Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-03-25
ECLI:NL:RBDHA:2026:6487
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,260 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBDHA:2026:6487 text/xml public 2026-04-08T09:30:20 2026-03-25 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-03-25 NL26.8633 en NL26.8634 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Voorlopige voorziening+bodemzaak NL Den Haag Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:6487 text/html public 2026-04-07T09:20:31 2026-04-08 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:6487 Rechtbank Den Haag , 25-03-2026 / NL26.8633 en NL26.8634 interstatelijk vertrouwensbeginsel, nader onderzoek, medische omstandigheden niet onderbouwd RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummers: NL26.8633 en NL26.8634 uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen [eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser (gemachtigde: mr. Z.M. Alaca), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder. Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De voorzieningenrechter beoordeelt in deze uitspraak het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 13 februari 2026 niet in behandeling genomen, omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de aanvraag. Beoordeling door de rechtbank Geen zitting 2. De rechtbank houdt in deze zaak geen zitting. Het beroep is namelijk kennelijk ongegrond. Hieronder legt de rechtbank dit uit. Waar gaat deze zaak over? 3. Eiseres stelt de Jemenitische nationaliteit te hebben en op [geboortedatum] 1998 te zijn geboren. Verweerder heeft de asielaanvraag niet in behandeling genomen, omdat Frankrijk verantwoordelijk zou zijn voor de behandeling daarvan. Wat vindt eiser in beroep? 4. Eiser is niet eens met het bestreden besluit en is van oordeel dat deze onzorgvuldig tot stand is gekomen en onvoldoende is gemotiveerd. Eiser stelt dat zijn medische omstandigheden bij overdracht aan Frankrijk tot een reëel risico op een aanzienlijke en onomkeerbare verslechtering van zijn gezondheid leidt. Volgens eiser rust op verweerder de plicht om nader onderzoek te verrichten naar eisers medische situatie. Tot slot stelt eiser dat ten aanzien van Frankrijk niet mag worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Wat is het oordeel van de rechtbank? 5. De rechtbank is van oordeel dat verweerder ten aanzien van Frankrijk nog altijd mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit volgt uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Wat betreft de gestelde medische omstandigheden, heeft eiser enkel een niet vertaald medisch stuk overlegd. Dit acht de rechtbank onvoldoende voor de onderbouwing van eisers medische situatie. 6. De rechtbank oordeelt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een bijzondere, individuele omstandigheid die maakt dat moet worden afgezien van overdracht aan Frankrijk wegens een onevenredige hardheid. Niet is gebleken dat Nederland het aangewezen land is om eiser te behandelen, nu Frankrijk vergelijkbare medische voorzieningen kent als Nederland. Mocht eiser in Frankrijk problemen ervaren, dan dient hij zich hiervoor te wenden tot de (hogere) Franse autoriteiten. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit voor hem niet mogelijk is of dat de Franse autoriteiten hem niet zouden kunnen of willen helpen. Het bestreden besluit is voldoende zorgvuldig tot stand gekomen en voldoende gemotiveerd. Conclusie en gevolgen 7. De beroepsgronden slagen niet. De rechtbank twijfelt hier niet over. Daarom is het beroep kennelijk ongegrond. 8. Nu er uitspraak is gedaan in het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit , wordt het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard. 9. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. De voorzieningenrechter verklaart het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door mr. J. J. P. Bosman, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van M. Ramdihal, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak op het beroep, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open. Zie artikel 8:54, eerste lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Zie de uitspraken van 31 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3623 en 7 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3724. Op grond van artikel 8:81 en 8:83, derde lid, van de Awb.