Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-03-24
ECLI:NL:RBDHA:2026:6419
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,100 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBDHA:2026:6419 text/xml public 2026-04-03T12:29:09 2026-03-24 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-03-24 SGR 26/1139 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Voorlopige voorziening NL Den Haag Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:6419 text/html public 2026-04-03T12:28:27 2026-04-03 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:6419 Rechtbank Den Haag , 24-03-2026 / SGR 26/1139 Verzoek voorlopige voorziening kennelijk ongegrond nu niet is gebleken dat sprake is van een spoedeisend belang. RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 26/1139 uitspraak van de voorzieningenrechter van 24 maart 2026 in de zaak tussen [verzoeker], uit [woonplaats], verzoeker, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het Uwv (gemachtigde: [gemachtigde]). Inleiding 1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen het besluit van 4 december 2025. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. 1.1. Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is. 1.2. Het Uwv heeft in het besluit van 4 december 2025 de uitbetaling van de Ziektewet (ZW)-uitkering van verzoeker geschorst met ingang van 20 november 2025, omdat verzoeker geen contact heeft opgenomen met zijn (ex-)werkgever. Verzoeker verzoekt de voorzieningenrechter de schorsing per direct op te heffen. Beoordeling door de rechtbank 2. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. Bij een financieel geschil, zoals in deze zaak, is dat niet snel het geval. In beginsel kan namelijk na afloop van de bodemzaak het bedrag waarover het geschil gaat, alsnog worden (terug)betaald, zo nodig met vergoeding van de wettelijke rente. Als er geen onomkeerbare situatie dreigt, bijvoorbeeld faillissement, of acute financiële nood is, neemt de voorzieningenrechter aan dat spoedeisend belang ontbreekt, zodat hij alleen al daarom geen voorlopige voorziening treft. 3. Verzoeker geeft aan dat hij sinds de schorsing van zijn ZW-uitkering over geen enkele vorm van inkomen beschikt. Hij heeft geen recht op een bijstandsuitkering omdat hij te veel overwaarde heeft. De hypotheekverstrekker gedoogt achterstand. Hij geeft aan dat hij zijn woning verkoopt vanwege het wegvallen van inkomen, wat een onomkeerbare vermogensschade behelst. Verzoeker heeft geld geleend bij zijn familie, maar zit daar op een grens. Verzoeker stelt dat hij de zorg die hij nodig heeft niet meer kan betalen en dat de schade oploopt. Hij heeft betalingsachterstanden omdat hij niet aan zijn vaste lasten kan voldoen. 4. Het Uwv heeft geen verweerschrift ingediend. 5. De voorzieningenrechter is van oordeel dat er geen sprake is van een acute financiële noodsituatie. Verzoeker heeft een eigen woning, en zoals aangegeven gedoogt de hypotheekverstrekker een betaalachterstand. Dat de hypotheekverstrekker op korte termijn tot gedwongen verkoop van de woning van verzoeker zal overgaan, is daarom niet aannemelijk. Daarnaast leent verzoeker geld bij zijn familie en is hij voornemens om zijn woning te verkopen. Verzoeker heeft zijn betalingsachterstanden daarnaast niet nader toegelicht of onderbouwd met stukken. Gelet hierop is niet gebleken dat verzoeker door de schorsing van zijn ZW-uitkering in een acute financiële noodsituatie terecht is gekomen. Conclusie en gevolgen 6. De conclusie is dat er geen spoedeisend belang is. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is gedaan door mr. M.P. Verloop, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.J. Bronsveld, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 24 maart 2026. griffier voorzieningenrechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.