Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-03-16
ECLI:NL:RBDHA:2026:6316
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
1,893 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBDHA:2026:6316 text/xml public 2026-04-02T16:48:27 2026-03-23 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-03-16 09/312217-25 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig Op tegenspraak NL Den Haag Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:6316 text/html public 2026-04-02T16:47:51 2026-04-02 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:6316 Rechtbank Den Haag , 16-03-2026 / 09/312217-25 Vrijspraak art. 10 OW en art. 10a OW Rechtbank DEN HAAG Strafrecht Meervoudige kamer Parketnummer: 09/312217-25 Datum uitspraak: 16 maart 2026 Tegenspraak De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1998 te [geboorteplaats] , voorheen gedetineerd in de penitentiaire inrichting [plaats] , locatie [locatie] , BRP-adres: [adres 1] . 1 Het onderzoek ter terechtzitting Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 2 maart 2026. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. A.L.M. de L’Isle en van wat door de verdachte en zijn raadsman mr. D.C.E. Timmermans naar voren is gebracht. 2 De tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd dat: 1. hij op of omstreeks 29 april 2022 te Boskoop, gemeente Alphen aan den Rijn, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen, te weten - het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren, en/of - het opzettelijk vervaardigen van cocaïne en/of amfetamine, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of amfetamine, zijnde cocaïne en/of amfetamine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet - zich en/of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen, en/of - voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte, wist of ernstige reden had om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, door het volgende voorhanden te hebben: - een (grote) hoeveelheid verpakkingsmaterialen en/of seals en/of - een hoeveelheid weegschalen (met restanten van vermoedelijk cocaïne) en/of - een hoeveelheid magnetrons en/of - een hoeveelheid föhns en/of - een hoeveelheid persmallen en/of - een hoeveelheid sealmachines en/of - een hoeveelheid stempels en/of - een kookplaat en/of - een hoeveelheid versnijdingsmiddel, te weten inositol en/of - een (grote) hoeveelheid bewerkingsmiddel, te weten aceton, terwijl verdachte en/of verdachtes mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden dat dat/die zij bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en); 2. hij op of omstreeks 29 april 2022 te Boskoop, gemeente Alphen aan den Rijn tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 13,26 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of ongeveer 102 pillen, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine en/of ongeveer 0,8 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, zijnde cocaïne en/of amfetamine en/of MDMA (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet. 3 De bewijsbeslissing 3.1. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van beide ten laste gelegde feiten en heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht. 3.2. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft namens de verdachte vrijspraak bepleit van beide ten laste gelegde feiten. 3.3. Vrijspraak De rechtbank is met betrekking tot beide ten laste gelegde feiten van oordeel dat deze feiten niet wettig en overtuigend zijn te bewijzen. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt. Op 29 april 2022 heeft de politie in de woning aan de [adres 2] diverse voorwerpen aangetroffen die te relateren zijn aan de productie van drugs. Zo zijn onder meer verpakkingsmaterialen, weegschalen, persmallen, sealmachines, een kookplaat, een versnijdingsmiddel (inositol) en een bewerkingsmiddel (aceton) aangetroffen. Daarnaast is in de woning ruim 13 kilogram cocaïne en kleinere hoeveelheden MDMA en amfetamine aangetroffen. Op de overloop van deze woning zijn in een vuilniszak met drugsafval wegwerphandschoenen aangetroffen. Aan de binnenzijde van een van die handschoenen is het DNA van de verdachte aangetroffen. De verdachte heeft zich bij zijn verhoor bij de politie beroept op zijn zwijgrecht. Bij zijn verhoor in de raadkamer gevangenhouding voor het eerst verklaard dat hij wegwerphandschoenen gebruikt bij het schoonmaken van de auto die hij van zijn broer leent. Ook heeft hij verklaard dat die auto door meerdere personen werd gebruikt. Op de terechtzitting heeft hij verder verklaard dat hij de auto van zijn broer met regelmaat in bruikleen gaf aan verschillende personen. Ook heeft hij toen verklaard dat door hem gebruikte handschoenen op enig moment mogelijk in de auto kunnen zijn achtergebleven en mogelijk door onbekend gebleven derden zijn meegenomen naar de woning aan de [adres 2] en aldaar zijn weggegooid. Om tot een bewezenverklaring van de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten te komen moet – kort gezegd – vast komen te staan dat de in de tenlastelegging genoemde voorwerpen en verdovende middelen zich op de tenlastegelegde datum in de machtssfeer van de verdachte bevonden. Gelet op het dossier en dat wat tijdens het onderzoek op de terechtzitting is besproken, kan de rechtbank niet vaststellen dat de verdachte op 29 april 2022 in de woning aanwezig was. Hoewel er een handschoen met het DNA van de verdachte in de woning is aangetroffen, volgt daaruit niet dat de verdachte ook op 29 april 2022 in de woning was. De rechtbank kan immers niet uitsluiten dat de handschoen daar op een eerder moment of via een ander terecht is gekomen. Ook het feit dat de auto van de broer van de verdachte op 29 april 2022 nabij de woning is gezien, is daarvoor onvoldoende, ook wanneer in samenhang bezien met het aangetroffen DNA-materiaal op de handschoen. Gelet op het voorgaande kan de rechtbank niet vaststellen dat de verdachte de in de woning aangetroffen drugsgerelateerde voorwerpen voorhanden heeft gehad of de daar aangetroffen drugs aanwezig heeft gehad. De verdachte zal daarom worden vrijgesproken van het onder 1 aan hem ten laste gelegde plegen van voorbereidingshandelingen in de zin van de Opiumwet. Ook zal de verdachte worden vrijgesproken van het onder 2 aan hem ten laste gelegde aanwezig hebben van ruim cocaïne, MDMA en amfetamine. 4 De beslissing De rechtbank: verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij. Dit vonnis is gewezen door mr. J.G. Bruinsma, voorzitter, mr. J. Snoeijer, rechter, mr. E.R.F. van Engelen, rechter, in tegenwoordigheid van mr. F.A.M. Schuijt, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 16 maart 2026.