Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2026-01-14
ECLI:NL:RBDHA:2026:656
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: NL24.46429 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 januari 2026 in de zaak tussen [eiseres], v-nummer [nummer 1], [eiser 1] , v-nummer [nummer 2], [eiser 2] , v-nummer [nummer 3], eisers (gemachtigde: mr. B.G. Smouter), en de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. M.C. Post-Kadijk). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvragen van referenten om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor eisers met als doel verblijf als pleegkind bij referenten. Eisers zijn het niet met de afwijzing eens en hebben hiertegen een aantal beroepsgronden aangevoerd. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvragen. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het besluit van de minister om de aanvragen af te wijzen in stand kan blijven. De rechtbank is van oordeel dat het bestreden besluit bevoegd is genomen. Daarnaast heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat geen sprake is van familie- of gezinsleven tussen eisers en referenten en dat ook niet is gebleken dat eisers in Haïti geen aanvaardbare toekomst hebben. Tot slot zijn er geen omstandigheden aangevoerd die de minister aanleiding hadden moeten geven om gebruik te maken van de afwijkingsbevoegdheid. Eisers krijgen geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft. Inleiding 2. Referenten hebben op 23 augustus 2022 aanvragen ten behoeve van eisers ingediend voor een mvv. De minister heeft deze aanvragen in het primaire besluit van 9 december 2022 afgewezen. Eisers hebben daartegen op 2 januari 2023 bezwaar ingediend. Met het besluit van 9 november 2023 op het bezwaar van eisers is de minister bij de afwijzing van de aanvragen gebleven. Bij uitspraak van 27 juni 2024 is het beroep dat eisers daartegen hebben ingesteld gegrond verklaard, is het besluit van 9 november 2023 vernietigd en is de minister opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Met het besluit van 30 oktober 2024 op het bezwaar van eisers is de minister bij de afwijzing van de aanvragen gebleven. 2.1. Eisers hebben daartegen beroep ingesteld. 2.2. De minister heeft op 31 maart 2025 een verweerschrift ingediend. 2.3. De rechtbank heeft het beroep op 13 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: referenten, de gemachtigde van eisers en de gemachtigde van de minister. Beoordeling door de rechtbank Toelichting bij de aanvraag 3. Eisers verblijven in Haïti. Zij zijn de neefjes en het nichtje van de heer [naam heer], hij is referent. Referente is mevrouw [naam mevrouw], zij is de partner van referent. Aan referenten is op grond van een rechterlijke uitspraak in Haïti de voogdij over eisers toevertrouwd. Referent heeft voor eisers gezorgd toen hij in Haïti woonde. Sinds het vertrek van referent naar Nederland in 2016 heeft hij via beeldbellen het contact met eisers onderhouden. Het bestreden besluit 4. De minister stelt zich op het standpunt dat eisers niet voldoen aan de voorwaarden voor verblijf als pleegkind. Zo is niet gebleken dat referent in Haïti tenminste één jaar heeft samengewoond met eisers en eisers heeft verzorgd en opgevoed en ook is niet gebleken dat eisers nog steeds tot het gezin van referent(en) behoren. Verder is volgens de minister niet gebleken dat eisers in Haïti geen aanvaardbare toekomst hebben. Daarnaast is volgens de minister tussen eisers en referenten geen sprake van familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM, omdat niet is gebleken van hechte persoonlijke banden tussen referenten en eisers. Van schending van artikel 3 van het IVRK is volgens de minister geen sprake. Ten slotte bestaat er volgens de minister geen aanleiding voor toepassing van artikel 4:84 van de Awb. Toetsingskader 5. De minister kan een verblijfsvergunning voor verblijf als familie- of gezinslid aan een minderjarige vreemdel van de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 27 juni 2024 volgt, dat in rechte vast is komen te staan, dat eisers gedurende ten minste één jaar in het land van herkomst zijn verzorgd en opgevoed door referent, deelt de rechtbank niet. De uitspraak bevat daarvoor naar het oordeel van de rechtbank geen aanknopingspunten. 7.2. De minister heeft zich naar het oordeel van de rechtbank niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eisers met de overgelegde documenten -bestaande uit de geldoverschrijvingen, de WhatsApp-screenshots, de voogdijverklaring en de verklaringen van eisers, de biologische ouders en andere bloedverwanten- niet aannemelijk hebben gemaakt dat tussen eisers en referenten sprake is (geweest) van zodanige hechte persoonlijke banden dat kan worden gesproken van familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. Eisers hebben geen objectieve documenten overgelegd waaruit dit blijkt. De verklaringen zijn afkomstig van familieleden en zijn daarom niet objectief en verifieerbaar, ook de verklaringen van eisers zelf zijn dat niet. De rechtbank volgt eisers niet in hun betoog dat de minister om meer informatie had moeten vragen. Het is aan eisers om hun aanvragen met objectieve documenten te onderbouwen. Uit de overgelegde stukken volgt ook niet dat referenten gedurende een langere periode daadwerkelijk hebben voorzien in de dagelijkse verzorging en opvoeding van eisers. De minister mocht eisers tegenwerpen dat het bewijs van de geldoverschrijvingen daarvoor onvoldoende is, nu daaruit niet kan worden afgeleid dat de gestelde overgemaakte bedragen daadwerkelijk ten goede zijn gekomen aan eisers of dat deze betalingen verband hielden met hun verzorging en opvoeding. Voorts blijkt uit de stukken niet dat sprake is van een duurzaam (of voortgezet) gezinsverband tussen de referenten en eisers. Dat referenten regelmatig contact hebben met eisers is niet bijzonder, maar juist gebruikelijk tussen familieleden. De aard en intensiteit van dit contact overstijgt niet de gebruikelijke omgang tussen een oom en diens neefjes en nichtje. Daarbij heeft de minister niet ten onrechte betrokken dat referent sinds 2016 in Nederland met zijn Nederlandse partner verblijft en inmiddels al meer dan acht jaar gescheiden van eisers woont. De minister heeft ook mogen meewegen dat de biologische moeders en vader in deze periode hun kinderen zelf hebben verzorgd en opgevoed en dat niet is gebleken waarom zij deze zorg niet op zich kunnen blijven nemen. Ook blijkt uit de uitspraak van de voogdij niet dat de biologische moeders en vader niet in staat zouden zijn om hun kinderen op te voeden. De minister heeft zich dan ook niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat geen sprake is van gezinsleven tussen eisers en referenten, zodat niet wordt voldaan aan de voorwaarden van paragraaf B7/3.7.2. van de Vc 2000. Deze beroepsgrond slaagt niet. Hebben eisers in Haïti geen aanvaardbare toekomst in de zin van paragraaf B7/3.7.1. van de Vc 2000? 8. Eisers betogen dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat zij niet hebben aangetoond dat sprake is van de situatie dat eisers niet of bezwaarlijk door familieleden in Haïti kunnen worden opgevoed en dat voor hen daardoor een onaanvaardbare toekomst in Haïti is weggelegd. Eisers voeren daartoe aan dat uit de overgelegde stukken blijkt dat de biologische ouders en de andere bloedverwanten vanwege kwetsbaarheid, persoonlijke omstandigheden en de algemene feitelijke situatie in Haïti bezwaarlijk voor hen kunnen zorgen. De voogdij van eisers ligt bij referenten en zij zijn daarom verantwoordelijk voor de verzorging en opvoeding. Het lukt referenten niet meer om contact te krijgen met eisers en daardoor is het verlenen van zorg op afstand onmogelijk. Eisers verwijzen naar landeninformatie en andere openbare bronnen waaruit blijkt dat geen sprake meer is van minder welvarende omstandigheden die voor alle kinderen in Haïti gelden, maar dat de omstandigheden in Haïti dusdan Eisers betogen dat volgens vaste rechtspraak van het EHRM in alle beslissingen over kinderen, de belangen van het kind een eerste en centrale overweging moeten vormen. Uit het bestreden besluit blijkt onvoldoende kenbaar hoe de belangen van eisers zijn meegewogen. 10.1. De rechtbank is van oordeel dat de minister kenbaar oog heeft gehad voor de belangen van eisers. De minister heeft erop gewezen dat de belangen van het kind een eerste overweging vormen bij de inrichting van het beleid en dat daarom allereerst is getoetst aan het toepasselijke beleid. Bij die toetsing heeft de minister de huidige leefsituatie van eisers in Haïti, de mogelijkheden tot verzorging en opvoeding door de eigen ouders in Haïti en de band van eisers met referenten meegenomen in de beoordeling. Deze beroepsgrond slaagt niet. Had de minister met toepassing van artikel 4:84 van de Awb moeten afwijken van zijn beleid? 11. Eisers betogen dat de zeer slechte situatie in Haïti, wel degelijk een rol speelt nu zij geen onderwijs kunnen krijgen en zij niet aan hun toekomst kunnen bouwen. Het besluit van de minister getuigt in dit geval van onevenredige hardheid en daarom dient de minister gebruik te maken van zijn afwijkingsbevoegdheid op grond van artikel 4:84 van de Awb. 11.1. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat er geen aanleiding is om wegens bijzondere omstandigheden af te wijken van de beleidsregels. De door eisers aangevoerde omstandigheden zijn namelijk door de minister al meegenomen bij de beoordeling of aan het beleid wordt voldaan, zodat geen sprake is van bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 4:84 van de Awb. Deze beroepsgrond slaagt niet. Conclusie en gevolgen 12. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eisers geen gelijk krijgen en ook geen vergoeding krijgen van hun proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. O. El Kadi, rechter, in aanwezigheid van mr. R.C. Lubbers, griffier. Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. In de zin van artikel 3.28 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000). Zowel niet in de zin van paragraaf B7/3.7.2. als van paragraaf B7/3.7.1. van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000). Op grond van artikel 4:84 van de Awb. Uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 27 juni 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:10088. Niet in de betekenis zoals bedoeld in artikel 3.28 van het Vb 2000, paragraaf B7/3.7.1. en ook niet in de betekenis van paragraaf B7/3.7.2. van de Vc 2000. Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind. Dat staat in artikel 3.28, eerste lid, van het Vb 2000. Dat staat in paragraaf B7/3.7.1. van de Vc 2000. Dat staat in paragraaf B7/3.7.2. van de Vc 2000. ABRvS 29 september 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2298. ABRvS 13 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:765, r.o. 3.1. Uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 27 juni 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:10088, punt 7.2. EHRM 17 januari 2012, Kopf en Liberda tegen Oostenrijk, punt 34-37, ECLI:CE:ECHR:2012:0117JUD000159806. Eisers verwijzen naar een recente rapportage van de NOS over het bendegeweld in Haïti [website]. Richtlijn 2011/95/EU. UNHCR issues new guidance on international refugee protection for Haitians | UNHCR. NL23.12413. Paragraaf B7/3.7.1.1. derde alinea. EHRM 17 januari 2012, Kopf en Liberda tegen Oo