Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-03-04
ECLI:NL:RBDHA:2026:6292
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,162 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBDHA:2026:6292 text/xml public 2026-04-02T16:18:57 2026-03-23 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-03-04 SGR 26/377 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Voorlopige voorziening NL Den Haag Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:6292 text/html public 2026-04-02T16:18:42 2026-04-02 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:6292 Rechtbank Den Haag , 04-03-2026 / SGR 26/377 Verzoek voorlopige voorziening kennelijk niet-ontvankelijk; geen lopende bezwaar- of beroepsprocedure; 2:15 Awb, bericht via website is geen bezwaarschrift. RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 26/377 uitspraak van de voorzieningenrechter van 4 maart 2026 in de zaak tussen [verzoekster] , uit [woonplaats] , verzoekster, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het Uwv (gemachtigde: C. Schravesande). Inleiding 1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster tegen beslaglegging op haar uitkering door het Uwv. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. 1.1. Verzoekster heeft op 15 januari 2026 een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. 1.2. Omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is. Beoordeling door de rechtbank 2. Verzoekster voert aan dat zij op 6 december 2025 een bezwaarschrift heeft ingediend. Verzoekster heeft het Uwv viermaal via de website benaderd over dit bezwaar. Op 17 januari 2026 heeft zij het Uwv nogmaals per post benaderd met het verzoek de beslagleggingen te staken totdat op het bezwaar is beslist. Verzoekster heeft geen reactie van het Uwv ontvangen. Verzoekster voert aan dat het Uwv heeft nagelaten een schriftelijk besluit te sturen, waardoor het verzoek moet worden beschouwd als gericht tegen de feitelijke medewerking van het Uwv aan de lopende beslagen door derden. 3. Het Uwv stelt dat het de brieven van 6 december 2025 en 17 januari 2026 van verzoekster niet heeft ontvangen. De berichten via de website merkt het Uwv niet aan als bezwaarschrift. Er is bij het Uwv dus geen bezwaarschrift van verzoekster bekend. Het verzoek om een voorlopige voorziening moet volgens het Uwv om die reden worden afgewezen. 4. Alleen als tegen een besluit bezwaar of beroep is ingesteld, kan een verzoek om voorlopige voorziening worden behandeld. Verzoekster heeft geen kopie overgelegd van een besluit waar zij het niet mee eens is. Het Uwv stelt geen bezwaarschrift te hebben ontvangen. Verzoeksters brieven van 6 december 2025 en 17 januari 2026 heeft het Uwv niet ontvangen. De berichten van verzoekster via de website aan het klantcontactcentrum kunnen niet worden aangemerkt als bezwaarschrift. Een bericht kan slechts langs elektronische weg bij een bestuursorgaan worden ingediend indien voldoende duidelijk is dat deze weg voor de desbetreffende berichtencategorie is opengesteld. Verzoekster heeft haar berichten op de website niet via het formulier ‘bezwaarschrift’ ingediend. Daarom kunnen deze berichten van verzoekster niet worden aangemerkt als een bezwaarschrift. 5. Het is de voorzieningenrechter dus niet gebleken dat verzoekster tegen een besluit bezwaar heeft gemaakt en dat tegen dat besluit (nog) een bezwaar- of beroepsprocedure loopt. De voorzieningenrechter kan het verzoek om een voorlopige voorziening daarom niet behandelen. 6. Ter informatie van verzoekster merkt de voorzieningenrechter op dat, als verzoekster het niet eens is met het beslag of de hoogte van de beslagvrije voet, zij dan contact op moet nemen met BSGR. Conclusie en gevolgen 7. De conclusie is dat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De voorzieningenrechter verklaart het verzoek niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J. van der Ven, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.J. Bronsveld, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2026. griffier voorzieningenrechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open. Artikel 8:81, eerste lid, van de Awb. Artikel 2:15 van de Awb. Zie ook de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 18 oktober 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BO2903, r.o. 2.1.2.