Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-03-19
ECLI:NL:RBDHA:2026:6450
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,579 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBDHA:2026:6450 text/xml public 2026-04-03T14:52:09 2026-03-25 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-03-19 NL26.11237 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Den Haag Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:6450 text/html public 2026-04-03T14:51:16 2026-04-03 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:6450 Rechtbank Den Haag , 19-03-2026 / NL26.11237 Artikel 59 / gronden niet bestreden / geen lichter middel / geen schending artikel 6 EVRM / adrar toets voldaan / ongegrond RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: NL26.11237 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser], V-nummer: [v-nummer], eiser (gemachtigde: mr. R.T. Laigsingh), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder. (gemachtigde: mr. J.A Herlaar). Procesverloop Bij besluit van 20 februari 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. De rechtbank heeft het beroep op 12 maart 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen Z. Hamidi. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen 1. Eiser stelt de Marokkaanse nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedatum] 1992. 2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser: 3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan; 3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken; 3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven; 3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit; en als lichte gronden vermeld dat eiser: 4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden; 4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft; 4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan. 3. De gemachtigde van eiser voert aan dat eiser op 24 februari 2026 een nieuwe asielaanvraag heeft ingediend. Vervolgens heeft eiser op 26 februari 2026 de asielaanvraag weer ingetrokken. In die twee dagen heeft eiser geen advocaat gezien of gesproken wat maakt dat er sprake is van een ernstige schending artikel 6 van het EVRM . 4. De rechtbank overweegt het volgende. 5. Allereerst wordt vastgesteld dat de gronden waarop de maatregel berust niet zijn bestreden. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de zware en lichte gronden en de daarbij gegeven motivering in onderlinge samenhang bezien reeds voldoende om aan te nemen dat een risico bestaat dat eiser zal onderduiken en deze gronden kunnen de maatregel dan ook dragen. 6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich, gelet op wat hierboven is geoordeeld over de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, terecht op het standpunt heeft gesteld dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregel dan de inbewaringstelling doeltreffend kon worden toegepast. 7. Verweerder stelt terecht dat eiser binnen twee dagen zijn asielaanvraag weer heeft ingetrokken en dat daarom de maatregel niet omgezet hoefde te worden. Niet valt in te zien in welke belangen eiser is geschaad nu hij in die twee dagen geen rechtsbijstand heeft gehad. Eiser heeft ter zitting verklaard dat hij zijn asielaanvraag heeft ingetrokken, omdat hij geen contact kreeg met een advocaat. Het is de rechtbank niet duidelijk waarom eiser besloten heeft zijn asielaanvraag in te trekken als hij geen advocaat heeft gesproken. De rechtbank meent dat er geen sprake is van een schending van artikel 6 van het EVRM. Bovendien is dit niet zijn eerste asielprocedure. 8. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe de rechtbank gehouden is , ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring onrechtmatig is geweest of op dit moment onrechtmatig voortduurt. 9. Desgevraagd heeft verweerder meegedeeld dat er voldoende gevolg is gegeven aan de Adrar-toets . In de maatregel is opgenomen dat eiser de asielprocedure heeft doorlopen, maar dit niet heeft geleid tot een vergunning dan wel een status. Verweerder verwijst naar rechtsoverweging 15.1 van die uitspraak. Eiser heeft in het gehoor verklaard dat hij niet terug kan naar Marokko in verband met zijn seksuele gerichtheid. De rechtbank heeft in de asielprocedure bij uitspraak van 18 februari 2026 deze verklaringen beoordeeld en ook reeds artikel 3 van het EVRM beoordeeld. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding voor een gegrond beroep. 10. Het beroep wordt ongegrond verklaard. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. 11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep ongegrond; - wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.P. Bosman, rechter, in aanwezigheid van N. Mekenkamp, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Zie de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 en de uitspraak van de Afdeling van 12 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:329. Zie de uitspraak van de Afdeling van 12 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:329.