Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-03-06
ECLI:NL:RBDHA:2026:6480
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,777 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:6480 text/xml public 2026-03-31T11:57:49 2026-03-25 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-03-06 NL25.54135 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Amsterdam Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:6480 text/html public 2026-03-31T08:24:17 2026-03-31 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:6480 Rechtbank Den Haag , 06-03-2026 / NL25.54135 AA Nigeria, identiteit, problemen na incidenten bij het voetballen, beroep ongegrond RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht zaaknummer: NL25.54135 V-nummer: [v-nummer] uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , geboren op [geboortedatum] 2003, van Nigeriaanse nationaliteit, eiser (gemachtigde: mr. V. Senczuk), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. J. Amakodo). Procesverloop Eiser heeft op 3 januari 2024 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 29 oktober 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De rechtbank heeft het beroep op 2 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, D.K. Ehigine als tolk in de taal Pidgin Engels en de gemachtigde van de minister. Beoordeling door de rechtbank Het asielrelaas 1. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Hij leefde op straat in Benin City en was eind 2014 met anderen aan het voetballen. Een van hen schopte de bal tegen het hoofd van een kind. Dit kind is vervolgens overleden. De vader van dit kind is een populaire man in die wijk. De politie en de handlangers van die man zijn vervolgens naar eiser op zoek gegaan (dit noemt de rechtbank hierna: het eerste incident). Daarnaast heeft eiser in april 2015 tijdens het voetballen gevochten met een jongen, [naam] . Daarbij heeft hij [naam] met een voetbalschoen op het hoofd geslagen. Eiser heeft later vernomen dat ook [naam] is overleden (dit noemt de rechtbank hierna: het tweede incident). Daarna heeft eiser Nigeria verlaten. Hij is via omzwervingen en een lange periode gedwongen verblijf in Libië pas in 2023 in Europa aangekomen. Het bestreden besluit 2. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende relevante elementen: identiteit, nationaliteit en herkomst; de verklaringen van eiser over de incidenten tijdens het voetbal. 2.1. De minister acht de nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig, maar de identiteit van eiser niet. Hieraan legt de minister ten grondslag dat eiser in eerste instantie geen identificerende documenten heeft overgelegd. Daarnaast heeft eiser volgens de minister wisselend verklaard over de reden waarom hij nooit in het bezit is geweest van identificerende documenten. 2.2. De minister heeft de verklaringen van eiser over de incidenten tijdens het voetbal eveneens ongeloofwaardig bevonden, omdat deze geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. De minister vindt dat eiser belangrijke informatie heeft achtergehouden tijdens het gehoor. In het aanmeldgehoor heeft eiser namelijk verklaard dat de reden voor zijn vertrek is geweest dat hij met een jongen heeft gevochten, en dat later bleek dat die jongen was overleden. In het nader gehoor heeft eiser echter eerst uitgebreid verklaard over het incident met het kind dat door een bal was geraakt. Pas nadat de hoormedewerker over het gevecht begon, heeft eiser voor het eerst ter sprake gebracht dat er ook sprake was van een ander incident. Daarnaast heeft eiser ook niet inzichtelijk gemaakt hoe de populaire man achter zijn identiteit zou kunnen komen. Verder zijn de verklaringen van eiser volgens de minister op verschillende punten zeer summier en oppervlakkig en heeft hij ook meermaals wisselend verklaard. 2.3. De minister heeft de aanvraag daarom afgewezen als ongegrond. Daarnaast heeft de minister tegen eiser een terugkeerbesluit uitgevaardigd waarin hem wordt opgedragen Nederland onmiddellijk te verlaten. Hieraan legt de minister ten grondslag dat er een risico bestaat dat eiser zal onderduiken. Ook heeft de minister tegen eiser een inreisverbod voor de duur van twee jaar uitgevaardigd. Heeft de minister voldoende rekening gehouden met de buikklachten van eiser tijdens het nader gehoor? 3. Eiser vindt dat het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig is genomen. Tijdens het nader gehoor heeft de hoormedewerker onvoldoende rekening gehouden met eisers buikpijnklachten, die ook blijken uit het medisch advies. 3.1. De rechtbank overweegt hierover als volgt. In het medisch advies van medTadvies staat het volgende: “Betrokkene heeft aangegeven buikpijnklachten te ervaren. Mocht dit tijdens het gehoor plaatsvinden, gelieve een pauze in te lassen en betrokkene de gelegenheid te bieden om meegebrachte medicatie in te nemen.” Aan het begin van het nader gehoor heeft de hoormedewerker aan eiser laten weten dat hij weet van de buikpijnklachten en heeft hij eiser gevraagd of hij het wil laten weten als hij daarvan last krijgt of als hij behoefte heeft aan een pauze. De hoormedewerker heeft ook meerdere pauzes ingelast. Eiser heeft daarnaast niet om extra pauzes gevraagd en ook tijdens het gehoor niet aangegeven dat hij dusdanig last heeft van zijn buikpijn dat hij zich niet goed kan concentreren of dat hij niet goed kan verklaren. Eiser heeft in de zienswijze en de gronden van beroep wel gezegd dat hij tijdens het gehoor heeft laten weten dat hij last had van zijn buik, maar dat heeft hij pas aan het eind van het gehoor gedaan. Ook toen is echter niet gebleken dat die buikpijn in de weg heeft gestaan aan een zorgvuldig gehoor. Deze beroepsgrond slaagt niet. Heeft de minister de identiteit van eiser ten onrechte ongeloofwaardig geacht? 4. Eiser meent verder dat de minister ten onrechte zijn identiteit niet geloofwaardig heeft geacht. Toen hem duidelijk werd dat het belangrijk was om documenten over te leggen, heeft hij via via contact gezocht met zijn ouders in zijn geboortedorp en heeft zijn vader daar de Letter of Identification aangevraagd. Het is niet gebruikelijk dat daar een geboortedatum op staat. 4.1. De minister heeft op de zitting toegelicht dat hij niet langer tegenwerpt dat eiser zich onvoldoende heeft ingespannen om identificerende documenten te verkrijgen, nu eiser in beroep een kopie van de Letter of Identification heeft overgelegd. De minister acht dit document echter onvoldoende om de identiteit van eiser (alsnog) aannemelijk te achten. 4.2. De rechtbank volgt de minister in dit standpunt. De minister heeft er terecht op gewezen dat de Letter of Identification een kopie betreft die niet op echtheid kan worden onderzocht. Bovendien wordt op dit document geen geboortedatum vermeld, terwijl de minister op basis van zijn beleid vereist dat een identiteitsdocument in ieder geval de geboortedatum bevat. Volgens eiser draagt de omstandigheid dat er geen geboortedatum op de Letter of Identification staat juist bij aan de authenticiteit ervan, aangezien het niet gebruikelijk is dat op zo’n document een geboortedatum staat. Dat doet er naar het oordeel van de rechtbank echter niet aan af dat de minister mag verwachten dat eiser zijn identiteit onderbouwt met documenten die ook een geboortedatum bevatten. Eiser heeft geen andere documenten overgelegd ter onderbouwing van zijn identiteit. Heeft de minister de verklaringen van eiser over de voetbalincidenten ten onrechte ongeloofwaardig bevonden? 5. Daarnaast betoogt eiser dat de minister ten onrechte zijn verklaringen over de voetbalincidenten niet geloofwaardig heeft gevonden. Hij was nog maar elf jaar toen de incidenten plaatsvonden en kan er niet meer over verklaren dan hij heeft gedaan. 5.1. De rechtbank is van oordeel dat de minister aan eiser heeft kunnen tegenwerpen dat hij verschillend heeft verklaard over de redenen voor zijn vertrek uit Nigeria. Eiser heeft in het aanmeldgehoor verklaard dat er meerdere redenen waren om Nigeria te verlaten. Eén daarvan was dat hij had gevochten met een jongen, die daarna is overleden.
Volledig
De andere redenen die hij in het aanmeldgehoor heeft genoemd, hadden niet met voetbal te maken. Aan het begin van het nader gehoor heeft de hoormedewerker aan eiser gevraagd wat de directe aanleiding voor hem was om Nigeria te verlaten. Eiser heeft toen verteld over het eerste incident. Even later heeft de hoormedewerker eiser voorgehouden wat hij in het aanmeldgehoor over de reden van zijn asielaanvraag heeft verteld en eiser de gelegenheid gegeven om in zijn eigen woorden te vertellen wat de directe redenen zijn waarom hij Nigeria heeft verlaten. Toen heeft eiser verklaard: “Het eerste probleem dat mij uit Nigeria deed vertrekken was het probleem tijdens het voetballen. Dat een kind kwam te overlijden. Vanwege dat probleem moest ik Nigeria verlaten.” Toen de hoormedewerker hem daarna vroeg of hij verder nog iets wilde toevoegen over de problemen in Nigeria heeft eiser verklaard dat dat het enige probleem was. Eiser heeft op dat moment, of in het gesprek dat daarna ontstond over het eerste incident, niet laten weten dat er ook nog andere redenen waren waarom hij Nigeria is ontvlucht. Pas in de middag, na twee pauzes, toen de hoormedewerker eiser nogmaals had voorgehouden wat hij in het aanmeldgehoor had verklaard over de redenen van zijn vertrek, heeft eiser verklaard over het tweede incident . Eiser heeft geen goede verklaring gegeven voor het feit dat hij zo verschillend heeft verklaard over de redenen voor zijn vertrek. De omstandigheid dat hij ten tijde van zijn vertrek nog erg jong was, is daarvoor niet voldoende. Het gaat nu immers niet om het moment van vertrek, maar om het moment dat hij daarover heeft verklaard. Toen was hij al meerderjarig. 5.2. Daarnaast mocht de minister zich op het standpunt stellen dat de verklaringen van eiser over de populaire man erg vaag zijn. Hij heeft verklaard dat hij zelf niet uit die wijk kwam, en dat hij de man zelf niet kende, maar dat hij heeft gehoord dat het in die wijk een populaire man was. Hij weet verder helemaal niets te vertellen over de man door wie hij, volgens zijn eigen verklaring, wordt gezocht. 5.3. Alleen al om bovengenoemde redenen heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de verklaringen van eiser over de beide incidenten niet geloofwaardig zijn. Deze beroepsgrond slaagt niet. Mocht de minister tegen eiser een inreisverbod uitvaardigen? 6. Tot slot voert eiser aan dat de minister zich ten onrechte op het standpunt stelt dat er geen inhoudelijke beoordeling met betrekking tot de individuele omstandigheden van eiser kan plaatsvinden bij de oplegging van het inreisverbod. 6.1. In het voornemen heeft de minister overwogen dat er geen reden is om eiser geen inreisverbod te geven. De minister heeft eiser in de gelegenheid gesteld daarop in de zienswijze te reageren. In de zienswijze heeft eiser gewezen op zijn jonge leeftijd, op het feit dat hij slachtoffer is geweest van mensenhandel (in Libië, zo begrijpt de rechtbank), op zijn medische beperkingen en op het feit dat hij in de asielprocedure zijn medewerking heeft verleend. In het bestreden besluit heeft de minister overwogen dat de individuele omstandigheden niet relevant zijn gebleken. Voor zover de minister daarmee heeft bedoeld dat individuele omstandigheden geen rol kunnen spelen bij de beslissing om al dan niet een inreisverbod op te leggen, is het besluit in strijd met artikel 66a, achtste lid, van de Vw . In die bepaling staat immers dat de minister om humanitaire of andere redenen kan afzien van het uitvaardigen van een inreisverbod. De door eiser individuele omstandigheden kunnen in dit kader wel degelijk relevant zijn. Het besluit is op dit punt dan ook niet deugdelijk gemotiveerd. 6.2. De rechtbank passeert dit gebrek echter op grond van artikel 6:22 van de Awb . Eiser heeft namelijk onvoldoende individuele omstandigheden aangevoerd op grond waarvan de minister met toepassing van artikel 66a, achtste lid, van de Vw zou moeten afzien van het uitvaardigen van het inreisverbod. De omstandigheden die eiser bij de zienswijze heeft aangevoerd, heeft hij helemaal niet onderbouwd. Op de zitting heeft eiser desgevraagd alleen verklaard dat hij vanwege het inreisverbod niet een nieuwe verblijfsvergunning kan aanvragen. Hiermee heeft de eiser naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwd waarom in zijn specifieke geval af had moeten worden gezien van het uitvaardigen van een inreisverbod. Dat eiser een inreisverbod heeft gekregen staat er immers niet aan in de weg dat hij een nieuwe aanvraag voor een verblijfsvergunning kan indienen. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank aanleiding om het onder 6.1 geconstateerde motiveringsgebrek te passeren. Is de minister in het bestreden besluit voldoende gemotiveerd op de zienswijze ingegaan? 7. Eiser heeft tot slot naar voren gebracht dat de minister in het bestreden besluit onvoldoende inhoudelijk is ingegaan op de zienswijze. Hoewel aan eiser kan worden toegegeven dat de reactie op de zienswijze in het bestreden besluit op bepaalde punten summier is, is de rechtbank al met al van oordeel dat het bestreden besluit, mede gelet op de toelichting van de minister op zitting, voldoende is gemotiveerd. Ook deze beroepsgrond slaagt dus niet. Conclusie en gevolgen 8. Het beroep is ongegrond. 9. Wegens het onder 6.1. geconstateerde motiveringsgebrek veroordeelt de rechtbank de minister in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1). Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep ongegrond; - veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-. Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Schaberg, rechter, in aanwezigheid van mr. F.W. Victoor, griffier. Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Pagina 3 van het nader gehoor. Paragraaf C1/4.2.2.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000. Pagina 13 van het aanmeldgehoor. Pagina 7 van het nader gehoor. Pagina 9 van het nader gehoor. Pagina 9 van het nader gehoor. Pagina 17 en 18 van het nader gehoor. Vreemdelingenwet 2000. Algemene wet bestuursrecht.