Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-03-19
ECLI:NL:RBDHA:2026:6432
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,332 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBDHA:2026:6432 text/xml public 2026-03-25T09:00:22 2026-03-24 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-03-19 NL25.37043 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Mondelinge uitspraak Proces-verbaal NL Middelburg Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:6432 text/html public 2026-03-24T14:31:44 2026-03-25 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:6432 Rechtbank Den Haag , 19-03-2026 / NL25.37043 PV mondelinge uitspraak - privéleven art. 8 EVRM – geen stukken ingediend bij aanvraag - beroep ongegrond. RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL25.37043 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , eiser, V-nummer: [V-nummer] , (gemachtigde: mr. M.B. van den Toorn-Volkers), en de minister van Asiel en Migratie , voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder, (gemachtigde: mr. L.S. Hartog). Procesverloop Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 15 juli 2025 waarbij het bezwaar van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een reguliere verblijfsvergunning ongegrond is verklaard. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft het beroep op 19 maart 2026 op zitting behandeld. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Overwegingen 1. Eiser heeft op 8 november 2023 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning. Daarbij heeft hij gewezen op het recht op bescherming van zijn privéleven zoals bedoeld in artikel 8 van het EVRM. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen omdat eiser niet beschikt over de wettelijk voorgeschreven machtiging tot voorlopig verblijf en niet is gebleken dat uitzetting naar zijn land van herkomst, Ghana, in strijd is met artikel 8 van het EVRM. 2. Zoals verweerder in het bestreden besluit heeft opgemerkt, heeft eiser geen informatie verstrekt over zijn actuele privéleven in Nederland ten tijde van zijn aanvraag. Verweerder heeft hier terecht de conclusie aan verbonden dat dan niet kan worden vastgesteld dat is gebleken van een beschermenswaardig privéleven. Het is namelijk aan een aanvrager om het bestuursorgaan de gegevens te verschaffen die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover die aanvrager redelijkerwijs kan beschikken. Daarnaast heeft verweerder nog gewezen op zijn besluit van 8 juni 2022, waarin hij eerder heeft vastgesteld dat niet is gebleken dat eiser in Nederland een privéleven heeft dat wordt beschermd door artikel 8 van het EVRM. 3. De stelling in beroep van eisers gemachtigde dat verweerder ervan uit moet gaan dat eiser in Nederland is geworteld omdat hij sinds 1991 in Nederland verblijft en bekend is bij verweerder, doet aan verweerders motivering niet af en leidt dan ook niet tot een geslaagd beroep. Daarbij kan eiser niet worden gevolgd in zijn standpunt dat hij op zijn bezwaar had moeten worden gehoord. Doordat eiser ook in bezwaar geen concrete informatie heeft verstrekt over zijn leven in Nederland op dit moment, was onmiddellijk duidelijk dat het bezwaar niet tot een andere uitkomst kon leiden. 4. Voor zover eiser in bezwaar alsnog enige informatie heeft verstrekt en steunverklaringen van derden heeft overgelegd, leidt dat niet tot een gegrond beroep. De bestuursrechter moet zijn oordeel over het bestreden besluit namelijk baseren op de feiten en omstandigheden zoals die zich voor hebben gedaan op het moment van dat besluit. Niet valt in te zien dat de in beroep overgelegde informatie en documenten niet eerder konden worden verstrekt. Eiser is immers herhaalde malen gewezen op de noodzaak om zijn aanvraag te onderbouwen. Nu in de besluitvormingsfase iedere informatie ontbrak, kan een en ander niet worden aangemerkt als een nadere onderbouwing van een eerder ingenomen standpunt. 5. Verweerder heeft verder terecht verwezen naar het terugkeerbesluit van 1 juni 2012. Dat besluit staat in rechte vast en is nog altijd van kracht omdat eiser daar geen gevolg aan heeft gegeven. De rechtbank volgt niet dat het disproportioneel moet worden geacht om aan dit terugkeerbesluit vast te houden. Het enkele verstrijken van tijd is hiervoor onvoldoende, zeker omdat eiser in de loop der tijd vele malen is gemaand om te vertrekken. Eiser heeft niet onderbouwd dat hij geen gevolg kan geven aan zijn vertrekplicht. 6. Gelet op het voorgaande heeft verweerder het bezwaar tegen de afwijzing van de aanvraag terecht ongegrond verklaard. Het beroep is ongegrond. 7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Deze uitspraak is gedaan in het openbaar op 19 maart 2026 door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Mohandes, griffier, en het proces-verbaal daarvan is openbaar gemaakt doormiddel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal. Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.