Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-02-03
ECLI:NL:RBDHA:2026:6556
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,559 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBDHA:2026:6556 text/xml public 2026-04-07T11:19:22 2026-03-26 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-02-03 SGR 23/3727 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Den Haag Bestuursrecht; Omgevingsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:6556 text/html public 2026-04-07T11:05:48 2026-04-07 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:6556 Rechtbank Den Haag , 03-02-2026 / SGR 23/3727 Einduitspraak na bestuurlijke lus. Gevraagde omgevingsvergunning alsnog verleend. Proceskostenvergoeding. RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 23/3727 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 februari 2026 in de zaak tussen Stayci Serviced Apartments B.V., te Den Haag, eiseres (gemachtigde: mr. J. Geelhoed) en het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, het college (gemachtigde: mr. M. Remeijer-Schmitz). Procesverloop 1. Bij besluit van 7 november 2022 (het primaire besluit) heeft het college een aanvraag van eiseres om een omgevingsvergunning voor het bouwen en gebruiken van het gebouw aan het [straatnaam] [huisnummers] te [plaats] als short stay appartementen afgewezen. 1.1. Bij besluit van 18 april 2023 (het bestreden besluit) heeft het college de bezwaren van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. 1.2. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Nadien heeft eiseres nadere stukken ingediend. 1.3. De rechtbank heeft het beroep op 17 februari 2025 op zitting behandeld. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde, bijgestaan door [naam]. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. 1.4. Bij tussenuitspraak van 12 mei 2025 is het college in de gelegenheid gesteld om binnen twaalf weken na verzending van die uitspraak een door de rechtbank geconstateerd gebrek in het bestreden besluit te herstellen. 1.5. Bij tussenuitspraak van 12 augustus 2025 is de termijn om het gebrek te herstellen verlengd tot 8 september 2025. 1.6. Bij tussenuitspraak van 9 september 2025 is de termijn om het gebrek te herstellen verlengd tot 15 september 2025. 1.7. Bij besluit van 8 oktober 2025 heeft het college opnieuw beslist op het bezwaar van eiseres en het primaire besluit herroepen. Het college heeft de aangevraagde omgevingsvergunning alsnog verleend. 1.8. Bij brief van 31 oktober 2025 heeft eiseres haar beroep ingetrokken en om vergoeding van haar proceskosten door het college verzocht. Overwegingen 2. Als een beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoet gekomen, kan de rechtbank op grond van artikel 8:75a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb veroordelen in de proceskosten. 2.1. Op grond van artikel 8:75, eerste lid, in samenhang gelezen met artikel 7:15, tweede lid, van de Awb worden de kosten, die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van de belanghebbende voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. 3. Het college stelt zich in de e-mail van 17 december 2025 op het standpunt dat vergoeding van de proceskosten van eiseres niet aan de orde is, omdat het bestreden besluit niet is herroepen wegens een aan het college te wijten onrechtmatigheid. Het college voert aan dat het er niet toe was gehouden om een toelichting te vragen op de op 30 maart 2023 ingediende bouwtekeningen. Deze tekeningen hoefden daarom niet bij de beoordeling in de bezwaarfase te worden betrokken, aldus het college. 4. De rechtbank overweegt dat het college tegemoet is gekomen aan eiseres door in de gewijzigde beslissing op bezwaar het primaire besluit te herroepen en de aangevraagde omgevingsvergunning alsnog te verlenen. De rechtbank zal het college daarom veroordelen in de proceskosten van eiseres in beroep. 4.1. Ten aanzien van de kosten die eiseres gemaakt heeft in bezwaar, waar het standpunt van het college in feite op ziet, overweegt de rechtbank dat het college die kosten niet hoeft te vergoeden, omdat het primaire besluit niet is herroepen wegens een aan het college te wijten onrechtmatigheid. De gewijzigde bouwtekeningen van 30 maart 2023, die het college ten onrechte niet bij de beslissing op bezwaar heeft betrokken, heeft eiseres immers pas ingediend ná het primaire besluit. Het is dus niet aan het college te wijten dat die bouwtekeningen niet bij het primaire besluit zijn betrokken. 4.3. Gelet op het voorgaande veroordeelt de rechtbank het college in de door eiseres gemaakte proceskosten in beroep. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934 en wegingsfactor 1). De rechtbank bepaalt verder dat het college aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt. Beslissing De rechtbank: - veroordeelt het college in de proceskosten van eiseres ten bedrage van € 1.868,-; - bepaalt dat het college aan eiseres het griffierecht van € 365,- vergoedt. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J. van de Ven, rechter, in aanwezigheid van mr. H.B. Brandwijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 februari 2026. griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.