan geven aan de bevoegdheid van artikel 6:2:10 lid 4 Sv, dan wel de gratieprocedure als vangnet dient om strafverzwaring te voorkomen. 4.5. De Staat heeft onder verwijzing naar een tweetal arresten van de Hoge Raad (Hoge Raad 17 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:88 en ECLI:NL:HR:2025:89) naar het oordeel van de voorzieningenrechter terecht betoogd dat het in 4.4. geschetste beleid van de Staat [eiser] toereikende mogelijkheden geeft om (het risico op) strafverzwaring af te wenden.